gelezen: Peter Terrin: Al het blauw

Ik heb de nieuwe roman van de Vlaamse auteur Peter Terrin gelezen. Al het blauw is het verhaal van de 19-jarige Simon, die stopt met studeren en een geheime relatie met Carla begint. Carla is dubbel zo oud en de uitbaatster van Azzurra, de kantine van het plaatselijke zwembad. Ze is getrouwd met vrachtwagenchauffeur John, die haar slaat.

Al het blauw is een verstilde tekening van een subtiel web van menselijke relaties. Het gaat over liefde en vriendschap, over onuitgesproken wensen en verlangens, over wat mensen weten van elkaar en wat niet. Geen enkel personage is een open boek. Het spreken is altijd verwrongen. Het is helemaal Vlaanderen: de ongemakkelijkheid van de communicatie drukt op elke bladzijde.

Bovendien is er veel stilte in het boek, stilte die steeds onderbroken wordt door rimpelingen: het water van het zwembad dat verlaten is als Simon en Carla elkaar ontmoeten, de stilte in het landschap, en John die met de toeter van zijn vrachtwagen een rimpeling veroorzaakt. Stilte in stroeve gesprekken. En Simon, die zwijgzaam is. Er wordt veel gezwegen in dit boek.

Het centrale beeld van Al het blauw is het water van het zwembad, dat door het vensterglas voor een mysterieuze blauwe schijn in de kantine zorgt. Het zwembad is een plaats van plezier, van spelende kinderen en primaire verlangens, de kantine is een plaats van geheimen, een plaats waar mensen elkaar in de gaten houden om verborgen boodschappen te vinden.

Peter Terrin beschrijft dit alles heel voorzichtig, alsof het evengoed niet waar kan zijn. Zijn personages zijn magistraal in hun verkrampte ongemakkelijkheid. Vooral Simon is zo waarachtig dat je het gevoel hebt dat de schrijver zichzelf beschreven heeft. Al het blauw is een bijzonder boek. Aanrader.

“De hele dag is een feestelijk verpakte belediging.” (p. 248)

gelezen: Ilja Leonard Pfeijffer: Quarantaine. Dagboek in tijden van besmetting

Quarantaine is een verzameling dagboekfragmenten, geschreven als columns voor de kranten De Standaard en NRC Handelsblad. Ilja Leonard Pfeijffer woont en werkt in het Italiaanse Genua. Hij begon aan het dagboek twee dagen vòòr de lockdown in maart 2020; het boek eindigt in juni, 40 dagen na de quarantaine. In het epicentrum van de pandemie beschrijft hij het leven met zijn vrouw Stella, de beslissingen van de overheid, de reacties van de Italianen.

Quarantaine is zwierig geschreven en met een gemak dat de grote meester verraadt. Het decor is dystopisch, bijna apocalyptisch. Toch bevat het boek veel minder humor dan we van Pfeijffer gewoon zijn. Het is éénlijniger (is dat een woord?), er is geen spelen met humor, genres, taal en mensen, wat uiteraard komt door de dramatische gebeurtenissen die aan de basis liggen van dit boek.

“Toen belde een vriend van Stella. Hij had koorts en hij hoestte.” (p. 12)

Eerder las ik van Ilja Leonard Pfeijffer La Superba, Grand Hotel Europa en Brieven uit Genua.

gelezen: J.M. Coetzee: Wereld en wandel van Michael K

Ik heb deze prachtige, ontroerende roman van J.M. Coetzee gelezen op aanraden van Hilde Van Mieghem.

Hoofdfiguur Michael K is geboren in Zuid-Afrika met een hazenlip, hij werkt een tijd bij de groendienst van de stad maar hij vlucht voor de oorlog: eerst samen met zijn moeder, later alleen. Hij woont langs de weg als een zwerver, leeft in een grot in de bergen, belandt in een werkkamp en op landerijen naast een verlaten boerderij. Daar kweekt hij pompoenen op een akkertje en woont hij in een hol. Hij verzwakt, eet bijna niets meer, en wordt zo steeds meer één met de natuur. Uiteindelijk wordt K verdacht van het helpen van vijandelijke troepen en wordt hij meegenomen naar een heropvoedingsgevangenis.

Wereld en wandel van Michael K is een schitterende roman over een arme figuur die verstandelijk niet helemaal ontwikkeld lijkt en die zich niet thuisvoelt in de samenleving. Als er bovendien nog oorlog uitbreekt, valt hij volledig tussen de plooien en is er voor hem geen enkel vangnet. K blijft onzichtbaar binnen de administratie van de oorlog. De roman voelt soms dystopisch aan en gaat over natuur, mens en diepe, fundamentele eenzaamheid.

