gelezen: Roald Dahl: Daantje, de wereldkampioen

Voorgelezen aan mijn dochter Roos: Daantje, de wereldkampioen van Roald Dahl, het onvergetelijke verhaal van Daantje die zijn vader helpt om fazanten te stropen in het bos van de rijke meneer Hazel.

Wat een onvoorstelbaar plezier om op deze manier zelf de boeken van Roald Dahl te leren kennen. Vòòr Daantje, de wereldkampioen las ik ook al Matilda en De GVR voor aan Roos.

HipstamaticPhoto-600507738.129448.jpg

de officiële website van Roald Dahl

gelezen: Alessandro Baricco: Zijde

Prachtig boekje gelezen: Zijde van Alessandro Baricco. Een pareltje van slechts 92 bladzijden over de Fransman Hervé Joncour, die midden de jaren 1800 naar Japan reist om zijderupsen te kopen voor zijn dorp. In Japan geraakt hij verliefd op een geheimzinnige vrouw…

Je zou kunnen zeggen dat het een liefdesgeschiedenis is. Maar als het niet meer was dan dat, zou het niet de moeite waard zijn haar te vertellen. Er komen verlangens in voor, en pijnen, die je heel goed kent, maar je hebt er geen echte naam voor om ze mee aan te duiden. Maar het is in ieder geval niet liefde. (Dat is al van oudsher zo. Als je geen naam hebt om de dingen mee te benoemen, dan gebruik je er een geschiedenis voor. Zo werkt dat. Al eeuwenlang.)” (p. 5)

Zijde is ongelooflijk fijn geschreven, in een prachtig (en grappig?) ritme, bijzonder poëtisch, zintuiglijk en ontroerend. Verslavend.

HipstamaticPhoto-600430219.563579.jpg

de website van Alessandro Baricco (Italiaans)

gelezen: Tommy Wieringa: De heilige Rita

Alweer een magistraal boek van de Nederlandse schrijver Tommy Wieringa gelezen: De heilige Rita.

Paul Krüzen woont samen met zijn vader in het dorpje Mariënveen in het oosten van Nederland, vlakbij de Duitse grens. Hij verkoopt militaire curiosa via internet. Zijn beste vriend is Hedwiges Geerdink, die een versleten winkeltje uitbaat. Voor het overige is er in het dorpje een bar-feestzaal die Shu Dynasty heet, en een bordeel net over de grens: Club Pacha. In het eerste hoofdstuk van De heilige Rita is alles en iedereen van belang al geïntroduceerd.

De meeste bewoners trekken weg uit het dorp. Wat overblijft, sterft langzaam uit. De plaatselijke bevolking ziet hun wereld bevolkt worden door buitenlanders: Chinezen baten de plaatselijke bar-feestzaal uit, de hoertjes in het bordeel komen uit Thailand, de verpleegster in het ziekenhuis is een Filipijnse, de dorpspriester een Braziliaan, de beveiligingsman een Pool, er is sprake van Oosteuropese dievenbendes in de streek, een gestrande Rus is er met Pauls moeder vandoor. 

Er gebeurt zo goed als niks in Mariënveen. Alles is bijna volledig tot stilstand gekomen. De sfeer in het hele boek is nostalgisch en oneindig droevig, alsof alles niks geworden is, alsof alle hoop verzwolgen is.

Tegelijk stralen de personages een berusting en aanvaarding uit, zoals we die kennen van bij Michel Houellebecq. Ook de seksuele beleving van de hoofdpersonages doet aan Houellebecq denken.

Al in de lift begon de herinnering aan de verpleegster te vervagen. Vroeger zou haar lieve gezichtje hem dagen hebben gekweld. Het was beter zo. Rustiger en beter. Dit leek Paul de eerste stap in de richting van de aanvaarding van de dood.” (p. 118)

De heilige Rita is een adembenemend boek van een absolute meester. Subtiel en zintuiglijk geschreven, rijk en schitterend. Dit is de zoveelste aanrader van Tommy Wieringa – het is werkelijk niet bij te houden.

