gelezen: Roger van de Velde: Tabula rasa

Schrijver en journalist Roger van de Velde werd geboren in 1925 in Boom. Zijn levensverhaal is een opeenvolging van opnames in gevangenissen en psychiatrische instellingen, een gevolg van zijn verslaving aan de pijnstiller Palfium. Hij stierf in 1970. De roman Tabula rasa (ondertitel Een farce) verscheen posthuum.

Tabula rasa is het verhaal van een jonge kapper die zijn eerste stapjes zet in het literaire wereldje. Via een kennis wordt hij lid van een avant-gardetijdschrift. Het boek leest heerlijk. Roger van de Velde schrijft zuiver, intelligent en vol onderhuidse humor.

Jeroen Brouwers over Roger van de Velde in zijn boek Vlaamse leeuwen:

Het Vrije Woord in Vlaanderen! En Roger van de Velde zat in de gevangenis omdat hij doktersrecepten had vervalst, – het gebruik van een schrijfmachine in zijn cel werd hem lange tijd niet toegestaan en zijn verhalen moesten door zijn vrouw in haar onderbroek de gevangenis worden uit gesmokkeld.” (p.163)

Schrijfster Ellen Van Pelt werkt aan een biografie van Roger van de Velde, die in 2020 moet verschijnen. Roger van de Velde werd mij aangeraden door Marc Buelens.

HipstamaticPhoto-581002555.605483.jpg

de officiële website van Roger van de Velde

gelezen: Louis Paul Boon: Mijn kleine oorlog

Gelezen: Mijn kleine oorlog van de Aalsterse schrijver Louis Paul Boon. Ik heb het boek verslonden in mijn studententijd, en nu herlezen omdat er een prachtige nieuwe uitgave is verschenen. Boon stierf in mei 1979, precies 40 jaar geleden.

gij (…), die geteisterd werd in uw have en goed, zoals ze dat noemen, maar die nog veel meer geteisterd werd in uw ziel, zijnde geëvacueerd geweest als een stuk vee en gedeporteerd als een misdadiger, gebombardeerd en gemitrailleerd en gefusilleerd en mee-geamuseerd als een leeg blik waarop de kinderen schoppen…” (p. 17)

Heb je de film Saving Private Ryan van Steven Spielberg gezien? Een film die elk frutseltje heldhaftigheid dat nog aan het begrip oorlog vasthing, voorgoed wegblies. Het enige wat overblijft is dood, honger en doffe ellende. Mijn kleine oorlog doet iets gelijkaardigs, maar dan met minder bombast, minder special effects en minder Hollywoodsterren.

Mijn kleine oorlog gaat over de tweede wereldoorlog, maar dan op zijn Louis Paul Boons. Hij verzint geen grote verhalen van moed, eer en vaderlandsliefde; hij vertelt de kleine, dagelijkse gebeurtenissen van mensen op straat tijdens de bezetting. Het boek gaat over de schaamte van de soldaat die tijdens de hele oorlog maar één keer iets heeft moeten doen en dat is vluchten, over de kleine man of vrouw uit de buurt, over roddels, gefluister en geruchten, over de dagelijkse honger, armoede en miserie van de oorlog.

En ge moet de kinderen uit de blokken werkmanshuizen zien lopen, met tussen hun magere benen en billetjes dikgezwollen knieën. En ze hebben de zenuwen, kinderen van twaalf en dertien jaar, ze hebben tering of ze zien niet goed meer of hebben krampen aan de maag, zodat ze zich liggen te wentelen van de pijn. En ge kunt geen huis binnengaan of men pist er in bed.” (p. 59)

Louis Paul Boon vertelt het ontroerende verhaal van het Joodse meisje Lea Lûbka dat sterft na haar bevrijding uit het concentratiekamp van Mauthausen. Hij vertelt over de terrorist bij hem thuis op bezoek die van het verzet blijkt te zijn, hij vertelt over zielige helden en kleine bedriegers, en altijd in zijn prachtige Vlaamse taal.