Wereld en wandel van Michael K is een onvergetelijk boek. Het won in 1983 de prestigieuze Booker Prize. Het werd vurig aangeraden door Hilde Van Mieghem in de podcast drie boeken.

“Je bent net een wandelende tak, Michaels, wiens enige verweer tegen een wereld van roofdieren zijn bizarre uiterlijk is. Je bent net een wandelende tak die, God weet hoe, midden op een onmetelijke kale betonvlakte terecht is gekomen.” (p. 182)

gelezen: Connie Palmen: De wetten

Ik heb het debuut van Connie Palmen uit 1991 herlezen. Het hoofdpersonage in De wetten is een jonge vrouw die filosofie studeert en op zoek is naar zichzelf; doorheen het boek ontmoet ze zeven mannen: de astroloog, de epilepticus, de filosoof, de priester, de fysicus, de kunstenaar en de psychiater.

De wetten lijkt de beschrijving van de persoonlijke en filosofische ontwikkeling van het hoofdpersonage. Het boek begint met de astroloog, het niet-rationale houvast; hij sterft en wordt begraven aan het begin van het hoofdstuk over de fysicus. Tijdens het afleggen van haar masterproef filosofie (haar ‘doctoraalscriptie’), ontmoet ze de kunstenaar. “Daarna zei ik: ‘Ik zoek je al heel lang’.” (p. 196) Het boek eindigt met een bezoek aan de psychiater: het sluitstuk van haar zelfontdekking en het begin van haar schrijverschap.

De wetten is filosofischer dan ik mij herinnerde, moeilijker ook, veel bewust-erudieter dan I.M. bijvoorbeeld, wat vergeleken met dit boek een eenvoudig, veredeld dagboek is. De wetten is spannend, op een intellectuele manier. Het is gedurfd door zijn complexiteit en zijn onbeschaamd intellectualisme. Een boek over filosofie en wetenschap, over liefde en schrijven, over jezelf ontdekken doorheen anderen.

“De astroloog ontmoette ik voor het eerst in de zomer van 1980. Het was op een vrijdag de dertiende.” (p. 9)

gelezen: Cixin Liu: Het Drielichamen Probleem

Ik heb dit boek gelezen als opdracht voor Uitgelezen, het literaire evenement van de Vooruit in Gent. Op eigen initiatief had ik het wellicht nooit vastgenomen: het ziet eruit als een science-fictionboek, en dat is het ook. Maar wat een ontdekking. Wat een fenomenaal boek. Wat een rijke, wonderlijke bron van lees- en denkplezier. Het beste is om niks over dit boek te weten als je eraan begint (zoals bij elk boek). In mijn bespreking hieronder doe ik mijn best om mijn enthousiasme te tonen zonder teveel weg te geven van de inhoud.

Het Drielichamen Probleem speelt zich af in China na de Culturele Revolutie. Er is sprake van een militaire basis op een berg: de Rode Kustbasis, waar een geheim programma van het Chinese leger wordt uitgevoerd. De hoofdpersonages zijn Ye Wenjie die op de Rode Kustbasis werkt en Wang Miao, een nanotechnoloog. Hij belandt in een game waarin de leefbaarheid van de wereld bepaald wordt door niet één, maar drie zonnen.

Het boek is ongelooflijk rijk en dens geschreven. De gemiddelde hoeveelheid informatie per bladzijde ligt ongewoon hoog. En het is heerlijk complex. Het boek verwijst geregeld naar de Chinese politiek en geschiedenis, en speelt zich af in een maatschappij waarin puur wetenschappelijke onderzoeksdaden politiek geïnterpreteerd worden. Een maatschappij die in angst leeft. Maar uiteindelijk draait het vooral rond wetenschap: fysica en astrofysica. Tegelijk gaat het boek over onze beschaving en stelt het vragen over wat beschaving is en waarvoor beschaving dient, over politiek en autocratie.

Het Drielichamen Probleem bevat enkele onvergetelijke beelden: de menselijke computer, de ruimtecountdown, de aanval op het schip in het Panamakanaal, de deeltjesversneller in de lucht, de gigantische slinger in Trisolaris.

Voor mij is dit boek een kennismaking met science fiction, maar ik vermoed dat het niveau zò hoog is dat weinige schrijvers zich met Cixin Liu kunnen meten. Cixin Liu is dan ook – lees ik – één van de grootste science-fictionschrijvers van China. Er zijn ook twee sequels op dit boek.

