Francis Bacon

Ik sta in een glazen inham, te glunderen als een kind in een snoepwinkel. Door de inham lijk ik in het schildersatelier van Francis Bacon te staan. Francis Bacon, de wereldberoemde schilder! Het genie der schildersgenieën! Die leefde van 1909 tot 1992! Die de paus afbeeldde als een schreeuwend skelet op een troon.

Het is prachtig en ontroerend.

En een ongelooflijke puinhoop. Het lijkt onze living wel. Zonder de Duploblokken en de Bumbaknuffels dan.

Overal op de grond liggen boeken, halfvolle potten verf, verpakkingen, stukken verfdoek, knipsels uit tijdschriften.

Je vraagt je af hoe je in deze ravage ooit een verfkwast of een penseel terugvindt, zelfs als je Francis Bacon heet en algemeen bekend staat als een genie in de verfborstel-business.

Potjes, kommen, verftubes, een lege doos waarin ooit een mixer verpakt zat, uitgescheurde foto’s én vernietigde schilderijen, in het online archief onder slashed canvases. Want alsof er nog niet genoeg rommel lag, begon Bacon ook nog eens zijn eigen schilderijen kapot te snijden. En vervolgens door iemand anders in ministukjes te laten knippen, anders werden ze op straat uit zijn vuilnisbak gejat. Hoe zou je zelf zijn, als buurman. 

Waarom hij zijn eigen schilderijen kapotsneed? Omdat hij ze slecht vond. Of belachelijk. Of met de verkeerde kwast geschilderd. Weet ik veel. Dat is iets om aan een echte kunstenaar te vragen. Koen Fillet, om nu maar een willekeurige andere schilder te noemen met vlees in zijn familienaam.

Eerlijk? Dit atelier is niet honderd procent echt. Want Francis Bacon is dus al dood, en zijn schildersatelier is na zijn overlijden overgebracht van Londen naar zijn geboortestad Dublin, waar ik nu sta. Het is wonderlijk, een exacte kopie van het origineel. Ze hebben elk object van zijn studio gefotografeerd, beschreven, online gearchiveerd, alles naar Dublin verhuisd en daar weer op exact dezelfde hoop gesmeten die Francis bij zijn dood achterliet.

En hier ligt het allemaal, in City Gallery The Hugh Lane in Dublin. Gratis toegang. Ook te zien: het werk waaraan hij nog bezig was toen hij stierf.

Francis Bacon hield voor de rest van orde: hij heeft proper elk decennium van zijn leven één boyfriend versleten, woonde boven een garage in Londen: een slaapkamer, mini-keukentje met badkamer en dit atelier, en ging elke avond trouw op de boemel. In een documentaire over zijn leven zie je hem al eens in verregaand beschonken toestand allerlei fascinerends oreren tegen de reporter. Tegenwoordig gaat een schilderijtje van hem voor niet minder dan 30 miljoen euro over de toonbank, en dan verdwijnt al snel elke kritiek op het glas teveel. En op de stofvod te weinig.

Hier sta ik nu, dankzij de goedkope mensen van Ryanair helemaal vanuit Brussel naar hier gevlogen om naar Bacon zijn rommel te kijken. Zot van bewondering voor de grootste schilder van de vorige eeuw.

Onvermijdelijke eerste gedachte: had Francis Bacon geweten dat ze na zijn dood alles met een heel archeologisch team zouden komen plat-analyseren, hij had misschien een beetje opgeruimd.

HipstamaticPhoto-550238950.083687.JPG

Dublin City Gallery The Hugh Lane

Iglo

Ik stond te kijken naar een iglo.

Het was geen echte iglo, want ik was in Gent. Daar zijn geen echte iglo’s.

De iglo leek gemaakt van metaaldraad en er stonden Engelse woorden in neonletters op. Van eskimo’s geen spoor.

Ik bevond mij in een museum vlak om de hoek waar ik woon, aan de Coupure in Gent. Er is een drankencentrale die De Hopduvel heet en strategisch ernaast: een fitnesscentrum. Briljant. Maar dat museum? Nooit gezien. Urenlang heb ik gezweet, gefietst, getrappeld, gewichten omhoog gedrukt en vruchteloos spieren getraind op de meest onwaarschijnlijke fitnesstoestellen, mij niet bewust van het feit dat ik nauwelijks een paar meter verder evengoed naar een iglo met neonletters had kunnen staan kijken.

Toen we binnenkwamen in het museum, werden we meteen begroet door een meisje met een paniekerige blik in haar ogen.

“Ik heb zeer slecht nieuws” sprak ze.

Vragend keken wij terug.

“Het is alleen plus 14 jaar” zei ze met een trek van spijt om haar mond en een onzekere blik naar onze twee kinderen. “Ik kan er niks aan doen.” Het was niet persoonlijk bedoeld.

Ons dochtertje Roos stond nog na te hijgen van een rit met haar roze kinderfiets waarbij ze net een cocker spaniël in de prak had gereden en Bo was in slaap aan het vallen in de draagzak, hevig zuigend op zijn tutje. Volhouden dat onze kroost de 14 al gepasseerd was, leek niet het beste idee aller tijden.

“Rot op met uw museum”, wilde ik zeggen, “niet persoonlijk bedoeld”. Maar dat zei ik niet. Want ik ben vriendelijk en beleefd en niet overgeïrriteerd door elke dag de ochtendshow op de radio te presenteren.

Het museum is enkel de eerste zondag van de maand drie uur open, dus flexibiliteit was niet aan de orde. We besloten dat ik op mijn eentje de tentoonstelling zou bekijken en achteraf verslag zou uitbrengen. Marie zou met de kindjes onschuldige kippen gaan folteren in het parkje vlakbij.

Ik kocht een ticket. 14 knotsen.

En daar stond ik nu. Te staren naar een iglo van ijzerdraad.

Er was niet alleen een iglo; wat verder hing een muur vol afgescheurde stukken zwart papier die iemand ingekaderd had. Een ander kunstwerk bestond uit een reeks foto’s aan de wand in de vorm van een juichend mannetje, en op de grond stond een cirkel getekend in krijt.

Volgens de folder die ik had gekregen van het meisje stelden de kunstwerken de relatie van de kunstenaar met het kunstwerk in vraag. Na uitgebreide studie bekroop mij het bange vermoeden dat de inhoud van het museum grotendeels over de inhoud van het museum zelf ging. Maar daar was ik niet helemaal zeker van.

Voor de rest was het plezierig. En interessant. Een aanrader. Dat meen ik.

De Herbert Foundation. Zo heet het museum. Was ik vergeten te zeggen.

Volgende maand mag Marie komen kijken. Ik kan de iglo alvast warm aanbevelen.

HipstamaticPhoto-547579506.119009.jpg