En niemand die binst de oorlog wist wat de Weerstand nu eigenlijk voor iets was, en vier dagen na de bevrijding iedereen die u zegt: ik was ook bij de Weerstand. En nu zeggen ze reeds: ik ben blij nooit in die Weerstand te zijn geweest, want het waren maar een hoop smerige communisten.” (p. 99)

Mijn kleine oorlog is schitterend in zijn Boonse eenvoud. Veel leesbaarder ook dan zijn meesterwerk De Kapellekensbaan. Een absolute aanrader. Een boek dat in een klimaat van extreme verrechtsing en oorlogstaal een nieuwe uitgave verdiende, en nu ook gekregen heeft. Met een voorwoord van Rudi Vranckx.

HipstamaticPhoto-579706775.128550.jpg

Christophe Lambrecht

Prince zingt Take Me With U, het is maandag 6 mei en ik rijd naar huis na mijn radioprogramma. Een moeizame, zinloze ochtendshow waarin alles scheef zat en elke lach groen was. Een ochtendshow op een ander radiostation, waarin de dood van Christophe Lambrecht toch voelbaar was in alles. Gisteren vernomen dat hij compleet onverwacht gestorven is; hij was maar twee jaar ouder dan ik. We hebben jaren samen doorgebracht in een mini-bureautje op de VRT, tijdens onze beginjaren bij Studio Brussel. Chris Dusauchoit was er ook, Peter Verhulst, Lieven Van Gils en een witte engel genaamd Roos Van Acker.

Lou Reed: Walk on the Wild Side. Ik zag Christophe laatst nog op het afscheid van Luc Janssen tijdens een uitzending van Radio 1 in de AB Club in Brussel. We mochten er allebei ons zegje doen over het legendarisch gehalte van het feestvarken. Geen mens kon toen vermoeden dat Christophe Lambrecht de man in de zaal was met nog het minste aantal levensdagen op de teller. We zaten naast elkaar en praatten een beetje over muziek, over Luc Janssen en over de vernieuwingen bij Studio Brussel; hij zei dat het goed ging.

Ik rijd over de E40 en de radio staat veel te hard, de hele tijd al, als om mijn oren dicht te proppen tegen ongewenste gedachten. Mykonos van Fleet Foxes. Gisteravond en vanochtend zijn een waas, met huilende mensen aan de lijn die onverstaanbare dingen zeiden, met tweets en lieve berichtjes van collega’s die ik soms al vijftien jaar niet meer gehoord had. Medeleven en sterkte. Safe From Harm. Ik heb de ochtendshow op Qmusic die ik zelf mee gepresenteerd heb vanmorgen, maar half gehoord.

Studio Brussel is sinds gisteravond overgeschakeld op non-stop muziek en draait nu de hele tijd Christophes favoriete platen, net nu hij ze zelf niet meer kan horen. Sugarman, Underworld, Jungle, Nick Cave met Red Right Hand. Overal stemmen die hetzelfde zeggen: hij was de zachtste, de liefste en de beste. Hij was een radiomonument. De mooiste stem van Vlaanderen. 

Waarom kan het pas als iemand dood is? Die golven van liefde die over je heen komen, al die mensen die zeggen dat ze van je houden. Hij had hierbij moeten zijn; hij had dit moeten horen. Maar het is deel van het spel zeker, het is deel van het leven dat het pas mag als iemand er niet meer is. Fugitive Motel van Elbow.

Christophe Lambrecht stond voor: rust op de radio, rust en klasse. Hij presenteerde de voormiddag van 9 tot 12, het programma dat na de drukke ochtendshow komt. In de voormiddag moet je zwijgen en muziek draaien, zodat je luisteraars rustig kunnen werken en de radio niet afzetten omdat er teveel geluld wordt. Christophe was een absolute meester in de zwaar onderschatte kunst om met een paar woorden iets zinnigs te zeggen tussen twee platen op de radio. Je moet het eens proberen. Het lukt je niet.

Ik zit alleen in de auto en ik luister naar de favoriete liedjes van Christophe Lambrecht op Studio Brussel. Na Nightcall van Kavinsky zegt iemand het telefoonnummer dat je kan bellen om een rouwbericht in te spreken, en het snoert mij de keel dicht. Christophe Lambrecht was 48 jaar. Gestorven aan een hartfalen. De enige mogelijke boodschap is: koester je liefdes en je vriendschappen, want het kan elk moment afgelopen zijn. Rust zacht, lieve man.