Het Drielichamen Probleem is – letterlijk – een ongelooflijk boek dat je gedachten over mens en maatschappij overhoop haalt, een weergaloze trip door ruimte, verleden en toekomst, een fantastische ontdekking.

gelezen: David Troch: voor jou wou ik een huis zijn

Ex-stadsdichter van Gent David Troch heeft een nieuw genre uitgevonden: eenlettergreepgedichten. Gedichten waarin alle woorden uit slechts één lettergreep bestaan. Hij heeft er meteen ook een forse dichtbundel mee gevuld. Een huzarenstukje.

De bundel ‘voor jou wou ik een huis zijn’ telt 102 bladzijden en staat vol gedichten die het eenlettergreep-trucje, de spielerei overstijgen. Het zijn voldragen gedichten over leven, liefde en seks, over een vluchteling, over een kind, ondanks de zelf-opgelegde beknotting van de woordenschat.

Integendeel, het lijkt alsof David Troch floreert in de beperking, alsof hij groeit van de uitdaging. Het is wonderlijk. Tijdens het lezen vraag je je geregeld af: hoe kan je zo mooi en diep en groots spreken met zulke eenvoudige woorden? In de beperking toont zich de meester.

Nog dit: ik heb in het boek koortsachtig doch vruchteloos gespeurd naar een woord met meer dan één lettergreep. Al staat er één prominent op de cover: ‘eenlettergreepgedichten’. Ook de tekst op de achterflap bevat geen enkel woord met meer dan één lettergreep. (David Trochs bio om evidente redenen wél.)

kijk

ik droeg mijn zoon de berg op,
wees hem waar de zon woont,

hoe op de flank de spar
naar het licht snakt,

hoe snel de steen
naar het dal rolt.

hij nam het in zich op,
mat de tijd die in hem zat.

(p. 44)

David Troch deed mij deze bundel cadeau omdat ik meelas met een eerste versie. Hij vertelt hoe deze bundel tot stand kwam in de podcast drie boeken. Eerder las ik van David de verhalenbundel Rue des Regrets.

de website van David Troch

gelezen: Erik Vlaminck: Dikke Freddy in het zilver

Ik begrijp niet hoe het is kunnen gebeuren, maar ik heb nu pas Dikke Freddy leren kennen. Na meer dan 25 jaar. Niet te vatten, niet te snappen, maar het is zo. Ik leg er mij bij neer, ik kan niet anders.

Ik heb het verzamelboek Dikke Freddy in het zilver gelezen, een bundeling van zogenaamde brieven die Dikke Freddy tussen 1993 en 2018 geschreven heeft aan talloze hooggeplaatste personen in ons land. Dikke Freddy is een fictieve figuur uit de koker van schrijver Erik Vlamink. Als werkloze, dakloze, kansarme man (Dikke Freddy bedoel ik) leeft hij afwisselend op straat, in een instelling, in de gevangenis of in een daklozencentrum; tussendoor brengt hij graag tijd door in lokale drankgelegenheden.

In zijn hilarische, stekende en ontroerende brieven aan burgemeesters, aan de voorzitter van het OCMW, aan ministers en politiecommissarissen klaagt hij mistoestanden aan, maar doet hij ook suggesties om het beleid te verbeteren en vooral meer rekening te houden met hemzelf en zijn collega-minderbedeelden. Hij rekent alle geldbedragen uit de krant steevast om in maanden leefloon en doet allerlei voorstellen waarmee de bevoegde instantie hem van zijn openstaande schulden kan verlossen.

Patrick Janssens wordt ‘burgemeester van Antwerpen en Berendrecht’ genoemd, een brief aan De Lijn begint met: ‘Aan de eigenaars van de firma De Lijn’. De brieven gaan over de prijs van de vuilniszakken, de verplichting om spaarlampen te gebruiken en de toestand van de openbare toiletten in de stad.

Dikke Freddy vraagt zich af of een deel van het geld voor het traceren van ooievaars niet beter gebruikt kan worden om het leefloon op te trekken. Waarom er massaal drinkwater wordt aangevoerd voor de eendjes in de leeggelopen vijver van het stadspark van Antwerpen, terwijl tegelijk het drinkwater wordt afgesloten van arme sukkelaars die hun rekening niet kunnen betalen. Aan Philippe De Backer, die toen verantwoordelijk was voor fraudebestrijding en aangekondigd had malafide louche winkels in de steden onder handen te nemen, schrijft hij opgelucht te zijn dat ze eindelijk Ikea gaan aanpakken, het bedrijf dat elk jaar miljoenen winst maakt maar geen belastingen betaalt.

