gelezen: Albert Camus: De vreemdeling

Ik heb de klassieker De vreemdeling van Albert Camus gelezen, een korte maar indrukwekkende roman over iemand die een moord pleegt.

De hoofdpersoon, Meursault, vertelt over zijn leven. Er gebeurt niet veel. Er ligt een regelmaat, een routine in zijn dagelijkse bezigheden, een gevoel van nutteloosheid ook. Als zijn moeder sterft, trekt hij naar de plaats waar ze in een rusthuis verbleef om daar de begrafenis bij te wonen. Maar alles gebeurt zonder veel emotie.

Op het einde van deel 1 slaat het noodlot toe. Tijdens een uitje aan zee schiet Meursault in een moment van verdwazing een vreemdeling dood, een Arabier die hij niet kent en die hem niks misdaan heeft, maar die ergens iets te maken heeft met de ruzie van een vriend.

In deel 2 zit Meursault in de gevangenis en wacht hij op zijn proces. Hij vertelt hoe hij zich bezighoudt tussen de muren van zijn cel. Er is een voortdurende leegte en verveling, als een spiegeling van deel 1 van het boek – zijn gewone leven. Hij krijgt een advocaat en wordt ondervraagd over zijn misdaad.

“Hij heeft me alleen nog gevraagd, nog steeds een beetje mat, of ik spijt had van mijn daad. Ik dacht even na en zei toen dat ik niet zozeer echte spijt voelde als wel een soort onbehagen.” (p. 81)

Meursault lijkt wel een toeschouwer van zijn eigen leven en van zijn eigen proces, alsof hij er niet veel mee te maken heeft, alsof zijn gevoel tekortschiet voor het echte leven, voor de reële impact van zijn daden.

De vreemdeling is een ongelooflijk boek, deels door het ijzersterke einde, deels door het gevoel dat je nooit grip krijgt op het personage; alles blijft ergens onvatbaar. En vooral door de levensvragen die Camus impliciet losmaakt via zijn personages.

Het is indrukwekkend hoe een schrijver met zulke eenvoudige zinnen toch zo diep en zo pregnant de kernvragen van het leven kan oproepen: Waarom leef ik? Wat ben ik hier aan het doen? Wat is de betekenis van mijn daden? Vragen over de absurditeit van het leven, zoals we zeggen.

Zoals Mohamed Ouaamari opmerkte in mijn podcast ‘drie boeken’: over het slachtoffer, de Arabier, gaat het niet. Geen moment.

Gelezen: Willem Elsschot: Pensioen/Het tankschip

Ik heb een pocket met twee verhalen van Willem Elsschot gelezen: Pensioen uit 1937 en Het tankschip uit 1941.

Pensioen gaat over een Vlaamse familie die probeert om het pensioen van hun gesneuvelde zoon op te strijken. In het tweede verhaal laat een man zich verleiden tot belastingontduiking bij de verkoop van een tankschip.

In beide verhalen tekent Elsschot een portret van kleine Belgen die zich niet bepaald van hun beste of meest gulle kant laten zien. Met als hoogtepunt de oude moeder in het eerste verhaal, een vreselijk kreng van een vrouw, een onvergetelijk personage.

Net zoals in Kaas, Villa des Roses en Lijmen/Het been schrijft Elsschot ook in Pensioen en Het tankschip met humor en met een feilloos inzicht in de mensen rondom ons. Vooral Pensioen is een aanrader. Bestel hier het verzameld werk van Elsschot.

gelezen: Stephen King: On Writing

On Writing (bestel hier) is het boek waarin The King of Horror zijn schrijfgeheimen onthult.

In deel 1 vertelt Stephen King over het begin van zijn carrière, en over de momenten in zijn leven die bepalend waren voor zijn schrijven. Deel 2 gaat over het schrijven zelf: hij deelt zijn persoonlijke ervaring, en geeft een kijk achter de schermen van het schrijfproces, inclusief de twijfels, de rommeltjes, het succes en de mislukkingen.