De heilige Rita is de patroonheilige van de hopeloze gevallen. Wikipedia zegt: “Toen ze als jong meisje in haar wieg lag, vlogen er bijen in en uit haar mond die haar voedden met honing.

Ik heb het boek gekocht in boekhandel Grim in Hasselt.

HipstamaticPhoto-599916876.311229.jpg

Tommy Wieringa bij uitgeverij De Bezige Bij

gelezen: Mark Coenen: Italië voor idioten

Mark Coenen, columnist bij de krant De Morgen, is vroeger baas geweest van Canvas. Hij is ook mijn baas geweest bij Studio Brussel, net als zijn vrouw Isabelle – het zit als het ware in de familie. Samen hebben Mark en Isabelle een huis gekocht in een onooglijk dorpje in de streek Le Marche in Italië. Hij heeft daarover een boek geschreven: Italië voor idioten.

Het boek is een ode aan het leven in Italië, aan de natuur en het eten, ondanks onenigheid met buurtbewoners, slecht weer, een sporadische aardbeving en een overvloed aan euh… Italianen.

Italië voor idioten is ook erg openhartig. Het gaat over Mark Coenen zélf, hoe hij geniet, afziet, kankert, graag alleen is, hoe enkele mensen rondom hem kanker krijgen en hij zelf uiteindelijk ook. Hij schrijft over ongelukkig zijn in de hoogste regionen van de VRT:

“Ik begon de eeuwige politieke en andere spelletjes beu te worden en ging in overlevingsmodus. Geest afwezig, lichaam op automatische piloot. Pakje, dasje.
Bedachtzaam knikken was een kunst die ik tot in de perfectie beheerste. (…)
Ik zat tussen de ellendig lange vergaderingen door lustig te zeilen op het web, op zoek naar een betaalbare woning in Le Marche. Daarna ging ik routineus mijn gezicht ronddragen op het elfde, de etage waar de raad van bestuur zijn maandelijkse vergaderingen hield.” (p. 20-21)

Italië voor idioten is een boek vol verhalen en mensen, vol humor en inzichten, een boek vol leven. Ik heb het cadeau gekregen van de auteur. Bedankt Mark.

HipstamaticPhoto-598719107.551347.jpg

gelezen: Prince. The Beautiful Ones

Gekregen als kerstcadeautje en meteen uitgelezen: de zogenaamde memoires van popster Prince (maar niet echt: lees verder).

Prince besliste enkele maanden voor zijn dood in 2016 dat hij zijn memoires op papier wilde zetten. Hij zou dat doen samen met Dan Piepenbring van het literaire magazine The Paris Review. Maar toen stierf Prince, nadat hij slechts enkele kladpapiertjes had volgeschreven met een minimale aanzet tot een autobiografie.

Deze (28) bladzijden vormen de basis voor het boek The Beautiful Ones, aangevuld met oude foto’s uit het persoonlijke archief van Prince en afdrukken van songteksten.

Er zijn vier delen: over de jeugd van Prince, over de tijd dat hij zijn eerste album opnam, en dan gaat het in sneltreinvaart naar de eerste ideeën voor de film Purple Rain. Dan Piepenbring heeft enkel een inleiding bij elkaar mogen priegelen over zijn eigen (schaarse) ontmoetingen met Prince. En bij de foto’s tekstjes mogen zoeken die uit allerlei andere interviews komen. Terwijl de uitleg bij de foto’s in een soort notensysteem achteraan het boek staat.

Als autobiografie of aanzet tot memoires is het boek flauw, rommelig en teleurstellend. Wat het interessant maakt: de schat aan oude foto’s en afdrukken van zelf geschreven (song)teksten van Prince.

Intussen lees ik ook de (veel interessantere) Prince-biografie van Matt Thorne, het zot-encyclopedische Prince and the Purple Rain Era Studio Sessions 1983 and 1984 van Duane Tudahl, én vraag ik voor mijn nieuwjaar het gloednieuwe fotoboek My Name is Prince van Randee St. Nicholas.