Elke brief is tegelijk grappig en hartverscheurend. Ik heb het hele boek door hardop gelachen, terwijl tegelijk de schrijnende situatie van minderbedeelden keihard binnenkomt. Dikke Freddy is geweldig. Wat een held. Wat een ontdekking. Verplichte lectuur. Ik meen het.

Ik kocht dit boek in boekhandel Het Paard van Troje in Gent. Eerder las ik van Erik Vlaminck Het schismatieke schrijven. Volg mijn leesavonturen ook op Goodreads.

gelezen: Tove Ditlevsen: Kindertijd

Ik heb Kindertijd gelezen van de Deense schrijfster Tove Ditlevsen (1917-1976), deel 1 van haar ‘Kopenhagen-trilogie’ die pas in 2020 voor het eerst in het Nederlands werd vertaald.

Het autobiografische verhaal speelt zich af in de arbeidersbuurt achter het station in Kopenhagen. Daar groeit de klein Tove op in een arm gezin tussen de arme gezinnen, na de eerste wereldoorlog, in een periode waarin er voor (het welzijn van) de kinderen nauwelijks aandacht is. Met veel armoede, dronkenschap bij de mannen, jongens die op jonge leeftijd gaan werken, tienerzwangerschappen en het gevoel dat het onmogelijk is om aan dit lot te ontsnappen, de onontkoombaarheid van de cyclus.

Maar Tove voelt zich als kind anders dan de anderen, ze houdt niet van het gore geroddel van haar leeftijdsgenootjes. Ze schrijft liever poëzie en heeft een drang om die te publiceren, ook al lacht haar broer haar uit. Ze voelt ook dat haar kindertijd op zijn einde loopt, maar wil niet op zoek naar huishoudelijk werk bij een familie zoals haar leeftijdgenoten. Ze heeft geen zin in de normale volwassenheid, ze wil niet zijn zoals iedereen maar durft dat niet te zeggen.

“Nee, ik mag niet doorleren en ik mag nog maar even kind zijn. Ik moet van school af en belijdenis doen en ergens in een huis een dienstbetrekking zien te krijgen waar ik echt veel om handen heb. De toekomst is een monsterlijke, angstaanjagende reus die binnenkort om zal vallen en mij zal verpulveren.” (p. 110)

Ontroerend in dit boek is de waarachtigheid van het personage, de manier waarop Tove Ditlevsen beschrijft hoe moeilijk het leven is in dergelijke omstandigheden, de eenzaamheid, maar ook het feit dat de schrijfster laat voelen hoe de kiem van haar schrijverschap al aanwezig was in het kind.

Ik kijk uit naar deel 2: Jeugd en deel 3: Afhankelijkheid.

gelezen: Dirk Verbruggen: De dagbewaarder

Een schitterend pareltje van een vergeten Vlaamse schrijver. Ik heb De dagbewaarder gelezen van Dirk Verbruggen (1951-2009).

De dagbewaarder gaat over Marcel die in een psychiatrische instelling verblijft: het instituut Peeters-Lacroix. Hij fietst graag, waarbij hij kijkt en mijmert. Hij gaat soms alleen in een café zitten, met een boek om niet sociaal te hoeven zijn. Hij wordt verliefd op medepatiënte Emma, die nooit een woord zegt.

Het boek is opgebouwd uit korte, dagboek-achtige hoofdstukken met titels als “Dag van septemberdromen op de fiets” (p. 7), “Dag van enkele gedachten gewijd aan de depressie” (p. 17), “Dag van Emma, afwezig” (p. 71).

Je voelt de eenzaamheid van de hoofdfiguur, hij verlangt naar gezelschap. De leegheid van het leven in het instituut dringt door alles heen. Tegelijk observeert hij wat er rondom hem gebeurt, en denkt hij na over de natuur en over andere mensen. Het lijkt alsof Marcel door zijn aandachtige blik dingen ziet die anderen niet zien, dat hij dus abnormaal is, en daarom opgeborgen moet worden in een instelling.

Een prachtige, poëtische ontdekking. De dagbewaarder werd mij aangeraden door David Troch in de podcast drie boeken. David heeft mij zijn exemplaar ook uitgeleend.

“Oktober, kastanje, okkernoot, maand van de k. Alsof je aanhikt tegen de winter, met je tong klikt tegen de tijd, een paard dat even de tred vertraagt en omkijkt.” (p. 39)

Dirk Verbruggen in de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

gelezen: Erwin Mortier: Precieuze mechanieken

Ik heb Precieuze mechanieken gelezen, de recente dichtbundel van de Gentse schrijver en dichter Erwin Mortier. Mortier is vooral bekend voor zijn romans, maar schreef ook verschillende poëziebundels. Hij was stadsdichter van Gent in 2005 en 2006.