Christophe Lambrecht.jpg

gelezen: Austin Kleon: Keep Going

Er is een nieuw boekje in de inspirerende reeks van de Amerikaanse tekenaar en schrijver Austin Kleon. Na Steal like an artist en Show your work! is er nu Keep Going, over tien manieren om creatief te blijven in goede tijden en slechte.

Een boek vol tips die je creativiteit ten goede komen, zoals: blijf spelen, leer neen zeggen, zorg voor een plaats waar je kan werken, negeer soms het aantal clicks, maak lange wandelingen, breng een vaste routine tot stand:

When you don’t have time, a routine helps you make the little time you have count. When you have all the time in the world, a routine helps you make sure you don’t waste it. I’ve written while holding a day job, written full-time from home, and written while caring for small children. The secret to writing under all those conditions was having a schedule and sticking to it.” (p. 15)

Om te lezen en af en toe te herlezen.

HipstamaticPhoto-577543702.114020.jpg

de blog van Austin Kleon

gelezen: Boudens: Het Lijden Van De Jonge Werner

Werner De Jonge vindt zichzelf een Auteur, een Veelbelovend Schrijver van Teksten. Hij doolt rond in Brussel, van zijn Schrijverscel naar terrassen waar hij talloze vazen Duvelbier, troggen spaghetti en koffies met rum nuttigt. Intussen ontmoet hij zijn muze, maakt hij boodschappenlijstjes en koopt hij schrijfgerief en etsen van ene Jean-Jacques in café Grain d’Orge. Eén ding doet hij niet: schrijven.

Onlangs gekocht in de uitverkoop van de KANTL – de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde – en nu gelezen: Het Lijden Van De Jonge Werner, een roman uit 1990 geschreven door Boudens, die toen vaak werd genoemd als aanstormend talent samen met Tom Lanoye en Herman Brusselmans.

Het is een grappig boek, een literatuurparodie over iemand die zich schrijver noemt maar nooit schrijft; over iemand die de rest van de wereld waardeloze prutsers vindt maar er niet in slaagt zelf iets voor elkaar te krijgen. Geschreven in de archaïsche taal die Brusselmans ook graag gebruikt (en Reve). Eerder genoten van zijn Op eenzame hoogte uit 2014.

HipstamaticPhoto-577359673.231556.jpg

gelezen: Niccolò Ammaniti: Kieuwen

Iedereen zegt al jaren dat ik de Italiaan Niccolò Ammaniti moet lezen. Bij deze mijn ontmaagding. Ik heb Kieuwen uit mijn lief haar boekenkast geplukt.

Kieuwen vertelt het knotsgekke verhaal van een vissenspecialist die naar India moet om een aquarium te bouwen. Daar komt hij terecht bij een misdadige plastische chirurg, de verschrikkelijke Subotnik, een soort Frankenstein-figuur die in een kasteel woont. De hoofdpersoon wordt lid van een avant-gardistische groep die muziek maakt in riolen. Ze ontmoeten ook de Groep Reiniging Verstopte Riolen onder leiding van ene Cubbeddu. 

Het hele boek lijkt wel geschreven door een 13-jarige met een fascinatie voor tieten, stront en afgehakte lichaamsdelen. Te gek voor woorden. Maar vaak hilarisch grappig en gedurfd.

Om een idee te geven, in dit stukje maken ze zich samen klaar om de verschrikkelijke Subotnik aan te vallen:

Morgennacht gaan we aanvallen. (…) We hebben een tijdbom gekocht van Afghaanse rovers, in twaalf afbetalingstermijnen. (…) 

‘Het zal niet gemakkelijk zijn de verschrikkelijke chirurg en zijn bende te verslaan. Als we alles eindelijk op orde hebben, kunnen we onze eerste cd maken. Ik vind de titel Het kabinet van de verschrikkelijke Subotnik wel erg goed. Wat vinden jullie daarvan?’ vraagt Osvald.