Zijn drie grote schrijftips:

  1. Story. Story. Story. Alles dient om het verhaal te vertellen.

2. Schrap zoveel mogelijk bijwoorden.

3. Maak je tweede draft tien procent korter dan de eerste.

Hij spreekt ook over je ideale lezer, over plot versus verhaal, en hoe belangrijk lezen is voor een schrijver.

On writing is een unieke blik in de keuken, een fascinerende inkijk in het leven en het beroep van de professionele schrijver. Ik heb het gelezen als een pageturner.

Bestel het boek hier. (affiliate)

gelezen: Erik Vlaminck: Een berg mens onder witte lakens

De schrijver verblijft in het ziekenhuis, in het bed naast hem ligt een vrachtwagenchauffeur. De man zwijgt geen moment en vertelt stukken en brokken van zijn levensverhaal. Tussenin krijgen we te lezen wat er écht gebeurd is, leren we de hoofdpersonages in zijn leven kennen, ontdekken we de dramatische gebeurtenissen die de man hebben bepaald.

Een berg mens onder witte lakens is schitterend gecomponeerd, met de eenvoud en het gemak die de meester verraden. Met een stijl en een taal die zo typerend zijn voor Erik Vlaminck, en ook hier weer zijn aandacht voor de mens die het in het leven niet getroffen heeft. Wat een mooi en pakkend boek.

Bestel het boek hier. Ik kreeg Een berg mens onder witte lakens cadeau van Erik Vlaminck toen ik hem sprak voor de podcast ‘drie boeken’.

gelezen: Berlinde De Bruyckere, Erwin Mortier, Stijn Huijts, Zbigniew Herbert: Engelenkeel

Engelenkeel is een kunstboek, uitgegeven bij de gelijknamige tentoonstelling van de Gentse kunstenares Berlinde De Bruyckere in museum Bonnefanten in Maastricht.

Naast schitterend gedetailleerde foto’s van het werk van De Bruyckere, genomen in haar studio in Gent, is er een analyse van de engelen in haar oeuvre, geschreven door de directeur van Bonnefanten, Stijn Huijts. Er staan ook twee engelengedichten in het boek van de Poolse dichter Zbigniew Herbert. (Meer over Zbigniew Herbert hoor je in de podcast ‘drie boeken’ aflevering 53 met Erwin Mortier.)

En dan is er Erwin Mortier zelf, die drie korte verhalen schreef voor het boek, waarvan het laatste een absoluut hoogtepunt is: De engelenmaakster is een ongelooflijke tekst over een oude vroedvrouw in een dorp, knarsend en zinderend van spanning, elk woord een venijnige naald. Een verhaal waardoor de wereld eventjes kraakt in haar voegen. Erwin Mortier op zijn allerbest. En dat wil wat zeggen.

gelezen: Linda Polman: De crisiskaravaan

Wat is er mis met humanitaire hulp? Over wat Live Aid écht gerealiseerd heeft, over donor darlings en landingsbanen, over hulporganisaties als actieve spelers in de oorlogsvoering.

In De crisiskaravaan (bestel hier) beschrijft journaliste Linda Polman het probleem van humanitaire acties. Ze legt uit dat hulporganisaties zoals Het Rode Kruis, Artsen Zonder Grenzen en Caritas deel zijn van een gigantische noodhulpindustrie waar massaal veel geld in omgaat, een industrie met concurrentie, targets en marketing, en dat de vraag zich stelt of ze niet meer kwaad dan goed doen.

Haar belangrijkste punt: hulporganisaties spelen een grote rol in de oorlogsvoering, ook al doen ze alsof ze neutraal zijn en enkel slachtoffers willen helpen. Ze toont hoe hulporganisaties door alle strijdende partijen ingeschakeld worden voor hun militaire doelen: om hun troepen te voeden, om veilige enclaves te creëren tegen de vijand, om volkeren op hun plaats te houden, om terroristische dreiging te verminderen.