Precieuze mechanieken is een bundel waarin de dood centraal staat. De vader van de schrijver stierf in januari 2020, zijn moeder overleed drie jaar daarvoor. In de bundel wordt de moeder, “ma”, vaak direct aangesproken, en de laatste cyclus, Vermiste paradijzen, lijkt te bestaan uit de woorden van de dementerende moeder. In de cyclus Anuswaarts speelt Mortier met de omkering van de levensloop: van dood naar leven.

Precieuze mechanieken is een bundel die verschillende richtingen uitgaat, en waarin Erwin Mortier een voor hem nieuw register hanteert. In het eerste en laatste deel schrijft hij ruwer, directer dan ooit. Hij hanteert een grovere pen, met kwaadheid en humor. Hij gebruikt zelfs enkele keren het woord fucking, een primeur voor de zachte, sensitieve schrijver Erwin Mortier. Geschreven “na jaren van doorwaakte nachten vol wanhoop en angst“, zegt hij in zijn Onverantwoording op p. 107.

Maar er is ook de andere kant: zwaardere, meer naar kunst verwijzende gedichten, gedichten als barokke schilderijen. Er zijn gedichten opgedragen aan kunstenares Berlinde De Bruyckere, aan theatermakers Johan Simons en Elsie De Brauw.

Lees deze bundel om woorden te proeven, om taal te ervaren in zijn edelste vorm. Zoals alles van Erwin Mortier is dit een aanrader.


Ik schrijf in de nacht, in de baarmoederhals,
in het uur der schimmen.

Ik schrijf in de middag, het blakerende skelet, de botte,
al te helverlichte middag.

Aan mij de drift tot verstomming. Van spreken ben ik
het schrale sacrament.

Ik zweer trouw aan het monsterverbond tussen het gewoel
der dingen en de sluimer waarin de tong

wil zwelgen, als bij wijze van spreken, zeer zeker bij
wijze van spreken, de forel in de waterval.

Alles zal helder slapen, ma,
als katten en jonge meisjes.

(p. 91)


Erwin Mortier was te gast in de verjaardagsaflevering van mijn podcast ‘drie boeken’ en vertelde daarin welke drie boeken je moet gelezen hebben. Op het einde van de aflevering leest hij bovenstaand gedicht voor.

gelezen: Erik Vlaminck: Het schismatieke schrijven

In Het schismatieke schrijven uit 2005 vertelt Erik Vlaminck het verhaal van Stanny Van Stokken, een werkloze sukkelaar die op vroege leeftijd zijn moeder verloor. Hij krijgt onverwacht een grote erfenis en koopt een villa. Maar twee jaar later treffen we hem in een psychiatrische inrichting, waar de behandeling slecht is, en waar ondermeer ene Erik werkt. (Erik Vlaminck werkte zelf jarenlang in een psychiatrische instelling.)

De vertelling van Erik Vlaminck is meeslepend, zijn Vlaams is meesterlijk, hij neemt het in zijn schrijven op voor de kleine man, de volkse dorpeling en de minder bedeelde. Het schismatieke schrijven is het laatste deel van een zesdelige romancyclus die begon met Quatertemperdagen.

Erik Vlaminck is een schrijver die sinds 1976 op constant hoog niveau publiceert maar die nooit de grote roem kreeg zoals sommige van zijn collega’s, wellicht onterecht. Hij is behalve auteur ook voorzitter van PEN Vlaanderen, een vereniging die opkomt voor auteurs die bedreigd of vervolgd worden omwille van wat ze schreven.

Erik Vlaminck noemt in Het schismatieke schrijven ook Roger Van de Velde, die in het merkwaardige boek De knetterende schedels schreef over dezelfde psychiatrische instelling.

“En daar komt bij, schone meneer, ge hebt het mij zelf gezegd, dat ge daar in dat zothuis zijt gaan werken om gedachten op te doen om boeken te kunnen schrijven. Om dat spel daar af te kijken. En om dan beroemd te worden gelijk Lowieke Boon, vuil Lowieke zelf. En ondertussen hebt ge daar, terwijl ge er nog geld mee verdient ook, een van uw vrienden mee de dieperik in geholpen. Ik kijk er kolossaal naar uit, naar het boek dat ge daarover gaat schrijven.” (p. 145)

Ik kocht Het schismatieke schrijven tweedehands in boekhandel Limerick 2.1 in Gent.