‘Niet slecht. We zouden ook een paar nummers kunnen opnemen met als special guest de Groep Reiniging Verstopte Riolen met hun launeddas. Cubbeddu, ben jij geïnteresseerd in zo’n project?’ vraagt Livia terwijl ze een stuk polenta roostert.” (p. 168)

HipstamaticPhoto-576860982.020008.jpg

Cinema Central

“Mag ik terug starten?” roept iemand luidkeels de zaal in.

Ik zit in Cinema Central in het Oost-Vlaamse Ninove. Zes minuten geleden is de pauze begonnen, halverwege een conversatie tussen Stan en Ollie, de Dikke en de Dunne. Stan en Ollie zaten aan tafel samen met hun vrouwen, er ontwikkelde zich een belangrijk gesprek over hun toekomstige carrière als komisch duo, Stan wilde iets zeggen en toen was het afgelopen. Midden in een zin.

Pauze. Hét moment waarop de helft van de filmzaal normaal naar buiten stormt om pipi te doen, de benen los te gooien, een nieuwe voorraad cola of popcorn in te slaan of de hond uit te laten. Hier niet. Iedereen blijft zitten. Iedereen, dat wil zeggen, de voltallige drie bezoekers.

Ik zit alleen in de zaal samen met een ouder koppel van wie ik enkel weet dat de vrouw een lichte fobie voor 3D-films heeft. Bij mijn aankomst was ze in een lange discussie verwikkeld met de uitbater van de filmzaal. Of ze liever wél of liever niét films in 3D bekijkt. Meer bepaald of ze de film Dumbo wil zien als die in 3D wordt vertoond maar dat ze eigenlijk liever geen 3D wil zien maar dat ze toch graag Dumbo wil zien ook al is het in 3D. De discussie gebeurde half in het Ninoofs en had niet echt een richting noch een ontknoping. Ze bestond vooral uit losse beweringen van de vrouw tegen de uitbater. Hij zat intussen in een piepklein hokje de ticketverkoop te verzorgen.

Zo gaat het in een kleine dorpscinema. Geen overbodig personeel dat in de weg loopt terwijl je alles gewoon alleen kan doen. Geen 7 soorten popcorn, geen 5 euro voor 100 gram snoep die overduidelijk maar 6 cent per kilo kost. Geen 2 euro om naar het toilet te gaan. Geen gsm’ende teenagers in de zaal die voedsel en schrijfgerief naar elkaar gooien. Geen cosy seats waarin je gemakkelijker kan foefelen met je lief voor de bescheiden meerprijs van 3,5 euro per ticket. Geen 26 zalen met 83 verschillende films in 13 verschillende digitale formaten. Gewoon Stan & Ollie beneden in zaal 1. Dumbo boven in zaal 2. Weliswaar in 3D.

Cinema Central in Ninove bestaat dit jaar 100 jaar. In de inkomhal is een groot bord geïnstalleerd vol krantenknipsels over de feestelijke verjaardag. Er hangt een affiche van de film F.C. De Kampioenen Forever, wellicht één van de grote kaskrakers van de afgelopen 100 jaar. En buiten staat op een gigantisch doek te lezen: 100 jaar Cinema Central. Cinema als nooit voorheen. Met daaronder in dreigende letters: 3D. Wellicht om oudere mevrouwen af te schrikken.

Zaal 1 ziet er oud en donker uit en ruikt wat muffig, maar dat kan de pret nauwelijks drukken. Eerst was er een trailer van Dumbo waarin ze de hele tijd Dombo zeiden en daarna begon Stan & Ollie, een film over de Britse afscheidstournee van Stan Laurel en Oliver Hardy waarvan ze toen zelf nog niet wisten dat het hun afscheidstournee zou zijn. Het leven is geen vrolijke draaimolen op de kermis. Toen was er pauze.

En nu roept iemand: “Mag ik terug starten?” Er is even verbijstering in de zaal bij de drie toeschouwers – wij dachten dat de film na de pauze automatisch opnieuw zou beginnen – maar dat is buiten de flexibiliteit van het personeel van Cinema Central gerekend. De man voor mij roept: “jot!” en de avonturen van Stan en Ollie gaan voort; we zitten weer aan tafel bij de Dikke en de Dunne en hun vrouwen. We zitten weer in een sjiek hotel in Engeland, niet in de Lavendelstraat 25 in Ninove.