Hulporganisaties moeten vaak onderhandelen met minstens één van de strijdende partijen om te mogen werken of hulpgoederen in een gebied binnen te brengen. Ze betalen belastingen, of een percentage van de goederen zelf wordt afgestaan en gaat dus niet naar de mensen voor wie ze bedoeld zijn.

Zo beschrijft ze de befaamde hongersnood in Ethiopië in de jaren 80 als een bewust georganiseerde actie van de regering tegen een rebellengroep. De sympathieke artiesten die optraden tijdens Live Aid hielden vooral een dubieus regime aan de macht. Ze vertelt uitgebreid over Goma, waar de vluchtelingenkampen vol zaten, niet met de slachtoffers, maar met de daders van de afslachting van de Rwandese Tutsi’s.

Een ander probleem: de oorlog of de rampsituatie wordt door de komst van hulpverleners vaak verlengd. Landen waarin hulporganisaties toestromen na een humanitaire ramp, laten volgens Linda Polman alles vallen om zich te richten op het verlengen van de hulp. De donaties zijn de grootste inkomstenbronnen van het land en ze proberen dit zo te houden. Ze vertelt het hallucinante verhaal van een kamp met geamputeerden in Sierra Leone, die met geen stokken weg te krijgen zijn uit hun vluchtelingenkampje omdat hun zielige uitzicht hen zoveel hulp oplevert.

Ethische afspraken over de omgang met strijdende partijen en over wie hulp krijgt, worden steeds moeilijker omdat er zò veel hulporganisaties zijn. Over Goma:

“Op de hulpoperatie in het Grote-Merengebied wierpen zich niet minder dan tweehonderdvijftig (hulporganisaties). Plus acht VN-afdelingen, ruim twintig donorregeringen en -instituties en een niet te tellen aantal door de donoren betaalde lokale hulporganisaties.”

Voorts vertelt dit boek over de rijkelijke levensstijl van de duur betaalde westerse hulpverleners. Over het gebrek aan controle op hoe het geld gebruikt wordt. De auteur beschrijft de willekeur en de mediacultuur die sommige rampen tot ‘donor darlings’ maakt en andere links laat liggen. Ze vertelt over kleine plaatselijke westerse organisaties (lees: wij allemaal) die – wellicht goed bedoeld – nutteloze hulp verzamelen of de situatie ronduit slechter maken.

De crisiskaravaan toont een falikante omdraaiing van doel en middelen: de hulporganisatie die vooral zichzelf probeert te laten bestaan, de hulp zelf die de grootste economische activiteit van een regio blijft. Het resultaat op lange termijn wordt niet in vraag gesteld; wat telt is dat de hulpindustrie blijft draaien.

Linda Polman laat in dit boek uit 2008 enkel de negatieve kant van hulpverlening zien. Wellicht zijn er ook voorbeelden te vinden van situaties waarin er voor een bevolking oplossingen op lange termijn gevonden worden. Maar de problemen in het boek zijn schrijnend genoeg om ons grote zorgen te maken. Zonder in te gaan op mogelijke oplossingen, verscherpt het onze kritische blik naar hulporganisaties en televisiebeelden toe, en dat is altijd een goede zaak.

“Landingsbaaneffect – Als een ramp zich voltrekt naast of in de buurt van een vliegveld, zoals in Goma (1994), komen er meer hulporganisaties en media op af dan wanneer een ramp plaatsgrijpt in bijvoorbeeld Kashmir (2005), waar hulporganisaties de door een aardbeving getroffen bergbewoners te voet, op een ezel, of per peperdure gecharterde helikopter moesten zien te bereiken.” (p.195-196)

Bestel het boek hier. (affiliate) De crisiskaravaan werd aangeraden door Jan Verheyen in de podcast drie boeken.

gelezen: Ayn Rand: The Fountainhead

Ik heb een kanjer gelezen. De roman The Fountainhead (bestel hier) telt 805 pagina’s en werd mij hartstochtelijk aangeraden door ondernemer en drie boeken-podcastgast Rudi De Kerpel. Zò hartstochtelijk, dat hij het kocht en mij cadeau deed. Hij vertelde dat dit boek zijn leven heeft veranderd.