Roos Van Acker koos Suikerspin van Erik Vlaminck als één van haar drie boeken in de gelijknamige podcast.

gelezen: Lize Spit: Ik ben er niet

Gelezen: de tweede roman van de Vlaamse schrijfster Lize Spit: Ik ben er niet, de langverwachte opvolger van de bestseller Het smelt.

Het verhaal gaat over Leo, een jonge vrouw die met haar vriend Simon in Brussel woont. Ze werkt in een boetiek samen met collega en vriendin Lotte. Ze is net als Simon getekend door het verlies van haar moeder, heeft weinig vrienden en hangt erg vast aan de weinige mensen die ze kent. Maar op een dag verandert Simon, is hij niet meer de vriend die hij was.

Ik ben er niet is bijzonder knap geschreven. De personages zijn tot in de fijnste nuances bedacht, en in de loop van de roman wordt alles langzaam losgelaten. Er zijn de honderden details waarmee Lize Spit subtiel haar hoofdpersonage laadt: haar tergende onzekerheid, hoe ze worstelt, alles op zichzelf betrekt, hoe klein en onbekwaam ze zichzelf maakt. Hoe ze ook (net als haar vriend) tekenen van paranoia vertoont. Haar kinderwens die sterker en sterker wordt naarmate het verhaal vordert. De schitterende spanning die dit oplevert. En tegelijk is er de voortgang in het verhaal, die stoppen met lezen zeer moeilijk maakt, meer dan 550 pagina’s lang.

De kracht van Lize Spit bestaat erin een verhaal te brengen dat iedereen kan aanspreken, dat van begin tot einde loepzuiver is, waarin alle onderdeeltjes perfect in elkaar passen. Een psychologische roman opgebouwd als een thriller. Ik ben er niet is een prachtige opvolger voor Het smelt. Garantie op leesplezier. Smullen.

“De scène eindigt met een topshot van de stapels dozen die nog uitgepakt moeten worden, een detail van de jassen, die allemaal op exact dezelfde manier opgevouwen zitten, met de mouwen vooraan naar elkaar toe geplooid, alsof de jassen wel weten wat er staat te gebeuren – zij bidden al.” (p. 11)

gelezen: Johan Sebastiaan Stuer: In een opgemaakt bed kan ik niet sterven

Humo-huisdichter Johan Sebastiaan Stuer heeft dit mini-dichtbundeltje uitgebracht in 50 exemplaren, gedrukt door Herberg Rustiek. Met de gebruikelijke hilarische onzin in 4 regels. Heerlijk. En letterlijk op drie minuten uit. 😉

Berusting

dat niemand dag noch uur kent
wordt her en der betreurd
maar als je aan de beurt bent
dan ben je aan de beurt

Onlangs vertelde Johan Stuer in mijn podcast welke drie boeken je moét gelezen hebben.

gelezen: Thomas Heerma van Voss: Verdwenen boeken

Verdwenen boeken is het vervolg op Onzichtbare boeken, het echt gebeurde verhaal van de oprichting en de ondergang van de kleine uitgeverij Babel & Voss Uitgevers. Toen Onzichtbare boeken tamelijk goed bleek te verkopen – in tegenstelling tot de meeste andere uitgaven van de uitgeverij – kreeg Thomas Heerma van Voss de vraag om alsnog een laatste boekje te maken, een definitief afscheid van de uitgeverij.

Het resultaat is Verdwenen boeken, waarin de hoofdpersoon terugkeert naar het Engelse dorpje Dovercourt, waar hij tijdens zijn jeugd de vakantie doorbracht samen met de latere oprichter van de uitgeverij. Hij keert terug om afscheid te nemen van het verleden, terwijl zijn vriendin thuis het appartement leeghaalt: hun relatie is voorbij. Het enige wat overblijft is puin: van de uitgeverij, van de relatie, van het oude hotel in Dovercourt waar hij ging schrijven. In het dorpje is niks te zien en gebeurt er ook niks. Het afscheid blijkt een afscheid te zijn van iets dat nog nauwelijks bestond.

Verdwenen boeken telt 55 bladzijden. Ik heb het boekje gekocht in boekhandel Limerick in Gent.

gelezen: Sien Volders: Oogst

Ik heb een schitterend boek gelezen: Oogst, de tweede roman van schrijfster Sien Volders.

Het verhaal gaat over de Roemeense Alina die met haar elfjarige zoon Lucian vanuit hun armoedige thuissituatie naar Sicilië reist, in de hoop daar geld te kunnen verdienen in de tomatenpluk. Ze komt terecht op de kwekerij van een Siciliaanse boer, in harde, bijna ondraaglijke omstandigheden.