HipstamaticPhoto-599132215.784288.jpg

de officiële website van Prince

gelezen: Ish Ait Hamou: Het moois dat we delen

Omdat iedereen het maar blééf aanraden, heb ik het boek eindelijk ook gelezen: Het moois dat we delen, de vierde roman van choreograaf, schrijver, Vilvoordenaar en all-round inspirerende figuur Ish Ait Hamou.

Het moois dat we delen is het aangrijpende verhaal van Soumia en Luc, een jonge vrouw en een oude man die elkaar ontmoeten; ze blijken een gemeenschappelijk verleden met zich mee te dragen.

Ish slaagt erin je mee te nemen in de leefwereld van alle personages in het boek, hoe verschillend hun achtergronden ook zijn, en dat is indrukwekkend. Bovendien schrijft hij loepzuiver, uiterst fijngevoelig en erg direct, over ons, vandaag, in een stad waar verschillende gemeenschappen proberen samen te leven. En hoe dat soms wel, en soms niét goed lukt.

Mooi boek van een prachtige vent.

PS: Niet letten op de vreemde strepen op de foto: mijn zoontje Bo (3 jaar) heeft ongevraagd zijn eigen handtekening op de cover van dit boek gezet.

HipstamaticPhoto-598870041.799354.jpg

de website van Ish Ait Hamou

gelezen: Don Delillo: White noise

Indrukwekkende klassieker gelezen: White noise, een roman uit 1985 van de Amerikaanse schrijver Don Delillo.

White Noise gaat over Jack Gladney, professor Hitlerstudies (!) aan een Amerikaanse universiteit, die ervan overtuigd is dat hij gaat sterven nadat een chemische wolk bij zijn huis in de buurt is gekomen. Ook zijn vrouw lijdt aan angst voor de dood; zij heeft zelfs meegewerkt aan een testprogramma voor een hoogtechnologische experimentele pil die doodsangst tegengaat.

De dood is overal rond Jack. Hij denkt erover na, hij discussieert erover met familie en collega’s, een vriend van zijn zoon traint om 67 dagen door te brengen in een afgesloten kooi vol gevaarlijke slangen. Zijn naam is Orest.

In zijn job is de dood paradoxaal genoeg nauwelijks aanwezig: de Hitlerstudies lijken vooral te gaan over ondermeer de hond van Hitler en over de laatste uren van Hitler in de bunker.

Voor de rest lijkt Jacks jongste zoon Wilder als enige de dood te kunnen verschalken. Wilder is in het boek een soort goddelijk wezen, immuun voor de wetten van leven en dood. Zijn vader en moeder willen voortdurend bij hem in de buurt zijn.

Don Delillo beschrijft zijn hoofdpersonage in de stedelijke omgeving waar hij woont: thuis, op de universiteitscampus, tussen de rekken van de supermarkt. Er is een voortdurende aanwezigheid van televisie op de achtergrond, en een verstrengeling van media en realiteit: Wat is echt? Wat is inbeelding? En overal is er afval; het boek staat vol beschrijvingen van vuilnis.

White noise is prachtig geschreven, met schitterende zinswendingen, een geweldige flow en een heerlijk rustige kadans. En het boek is rijk: het zit vol verwijzingen die ik als argeloze lezer zonder twijfel niét heb opgemerkt.

Hoogtepunt voor mij: het einde van het hoofdstuk waarin zoontje Wilder zeven uur aan één stuk gehuild heeft en niemand weet waarom. Als Wilder plots stopt met wenen, schrijft Delillo dit:

They watched him with something like awe. Nearly seven hours of serious crying. It was as though he’d just returned from a period of wandering in some remote and holy place, in sand barrens or snowy ranges – a place where things are said, sights are seen, distances reached which we in our ordinary toil can only regard with the mingled reverence and wonder we hold in reserve for feats of the most sublime and difficult dimensions.” (p. 94)

Ik heb White noise in het Engels gelezen. Bedankt Marc Buelens voor de tip.