Er zijn niet zoveel dorpscinema’s meer over. Ik heb de afgelopen tijd Cinema Rio in De Haan bezocht, Cinema De Keizer in Lichtervelde, Cinema Albert in Dendermonde, Cine Star in Waregem, Beverly Screens in Knokke-Heist, en de intussen al gesloten Cinema Actor’s Studio in Brussel (ok, Brussel is niet echt wat je een dorp noemt, maar de sfeer van de cinema was zeer gelijkend).

Na de aftiteling, bij het naar buiten stappen, hoor ik de oudere vrouw iets mompelen tegen haar man. Het gaat over 3D-films. Voor Dumbo kwam er vanavond in Ninove niemand opdagen. Morgen misschien. Gelukkige verjaardag Cinema Central.

HipstamaticPhoto-576799120.045628.jpg

de website van Cinema Central

gelezen: Michel Houellebecq: Serotonine

Uit! Serotonine, de geweldige nieuwe roman van de Franse schrijver Michel Houellebecq. Aanrader, maar niet geschikt voor gevoelige lezers.

Florent-Claude Labrouste is een loser. Dat vindt hij van zichzelf. Zijn job (hij werkt voor het Franse ministerie van landbouw) is een mislukking, hij leeft in zijn appartementje op antidepressiva en vertelt in Serotonine hoe het zover is gekomen. Mislukte relaties met vrouwen lopen als een rode draad door zijn leven. Dit is een fragment over de Deense Kate:

We hadden de wereld kunnen redden, en we hadden de wereld in een oogwenk kunnen redden, in einem Augenblick, maar we hebben het niet gedaan, nou ja ik heb het niet gedaan, en de liefde heeft niet gezegevierd, ik heb de liefde verraden en vaak als ik niet in slaap kan komen dat wil zeggen bijna elke nacht hoor ik in mijn arme hoofd weer het bericht op haar antwoordapparaat, ‘Hello this is Kate leave me a message’, en haar stem was zo fris, het leek alsof je aan het eind van een stoffige zomermiddag onder een waterval dook, je voelde je meteen schoongewassen van elke bezoedeling, elke eenzaamheid en elk kwaad.” (p. 85)

Florent-Claude Labrouste is ook geobsedeerd door seks. Hij omschrijft elke relatie, elke ontmoeting met een vrouw in seksuele termen en seks is hetzelfde als pornografie.

Houellebecq stelt de depressie en complete apathie van zijn hoofdpersonage ironisch voor als een soort boeddhistische staat van belangeloos-zijn, de ultieme aanvaarding van alles zoals het is, de omkering van mindfulness. Hij kan het leven niet meer aan; hij is klaar om het op te geven.

God had me volgens mij een eenvoudige, oneindig eenvoudige natuur gegeven, het was eerder de wereld om me heen die complex was geworden, en nu had ik een toestand bereikt waarin de wereld té complex werd, ik kon de complexiteit van de wereld waarin ik geworpen was gewoon niet meer aan…” (p.251, 252)

Zo beschrijft Michel Houellebecq het leven in de 21ste eeuw in Frankrijk. Het beeld is afschuwelijk: een dodelijk vermoeid individu, mislukt in de liefde, hopeloos in het leven. De mens is alleen en verloren in een samenleving die vooral gerund wordt om bedrijven winst te laten maken. Serotonine is een cultuurkritiek, en tegelijk een genadeloze afrekening met de gevolgen van onze economie.

En zo is Houellebecq zoals steeds ook weer erg politiek: door de keuze voor een vrije markt in een verenigd Europa is er voor de Franse landbouwers geen alternatief: de keuzes zijn gemaakt, de ondergang is onontkoombaar. Een gewelddadige scène van boerenprotest naar het einde van het boek toe wordt gezien als een voorspelling van het protest van de gele hesjes.

Michel Houellebecq beschrijft adequaat en als het ware zonder enige vooringenomenheid wat hij rondom zich ziet. Hij vertelt over de meest bizarre menselijke gedragingen alsof ze doodnormaal zijn en houdt ons op die manier een spiegel voor. Hij is hilarisch en snoeihard, gek en geniaal.