Oogst is indrukwekkend geschreven; op een beheerste en tegelijk erg gevoelige manier drukt de schrijfster ons met de neus op de feiten: Alina werkt in een regime van moderne slavernij. De subtiel aangebrachte spanning was voor mij bij momenten ondraaglijk: ik durfde nauwelijks voort te lezen, ongerust over wat de personages zou overkomen.

Sien Volders schrijft bovendien in een prachtige, zintuiglijke taal, met als decor de Siciliaanse natuur die verandert op het ritme van de seizoenen. Oogst is aangrijpend, klein en groots tegelijk, speels en toch snoeihard. Een prachtige roman en een opmerkelijke prestatie. Aanrader.

Oogst van Sien Volders werd aangeraden door haar buurman Jonas Geirnaert in aflevering 29 van de podcast ‘drie boeken’. Bij het boek hoort ook een Spotify-playlist met ondermeer nummers die in het verhaal een rol spelen.

gelezen: Hannelore Bedert: Hoelang gaat papa nog gestorven zijn?

De man van zangeres Hannelore Bedert, Stijn, overleed op 17 februari 2019 onverwacht aan hartfalen. Hij was 40 jaar. Hannelore bleef achter met hun twee kinderen: Hoppe en Polly. Voor het tijdschrift Libelle schreef ze een reeks columns over haar leven als alleenstaande moeder. Deze columns én enkele nieuwe teksten zijn nu gebundeld in een boekje met de hartverscheurende titel Hoelang gaat papa nog gestorven zijn?

De stukjes beschrijven de reacties van de kinderen op de dood van hun vader: de onverwachte, de verdrietige, de poëtische, de grappige, de geniale. “Jij mag geen hartgeval hebben, mama” (p. 57). Hannelore Bedert beschrijft hoe ze zelf omgaat met het verdriet, aan de hand van dagelijkse situaties en confrontaties, thuis en op straat, in het postkantoor of op het kerkhof. Het gaat over huilen en de eerste keer weer vrolijk zijn, over het woord ‘doodgraag’, over kerkhofvrouwen.

Een ontroerend boekje, met prachtige illustraties van Randall Casaer. Eerder las ik het mooie romandebuut van Hannelore Bedert: Lam.

“Wat wil ik soms keihard schelden, huilen en breken. Wat wil ik soms met heel mijn lijf aan de buitenwereld tonen hoe het verdriet mij in stukken scheurt.” (p. 36)

de website van Hannelore Bedert

gelezen: Chris de Stoop: Het boek Daniel

Het boek Daniel van Chris de Stoop vertelt het verhaal van zijn eigen oom: Daniel, een hoogbejaarde boer die vereenzaamd leefde in zijn vervallen vierkantshoeve vlakbij de Franse grens. De boer komt op vreselijke wijze om het leven door een overval van een groepje straatjongeren. Ze slaan hem op het hoofd, laten hem liggen en verdwijnen met zijn geld.

Chris de Stoop schrijft in het boek over het snel veranderende platteland, waarop zijn oom leefde als een overblijfsel uit vervlogen tijden. Hij beschrijft de omstandigheden van de roofoverval en de moord, maar ook de situatie van de jongeren: hoe zij uit ontwrichte gezinnen komen, zonder kansen in de samenleving. Hij schrijft over het strafproces van de daders en zijn eigen rol als nabestaande.

Het boek is meeslepend geschreven, in een eenvoudige, directe taal en stijl, tussen journalistiek en literatuur in. Het bevat enkele onvergetelijke beelden: oom Daniel die met zijn tractor naar de supermarkt rijdt, de brandende hoeve, de gekantelde kachel op het lichaam van de oude man.

Het boek Daniel is een boek over ontmenselijking: hoe iemand die ervoor kiest om zich terug te trekken uit de maatschappij, als een probleem wordt gezien, en hoe niet alleen de jongeren, maar ook het hele dorp de ontmenselijkte kluizenaar volledig aan zijn lot overlaten. Het lijkt alsof oom Daniel zondigde tegen een wet die zegt dat men sociaal moet zijn, en dat er geen bescherming meer is voor wie kiest om dat niet te doen. Dat zo iemand geen rechten meer heeft.