HipstamaticPhoto-596395800.720647.jpg

gelezen: Herman Brusselmans: Prachtige ogen

Na lange tijd herlezen: Prachtige ogen, de debuutroman van Herman Brusselmans uit 1984.

Student Julius Cramp beslist op een dag dat hij ’s avonds niet terug naar huis gaat keren. Hij studeert Germaanse Filologie in de Blandijn in Gent maar brengt de hele dag in café De Poort door. Waar zo goed als niks gebeurt, op een passerende studentenbetoging na die uit de hand loopt.

De hoofdpersoon doet niks behalve pintjes drinken en observeren wat er rond hem gebeurt; hij is nauwelijks geïnteresseerd in iets. Vrouwen zijn trutten, mannen zijn klootzakken, er wordt de hele tijd gevloekt. Een bus is een stinkbus, een toilet is een zeiktoilet. Soms schemert er een spoor van melancholie door wat Julius vertelt, een besef van eenzaamheid, maar slechts zelden.

Eén van de helden van de hoofdpersoon is Holden Caulfield, het personage uit The Catcher in the Rye van J.D. Salinger. Ook de stijl en het woordgebruik van Brusselmans in dit boek is helemaal The Catcher in the Rye.

“Ik werd depressief bij die gedachte. Dat meen ik, ik werd er treurig onder. Je zou gezegd hebben: Hè vandaag gebeurt er een en ander, ik neem een belangrijk besluit, ik heb een wapen op zak, ik zie een waar massagevecht, ik zit naast een professor dus hèhè eindelijk gebeurt er ’s wat! En hèhè, weer gebeurde er natuurlijk niks. Ofwel was het nog te vroeg voor gebeurtenissen. Ofwel ging de hele rotzooi aan gebeurtenissen aan mij voorbij.” (p. 178)

Een nihilistisch boek, waarmee Brusselmans zich duidelijk wilde afzetten tegen de ‘échte literatuur’ met ‘relevante inhoud’, iets wat hij vandaag nog steeds doet.

HipstamaticPhoto-593453835.390216.JPG

gelezen: Elvis Duran: Where Do I Begin?

Gelezen: het boek van de Amerikaanse radioster Elvis Duran: Where Do I Begin? Stories (I Sort of Remember) from a Life Lived Out Loud.

Elvis Duran (55) vertelt in dit boek over zijn radiocarrière, van de kleine stations waar hij begon, langs het legendarische Z100 in New York, tot vandaag: hij is CEO van zijn eigen bedrijf en zijn ochtendshow wordt in heel de Verenigde Staten uitgezonden.

Hij beschrijft radio achter de schermen, het leven als celebrity en zijn privéleven: zijn jeugd, zijn wilde party- en drugsverleden, het moment dat hij als gay uit de kast kwam, zijn maagverkleining die hem tientallen kilo’s deed afvallen.

Lekkerste brok in het boek: het stuk over zijn aankomst bij Z100, het legendarische radiostation in New York met als slogan: Serving the universe from the top of the Empire State Building:

(Zijn vorige station) “KRBE may have sounded big. But it had nothing on Z100. Z100 sounded gigantic. (…) It was so loud. A wall of sound. (…) How’d they do it? Well, they borrowed some tricks from the old AM radio stations that dominated the landscape back in the Stone Age of radio. They added a ton of reverb, so that the voices and music coming over the airwaves would boom and echo through your speakers.” (p. 48)

Eentje voor de radiofreaks.

HipstamaticPhoto-593025566.235672.JPG

Elvis Duran and the Morning Show

gelezen: Roderik Six: Volt

Verbijsterd, overdonderd en verslagen na het lezen van het nieuwe boek van Roderik Six. Na zijn vorige romans, Vloed en Val, is er nu Volt. Een duister, huiveringwekkend verhaal over een man die leeft op een oververhitte plek in een soort vreselijke klassenmaatschappij in de toekomst. Er is iets gebeurd waardoor het land nauwelijks nog leefbaar is, de zon verschroeit de aarde, de hitte is ondraaglijk.