Zo is Serotonine weer een magistrale parodie op onze samenleving vol individualisme en angst, geschreven door de strafste en wellicht meest relevante auteur van onze tijd.

HipstamaticPhoto-576260198.534847.jpg

gelezen: Nick Hornby: High Fidelity

Herlezen: High Fidelity, het heerlijke romandebuut van Nick Hornby uit 1995. Het hoofdpersonage is Rob Fleming, 35 jaar en eigenaar van een slecht lopende platenzaak in Londen. Niet alleen zijn zaak, maar ook zijn relatie met Laura staat op het punt om op de klippen te lopen. Rob vertelt over zijn zoektocht naar de liefde, over Dick en Barry zijn twee muzieknerds van collega’s, en over zijn obsessie voor lijstjes: het boek begint met de top 5 van meisjes met wie het op de meest gedenkwaardige manier is uitgegaan.

High Fidelity blijft een supervlot geschreven boek vol humor. Het werd in het jaar 2000 verfilmd door Stephen Frears met John Cusack in de hoofdrol. (Ongeveer àlle boeken van Nick Hornby worden verfilmd. Als Nick Hornby op een luchtige donderdagochtend een drol in de vorm van een spiraal in zijn toiletpot deponeerde, ze zouden er nòg een film van maken. Soit.) Geen idee of de film beter is. Het boek blijft alleszins een aanrader. Heerlijk lekker en luchtig.

HipstamaticPhoto-575124533.012538.jpg

de website van Nick Hornby

gelezen: Yu Hua: Flesjes knallen

Hier zit ik nu, met een complete overdosis Chinese namen achter de kiezen. Gelezen: de verhalenbundel Flesjes knallen van de Chinese schrijver Yu Hua. Geïnspireerd door Kafka en naar eigen zeggen door het geweld van de Chinese Culturele Revolutie, blijft er toch steeds iets ongrijpbaars in de verhalen van Yu Hua. Alsof je altijd iets gemist hebt. Voor liefhebbers van wat uit China komt.

HipstamaticPhoto-574961729.431617.jpg

gelezen: Ilja Leonard Pfeijffer: Grand Hotel Europa

Magistrale roman gelezen: Grand Hotel Europa, waarin de Nederlandse schrijver Ilja Leonard Pfeijffer vertelt over Europa, over massatoerisme én over zijn geliefde Clio, die hij in Genua leert kennen en met wie hij in Venetië gaat wonen.

Pfeijffer schrijft over Europa als over een continent dat niets meer te bieden heeft behalve haar verleden. De toekomst maken ze in de rest van de wereld. Europa wordt een reusachtig recreatiepark: vol oude kunst, historische attracties en met een uitstekende horeca. De wereld komt naar Europa op vakantie en om te kijken hoe de mensen vroeger leefden. Wie komt voor het verleden is welkom, wie komt voor de toekomst (zoals vluchtelingen) moet buiten gehouden worden.

Het Grand Hotel Europa waar Pfeijffer verblijft om zijn verhaal op te schrijven, symboliseert dat oude Europa: een labyrinth met een paar stokoude bewoners, een huis vol tradities die bijna niemand nog kent, dat langzaam overgenomen wordt door een Chinese eigenaar die allerlei ingrepen doet om het hotel ‘Europeser’ te doen lijken en zo meer Chinese toeristen te lokken.

Tegelijk staat het massatoerisme centraal: het boek is een parodie op toerisme in tijden van selfies op sociale media, het gaat over het gedrag van toeristen en over de bedreiging die het massatoerisme betekent:

De barbaarse invasie van Europa (…) die wordt gezien als een verdienmodel en die actief wordt gestimuleerd, terwijl zij in feite een bedreiging is, vormt een interessante parallel met de vermeende Afrikaanse invasie van Europa, die als een bedreiging wordt gepresenteerd, terwijl zij toekomstperspectief zou kunnen bieden.” (p. 231)

En zoals elk boek van Ilja Leonard Pfeijffer, gaat Grand Hotel Europa ook over literatuur zelf, met een Pfeijffer in topvorm die zijn eigen schrijven parodieert en zoals steeds dolt met taalregisters. Inclusief obligate seksscènes én zowaar een stukje Dan Brown in de zoektocht naar een verloren schilderij van Caravaggio.