“Zoals altijd op zaterdag was oom Daniel die avond naar de supermarkt gegaan. Hij mocht alleen heel laat in de winkel komen, als er bijna geen andere klanten meer waren. Dus deed hij dat maar, ook al moest hij dan nog in het donker de straat op. (…)

Hij was een bekende verschijning, die er in de ogen van anderen zonderling uitzag, als iemand die buiten de tijd stond, buiten de maatschappij. Vierentachtig was hij, maar nog kloek en kwiek.” (p. 13)

gelezen: Patricia de Martelaere: Nachtboek van een slapeloze

Ik heb het romandebuut van de Vlaamse schrijfster Patricia de Martelaere gelezen: Nachtboek van een slapeloze uit 1988. Een boek over een man die niet kan slapen en ‘s nachts zijn gedachten en gevoelens neerschrijft.

Zijn vrouw Myriam probeert te helpen met tips, oefeningen, drankjes, maar niets lukt. Hij vertelt dat hij niks heeft om zich zorgen over te maken, dat hij alles in het leven bereikt heeft: vrouw, kinderen, huis, werk. Dat zijn leven klaar is, in positieve zin. Maar toch lukt het niet om te slapen, en langzaam gaat hij achteruit. Hij wordt droeviger, drinkt meer en meer (whisky), slikt meer en meer slaappillen. Hij maakt ruzie met zijn vrouw. Er zijn dromen en nachtmerries, die steeds gruwelijker worden. Hij heeft gedachten over de dood. Hij vindt het leven zinloos. Hij wacht tot de dag voorbij is, om daarna te wachten op het einde van de nacht.

“En zo zit ik dan nog een hele tijd, met groeiend onbehagen en een zweem van ontzetting, te denken aan alle daden, te dromen van bewegingen zo eenvoudig als met mijn hand mijn rug krabben waaar het jeukt; of mijn hart, waar alles plots zo’n pijn doet.” (p. 24)

Nachtboek van een slapeloze is een filosofische roman over een man die leeft buiten de gewone wereld, die zich anders voelt dan de anderen, en voortdurend nadenkt over de zin of zinloosheid van het leven en van onze dagelijkse handelingen.

Saskia De Coster noemde de mediaschuwe Patricia de Martelaere in de podcast drie boeken één van de klassiekers van de Vlaamse literatuur. Patricia de Martelaere stierf op 4 maart 2009.

gelezen: Joost de Vries: Oude meesters

Gelezen: Oude meesters, een roman uit 2017 van de Nederlandse schrijver Joost de Vries.

Oude meesters is een verhaal over twee broers: Sieger en Edmund van Zeeland. Sieger werkt als journalist voor een krant. Edmund is rijk geworden door een succesvolle app die voor veel geld verkocht werd.

Edmund zien we in de roman als winnaar: hij wordt gevraagd om een column te schrijven voor de krant van zijn broer, terwijl hij in het buitenland contact heeft met de (quasi-, niet zo duidelijk) ex van Sieger. Hij heeft zichzelf ook een rolletje cadeau gedaan in een beroemde televisieserie. Zijn broer Sieger is in eerste instantie het slachtoffer: in Berlijn belandt hij in een explosie in een veilinghuis en hij wordt neergeslagen tijdens een betoging. Hij keert terug naar Amsterdam om in het archief van een overleden collega op zoek te gaan naar wat er in Berlijn echt gebeurd is.

Oude meesters toont zich vooral als grote speeltuin van Joost de Vries. Het boek bulkt van de culturele verwijzingen, regelmatig beland je als lezer in situaties die filmscènes blijken te zijn. Ook de scène achteraan het boek met de Nederlandse koningin is een heerlijke spielerei van een auteur die graag het hoofd van de lezer op hol brengt. De schrijver pakt via zijn personages uit met zijn kennis, en citeert zelfs zijn eigen werk; op een bepaald moment neemt een personage het boek ‘Rituelen’ vast, een vorige roman van Joost de Vries.

In het hele boek wordt gedold met de waarheid. Was er echt een aanslag? Is het slachtoffer van de aanslag echt dood? Is het waar wat in de krant staat en wat op televisie komt? Sieger is tijdens de aanslag zijn telefoon kwijtgeraakt, en wordt in de pers als een misdadiger voorgesteld puur omdat hij niét reageert en niet bereikbaar is. Zijn terugkeer naar Amsterdam wordt voorgesteld als een vlucht, maar is dat wel zo? Wie van de broers is écht een winnaar?

Ook het spel van verleden en toekomst (Edmund heeft het gevoel dat hij in de verkeerde tijd leeft, dat hij vroeger moest geleefd hebben) zorgt voor een fascinerende trip in het hoofd van de lezer. Noem het: postmodernisme.

Oude meesters werd mij aangeraden door Marc Buelens in de podcast ‘drie boeken’.