Er is sprake van een serum dat mensen langer in leven houdt, van inlanders die in een kamp wonen, van boodschappen op papier, van wetenschappelijke experimenten met dieren. Volt bevat enkele scènes waarbij de rillingen je over het lijf lopen: gruwelijk en onvergetelijk.

Meteen in het begin, bij de geweldige openingsscène, voel je het dreigende gevaar en de spanning die de schrijver het hele boek magistraal volhoudt. Als lezer krijg je nooit 100 procent vat op de gebeurtenissen en op het geheel; de vertelling is steeds gehuld in mysterie, net zoals in Val.

Roderik Six is een meesterstilist met een duistere voorkeur voor ongedierte, vuurwapens, rampspoed en voor de donkerste spelonken van de menselijke ziel. Ik houd van zijn taal, zijn durf en zijn duisternis.

Het heetste, meest verpletterende boek van het jaar. Ik heb het gelezen in juli (vòòr publicatie), op de warmste dag in België sinds het begin van de metingen. Een boek als een post-apocalyptisch 1984. Indrukwekkend.

De zee sleept me met elke ebbende wee verder mee.” (p. 127)

HipstamaticPhoto-591434625.784477.JPG

de website van Roderik Six

gelezen: Anne Frank: Het Achterhuis.

Eindelijk gelezen: het legendarische dagboek van Anne Frank: Het Achterhuis. Dagboekbrieven 12 juni 1942 – 1 augustus 1944.

Geschreven door het Joodse meisje Anne Frank, die samen met haar familie en kennissen moest onderduiken in een huis in Amsterdam tijdens de nazi-bezetting in de tweede wereldoorlog. Adres: Prinsengracht 263, Amsterdam:

Rechts van de overloop ligt “het Achterhuis”. Geen mens zou vermoeden dat achter de simpele, grijsgeschilderde deur zoveel kamers schuilgaan.” (p. 28)

Anne Frank schrijft een dagboek in de vorm van brieven aan een fictieve vriendin Kitty. Ze vertelt twee jaar lang over het dagelijkse leven in het Achterhuis, over de ruzies tussen de huisgenoten, over haar opflakkerende gevoelens voor huisgenoot Peter, over de moeilijke relatie met haar moeder, over de bombardementen buiten. We krijgen een diepe en intieme inkijk in het leven van een meisje van 13-15 jaar. We voelen de onrust en de praktische moeilijkheden van schuilen in een bezette stad: het steeds eenzijdiger en slechter wordende eten, de voortdurende angst om ontdekt te worden.

Op woensdag 29 maart 1944 schrijft Anne Frank: “Gisteravond sprak minister Bolkestein voor de Oranjezender erover dat er na de oorlog een inzameling van dagboeken en brieven van deze oorlog zou worden gehouden. (…) Het moet ongeveer tien jaar na de oorlog al grappig aandoen, als men vertelt hoe we als Joden hier geleefd, gegeten en gesproken hebben. Al vertel ik je veel over ons, toch weet je nog maar een heel klein beetje van ons leven af. Hoeveel angst de dames hebben als ze bombarderen, bijvoorbeeld zondag toen 350 Engelse machines een half miljoen kilo bommen op Ijmuiden gegooid hebben, hoe dan de huizen trillen als een grassprietje in de wind, hoeveel epidemieën hier heersen.” (p. 219)

Anne Frank komt uit haar dagboeken naar voren als een actieve, intelligente, nieuwsgierige, geïnteresseerde en feministisch ingestelde jonge vrouw. Ze wil graag journaliste of schrijfster worden:     