Dit schrijft hij na een bezoek aan de tentoonsteling Treasures from the Wreck of the Unbelievable van Damien Hirst in Venetie:

Zo moet ik schrijven, dacht ik, in de geest van dit machtsvertoon, deze gulheid en dit plezier in het avontuur. Ik moet de klassieke vormen en zucht naar monumentale perfectie niet mijden uit angst om niet modern te lijken, maar de moed hebben om de tijd waarin ik leef te vatten in marmeren zinnen, bronzen woorden en beelden van goud, zilver en jade, en met de beste middelen en materialen uit het verleden een gedenkteken op te richten voor het nu. Groots moet het zijn, en overdadig, een overweldigende orgie van fantasie met de technische perfectie van de commercieelste kitsch. Ik moet verbluffen. Dat is mijn taak.” (p. 493)

En dat doet hij voortreffelijk. Heel Grand Hotel Europa lang. Na La Superba en Brieven uit Genua alweer een schitterend meesterstuk.

HipstamaticPhoto-573840713.470486.JPG

de website van Ilja Leonard Pfeijffer

De duivel in het doosje. Afscheid van Luc Janssen

Zijn haar was kort en grijs. Hij droeg bottinen, een legerbroek en een jas. De dresscode van Leopoldsburg en omstreken. In zijn armen torste hij kilo’s cd’s en vinyl. Radiolegende Luc Janssen stapte voorbij onderweg naar de studio. Ik was een groentje op Studio Brussel. Ik durfde hem niet aan te spreken. Ik zat stil en keek.

Ik wist toen één ding over Luc Janssen: dat hij honderd procent zijn zin deed. De kerel voor wie Van Dale het woord eigenzinnig had uitgevonden. De enige man die heel zijn radiocarrière lang, overal waar hij werkte, altijd de muziek draaide die nét niet op het station paste, altijd net te lastig, altijd net over het randje.

Zijn programma toen heette Krapuul De Lux. Het was ergens ’s avonds te horen. Dat was zijn uur, het uur waarop Luc Janssen ontwaakte. Hij werd altijd laat op de avond geprogrammeerd: de bevolking moest beschermd worden. Ik wilde later als ik groot was ook een radioprogramma presenteren met krapuul in de titel.

Geen enkele presentatie van Luc Janssen was gewoon. Hij declameerde bedachte, uitgeschreven teksten, vaak over muziek, soms over actualiteit, vuilbekkend, vol beledigingen aan het adres van BV’s of zelfs collega’s. In het half-Hollands. Ik denk dat veel mensen Luc Janssen niét sympathiek vonden.

Hij is ooit écht in Nederland terechtgekomen. In 1982 werd Luc Janssen ontslagen bij Omroep Brabant op de toenmalige BRT omwille van een scheet op de radio. Zijn rubriek heette De scheet van de week (luister hier) en toen de directie er lucht van kreeg, mocht hij opstappen. Na een ballingschap bij onze noorderburen kwam hij terug en blies vanaf toen systematisch elke afdeling van de openbare omroep aan flarden.

In Retro, zijn laatste programma op Radio 1, vertolkte hij een Guy De Pré op XTC, gebruikte hij gangsta rap in de intro en draaide hij twee weken geleden nog No Limit van 2 Unlimited met “Wat is dit voor shit?” van Hans Teeuwen er ononderbroken doorheen gemonteerd. Bijzonder, voor een ambtenaar op een zucht van zijn pensioen.

Luc Janssen huldigde zijn hele carrière één van de grote principes van live radio: dat er liefst iets moet gebeuren. Ja, het omgekeerde van veel radioprogramma’s die genadeloos zorgen voor de doodsteek van het medium en de massale vlucht naar Spotify: er gebeurt gegarandeerd niks. Als in: nooit iets. Bij Luc Janssen was en is élke presentatie een snoepje, of beter gezegd: een lekkernij die na drie seconden zuur in je mond ontploft.