Na de oorlog wil ik in ieder geval een boek getiteld Het Achterhuis uitgeven, of dat lukt blijft ook nog de vraag, maar m’n dagboek zal daarvoor kunnen dienen.” (p. 262)

Voor de lezer van vandaag staat het hele dagboek uiteraard in het teken van het dramatische einde. De hoop van Anne Frank dat de oorlog snel voorbij zal zijn, slaat snoeihard in ons gezicht terug. De laatste woorden in haar dagboek, dinsdag 1 augustus 1944, zijn:

… ten slotte draai ik m’n hart weer om, draai het slechte naar buiten, het goede naar binnen en zoek aldoor naar een middel om te worden, zoals ik zo erg graag zou willen zijn en zoals ik zou kunnen zijn, als… er geen andere mensen in de wereld zouden wonen. Je Anne M. Frank” (p. 298)

Op 4 augustus in de voormiddag worden Anne en haar familie ontdekt in het Achterhuis nadat iemand hun schuilplaats had verraden. Ze worden gedeporteerd. Anne sterft in onmenselijke omstandigheden aan een epidemie van vlektyfus in het concentratiekamp Bergen-Belsen anderhalve maand voor dat kamp bevrijd werd.

Het hartverscheurende verhaal van het meisje Anne Frank is in deze tijden van extreme verrechtsing noodzakelijke lectuur, net zoals 1984 van George Orwell dat is om redenen van politiek inzicht. Het Achterhuis is een medicijn (ik had eerst uppercut geschreven maar heb dit vervangen door het zachtere woord medicijn) tegen de ontmenselijking die we vandaag bijna dagelijks op ons bord krijgen. Anne Frank geeft de ‘andere’, in dit geval: de Joodse mens, een gezicht: dichtbij, warm en onvergetelijk.

Hier eindigt Annes dagboek.” (p. 298)

HipstamaticPhoto-591029804.567607.jpg

Ik praatte over mijn lectuur van Het Achterhuis in De Wereld van Sofie op Radio 1.

Het Anne Frank huis in Amsterdam

gelezen: Mason Currey: Dagelijkse rituelen

“Een wiskundige is een machine die koffie omzet in theorieën.” (p.228)

Uitspraak van de excentrieke Hongaarse wiskundige Paul Erdös. Gevonden in dit inspirerende boekje over de dagelijkse rituelen van Ernest Hemingway, Albert Einstein, Gerhard Richter, George Orwell, Francis Bacon en tientallen andere creatieve werkers of beroemde luilakken. Gebaseerd op de Daily Routines-blog van de auteur Mason Currey.

HipstamaticPhoto-590226014.448186.jpg
Een bijschrift invoeren

de Daily Routines-blog van Mason Currey

gelezen: P.F. Thomése: Schaduwkind

Gelezen: een boek over de dood van een kind. Dit prachtige, ontroerend boekje uit 2003 van de Nederlandse schrijver P.F. Thomése gaat over de dood van zijn dochtertje Isa, die zes weken oud was toen ze stierf. Thomése probeert in voorzichtige, ultrafijne woorden te vatten wat hem overkomt; de taal is zijn houvast:

Als ze er nog is, dan is het in de woorden waar ik ’s nachts op wacht. Soms ook voel ik haar nog, maar minder, steeds minder zijn mijn armen, mijn handen, is mijn huid nog aan haar gewend.” (p. 76)

Schaduwkind bestaat uit kleine scènes en bedenkingen over verdriet, onbegrip en vooral verwarring: Thomése zegt enkele keren dat hij na de dood van zijn kind opnieuw moet leren lopen, praten, leven. In het adembenemende stukje Pietà beschrijft hij hoe zijn vrouw omgaat met het gestorven lichaam van hun baby:

Je waste haar, gaf haar een schone luier, borstelde zachtjes haar krulletjes. (Zo mooi, zag ik je denken, haast niet voor te stellen dat dit kind door mensen was gemaakt.) Je maakte haar gereed, want ze ging nu zonder ons, ze moest voor het eerst alleen op reis, ja zo meteen werd ze opgehaald. Je waste haar, je oliede haar huid, je trok haar schone kleertjes aan, tot het klaar was en er niets meer te doen viel voor je.

En plotseling waren je armen zo leeg, je tilde het lijkje op en klemde het tegen je aan, zo wiegde je jezelf tot rust.” (p. 52, 53)

Onvergetelijk boekje vol stilte, afwezigheid en onmenselijke pijn. Danku Ann De Jaegher voor de tip.

HipstamaticPhoto-589210299.205775.jpg

gelezen: Virginia Woolf: Mrs. Dalloway

Gelezen: de klassieker Mrs. Dalloway van Virginia Woolf. Een worsteling. Het boek bestaat uit een bijna eindeloze opeenvolging van de gedachten van personages, 180 pagina’s lang. Respectvoller uitgedrukt: “Een roman die op uiterst behoedzame wijze de complexe en mysterieuze verhouding tussen tijd en bewustzijn verkent.” (uit het nawoord van Joke J. Hermsen, p. 189) Ik moet dit boek nog eens opnieuw proberen, later als ik groot ben.

Uitgeleend in bibliotheek De Krook in Gent. 

HipstamaticPhoto-586637680.317644.JPG

gelezen: Almar Otten: Gevallen engelen

Een boek lezen en vaststellen dat je je toevallig vlakbij het prachtige landhuis bevindt waar het hele verhaal zich afspeelt. Gelezen: Gevallen engelen van Almar Otten. Foto aan Museum Oud Amelisweerd bij Utrecht.

Almar Otten is een Nederlandse thrillerschrijver. Gevallen engelen is zijn eerste roman, een boek over vijf vrienden die gaan samenwonen in een verlaten landhuis. Hun buurman, de oude filosoof Michel, stelt hen een reeks fundamentele vragen die hun samenzijn en hun leven definitief veranderen.

Het onderwerp is fascinerend, maar de uitwerking stemt niet helemaal tevreden. Hoogmoed van Richard Hemker is voor mij de (veel) betere versie van dit boek. Feest van Dimitri Casteleyn de spannende thrillervariant.

Gekocht in boekhandel Limerick in Gent.

C4316456-AA5F-46A3-961E-A80EFE41F6B7.JPG

gelezen: George Orwell: 1984

Wat een fenomenaal boek, wat een onvergetelijke klassieker. Herlezen: het legendarische 1984 van George Orwell. Geschreven in 1950, maar griezelig relevant voor wat er vandaag in de (politieke) wereld gebeurt.

Winston Smith woont in Oceanië, waar iedereen en alles gecontroleerd wordt door de staat, gesymboliseerd door een soort mythologische figuur: Grote Broer, Big BrotherEen uitzonderlijke dictatuur: ze controleert niet alleen het doen, maar ook het denken van haar onderdanen. Daarvoor bestaat er een gedachtenpolitie en heeft iedereen in huis een telescherm hangen, waarmee de burgers programma’s kunnen bekijken en beluisteren, maar waarmee ze zelf ook bespied worden.

Het verleden bestaat niet voor de inwoners van Oceanië; ze leven in het eeuwige nu. De geschiedenis wordt volledig aangepast en herschreven zodat alles klopt met het partijstandpunt van vandaag, ook al wisselt dat voortdurend. Zoals het nu is, is het altijd geweest. Dissidenten verdwijnen, worden gevaporiseerd, en elke verwijzing naar hen wordt gewist, alsof ze nooit bestaan hebben. De officiële taal is Nieuwspraak, een taal met een veel kleinere woordenschat dan onze huidige talen, zonder dubbelzinnigheden en zonder de mogelijkheid om te discussiëren over andere politieke stelsels.