Luc Janssen heeft de allerbeste radio-uitzending gemaakt die ik ooit gehoord heb. Het moet in een weekend geweest zijn, vrijdag- of zaterdagavond. Zijn programma heette Mish Mash, het was op Studio Brussel, hij was toen al ver in de 50 maar er viel geen zuchtje bezadigdheid te bespeuren in zijn hele lijf.

In Mish Mash waren alle nummers aan elkaar gemixt; de presentator riep erdoorheen als een MC. Elke aflevering was heftig, maar deze was compleet over the top. Het leek alsof Luc Janssen alles tot zich genomen had wat de heer verboden heeft. Of hij deed toch verdomd goed alsof.

Die avond presenteerde hij het meest vunzige, genadeloze programma ooit. En tegelijk het meest fantastisch gemaakte. Het was één verbluffende mix, hij sleurde je van de ene plaat naadloos naar de intro van de volgende, met beats en drops en een fenomenaal gevoel voor ritme, om stikjaloers op te zijn.

En het was vuil meneer, echt vuil. Luc Janssen-stijl. Fuck, dat programma was vuil. Siska Schoeters speelde er een rol in; ik zal niet herhalen wat Janssen toen over haar zei, maar het was – letterlijk – ongehoord. Ik zat stomverbaasd te luisteren in de auto.

Alles kwam samen. Het was live radio van dàt moment, met die man, Luc Janssen, die compleet gestoord was en wiens persoonlijkheid en meer dan 30 jaar radio-ervaring en muziekbeleving samenvloeide in een show om nooit te vergeten. Herbeluisteren werkt niet, het was radio zoals enkel radio kan zijn: live, de presentator en ik, wij samen, een rollercoaster, in een flits voorbij.

Mish Mash werd uitgezonden bijna twee decennia na mijn eerste ontmoeting met hem. In de tussentijd zou Luc Janssen mij aanspreken en bijzonder vriendelijk blijken te zijn, zachtaardig zelfs, een lieve man. Met een zoon die zijn zachtheid, zijn liefde voor het vak en zijn uitmuntende muzieksmaak heeft geërfd.

Maar dat wist ik toen nog niet. Toen zat ik stil op de redactie van Studio Brussel en ik keek. Ik keek naar de grijze radiogod met zijn jas en zijn bottinen en ik zag het blinken in zijn ogen toen hij passeerde: zometeen zou de duivel weer uit het doosje komen. 

Danku Luc Janssen.

luc_janssen.jpg

foto: Radio 1

Lees ook: Dag Hautekiet, bij het afscheid van Jan Hautekiet.

gelezen: Marc Buelens: Slimme non-fictie schrijven

Omdat ik niks anders te doen had, heb ik vandaag de hele dag doorgebracht met het lezen van een non-fictieboek over het schrijven van non-fictieboeken. Enig gevoel voor metaniveaus is mij niet vreemd. De auteur ook niet.

Marc Buelens is professor management. Na veel boeken over zijn vakgebied, de bestseller Zelfzorg, een thriller (Het Brussel syndroom) en een boekje over zijn vader, komt hij nu met Slimme non-fictie schrijven. Van droom tot boekEen boek waarin hij het schrijven van non-fictie theoretiseert, met verhalen, tips en voorbeelden.

Centraal staat een driehoek, met de begrippen inhoud, lezer en auteur elk in een hoek. De stelling van Buelens is dat slimme non-fictie moet proberen te evolueren vanuit een pure focus op inhoud (een doctoraatsthesis, een woordenboek) naar meer aandacht voor lezer en auteur zelf.

Nummer 1-boodschap van het boek: schrijf helder. Met als topvoorbeeld het verbluffende Sapiens van Yuval Noah Harari. Maar in het boek staan nog veel voorbeelden van uitstekende en inspirerende non-fictieboeken. Marc Buelens heeft duidelijk zijn huiswerk gedaan. Zelf schrijft hij bovendien met humor en veel zelfrelativering.

Ik heb het boek op één dag uitgelezen. Iets wat mij maar uiterst zelden overkomt. En nu heb ik zin om een non-fictieboek te schrijven. Ik wilde geen non-fictieboek schrijven maar nu wel.

HipstamaticPhoto-572647229.360269.jpg

de website van Marc Buelens