Er zijn vier ministeries: het Ministerie van Vrede (verantwoordelijk voor oorlogsvoering), het Ministerie van Liefde (verantwoordelijk voor ordehandhaving), het Ministerie van Welvaart (verantwoordelijk voor de economie) en het Ministerie van Waarheid, waar Winston werkt:

“… dat de burgers van Oceanië moest voorzien van kranten, films, schoolboeken, teleschermprogramma’s, toneelstukken, romans – en van elke denkbare vorm van voorlichting, onderwijs en amusement, van standbeeld tot leuze, van lyrisch gedicht tot biologische verhandeling en van abc-boek tot Nieuwspraakdictionaire.” (p. 46)

De laagste klasse van de samenleving, 85 procent van de bevolking, wordt de proles genoemd. Zij leven in armoede en hun denken hoeft niet gecontroleerd te worden; ze zijn enkel bezig met werken en kinderen grootbrengen. Voor hen worden in het Ministerie van Waarheid speciale producten gemaakt:

Er was een hele reeks speciale afdelingen, belast met proletarische literatuur, muziek, toneel en algemeen amusement. Hier werden prulkranten vervaardigd, waar bijna niets anders in stond dan sport, misdaad en horoscopen, sensationele stuiverromannetjes, films die dropen van seks en sentimentele liedjes die totaal mechanisch werden gecomponeerd op een speciaal soort caleidoscoop die de naam ‘versificator’ droeg.” (p. 46)

De job van Winston op het Ministerie van Waarheid is om krantenartikels uit het verleden te vervalsen zodat ze kloppen met wat er vandaag gezegd wordt. Maar hij begint illegaal een dagboek bij te houden, en hij wordt verliefd op Julia, wat verboden is; ze ontmoeten elkaar in het geheim.

Terwijl in Brave New World van Aldous Huxley de burgers perfect gelukkig zijn, leven ze in 1984 in armoede en ongeluk, maar wordt propaganda gebruikt om hun situatie rooskleuriger voor te stellen, en wordt het verleden als referentiekader weggenomen zodat niemand zich kan herinneren hoe het vroeger was.

1984 is een geweldig boek. Het is spannend, persoonlijk en uitstekend geschreven. En vooral is het ongelooflijk om de werkwijze van totalitaire regimes én van hedendaagse populistische partijen feilloos beschreven te zien in een boek uit 1950.

De linken met wat er vandaag gebeurt zijn ontelbaar: de controle die geheime diensten  op hun inwoners uitoefenen, marketing als dagelijkse propaganda, linken met trackers, gps-toestellen in smartphones, het volgen van online klikgedrag, toestellen als Alexa en Google Home waarmee elke burger een apparaat in huis haalt dat alles kan horen wat er gezegd wordt. Linken met de Amerikaanse president ook die waarheden ontkent, feiten verdraait en er zelf in gaat geloven. Dubbeldenk in de dagelijkse praktijk. 1984 is een onwezenlijk boek, een absolute must om te lezen. Grote aanrader. Ontleend in bibliotheek De Krook in Gent.

HipstamaticPhoto-584449998.825447.jpg

gelezen: Koen Peeters: Kamer in Oostende

Schrijver Koen Peeters doolt rond in Oostende, samen met zijn vriend en schilder Koen Broucke. Samen zoeken ze het pad van kunstenaars en schrijvers: James Ensor, Léon Spilliaert, Hugo Claus, Constant Permeke en Joseph Roth. Ze doorkruisen straten, stappen onuitgenodigd gebouwen en hotels binnen en spreken bewoners aan in de hoop dat die hen iets kunnen leren over de levensloop van een schrijver of een kunstenaar. Peeters en Broucke doen zo – heerlijk herkenbaar – aan een soort posthume stalking van artiesten.

Er staat roman op de cover van Kamer in Oostende, maar dat voelt vreemd: het boek is meer een schrijf- en schilderproject, een emotionele knipselmap gebaseerd op een dagboek. Het boek neemt je mee in het hoofd van twee kunstliefhebbers door een levende stad vol geheimen; het is een ode aan de zee, aan Oostende, aan de kunst en de vriendschap.

HipstamaticPhoto-583709425.531446.jpg