The Fountainhead gaat over een architect, Howard Roark, die sinds zijn studententijd exact weet wat hij wil bouwen en op welke manier. Hij is eigenzinnig, op een extreme manier: hij wil dat er niets verandert aan wat hij bouwt. Dat is de enige voorwaarde waaronder hij wil werken, wat het erg moeilijk maakt om opdrachten te krijgen.

Zijn medestudent en collega-architect Peter Keating daarentegen maakt wat het publiek wil, hij buigt naar de trends van de tijd en waait met de wind, wat hem aanvankelijk veel succes oplevert. Het boek vertelt het levensverhaal van deze twee personages, aangevuld met mediamagnaat Gail Wynand en de merkwaardige vrouw Dominique Francon, die Roark tegelijk steunt en saboteert.

The Fountainhead is een roman uit 1943 die het individualisme, de sterke persoonlijkheid hoog in het vaandel voert. De roman bejubelt sterke individuen als drijvende kracht van alles wat de samenleving voortstuwt. De rest wordt ‘tweedehands mensen’ genoemd: mensen die drijven op prestige, dus op de mening van anderen. De afwezigheid van enig ‘zelf’ bij mensen is verschrikkelijk.

“Er is geen hoger doel dan de mens zelf.” (p. 631)

The Fountainhead is naast een ode aan de scheppende kracht van de mens vooral een kritiek op het collectivisme, op de gelijkschakeling van iedereen. Eén voorstander van het collectief in het boek, de socialist Ellsworth Toohey, doet in zijn werk als cultuurcriticus zijn best om het begrip ‘kwaliteit’ te vernietigen. In zijn krantenrubriek hemelt hij middelmatigheid op, probeert hij elke notie van excellentie te verdelgen. Niets mag uitsteken boven het maaiveld. Op die manier bekritiseert het boek ook de populaire media, die middelmatigheid ophemelen en hoogstaande artistieke prestaties belachelijk maken.

Delen van het boek deden mij hard denken aan wat ik bij Nietzsche las: The Fountainhead verkettert het concept zelfopoffering als een uiting van zwakte en bekritiseert een maatschappij waarin opoffering centraal staat. Volgens Nietzsche hebben we dit te danken aan het christendom.

The Fountainhead is een te lang, maar op zijn minst een interessant boek dat doet nadenken over de verhouding individu – maatschappij, over ambitie, liberalisme en de functie van een sociaal-maatschappelijk stelsel. Ook al ben je het niet honderd procent eens met het politiek-filosofische uitgangspunt. Howard Roark is een inspirerend personage, dat vanuit zijn ijzersterke wil niet in staat is om compromissen te sluiten, maar wel snoeihard zijn eigen weg volgt.

“Ik heb ernaar uitgekeken om hier te mogen staan en te zeggen dat ik een mens ben die niet bestaat voor anderen.” (p. 794)

Luister hier naar de drie boeken die je moet gelezen hebben volgens Rudi De Kerpel.

Ik las het boek in het Nederlands: De eeuwige bron (bestel hier).

gelezen: Albert Camus: De val

Ik heb De val van Albert Camus gelezen, een fascinerende roman uit 1956. De val (bestel hier) gaat over Jean-Baptiste Clamence, een rechter die een man aanspreekt in een café in Amsterdam. Hij vertelt over zichzelf, over hoe hij in het leven staat, én over het moment dat zijn leven veranderde: hij zag een vrouw op een brug in Parijs. Hij liep haar voorbij, hoorde een plons en een gil toen ze meegesleurd werd met de stroming van de Seine en dan niets meer. De val van deze vrouw is voor hem een breuk, een levensbepalend moment: het moment dat de vrijheid ondraaglijk wordt.

“Op dat ogenblik viel in mijn dagelijkse bestaan de gedachte aan de dood in.” (p. 75)

Als rechter is hij beroepshalve bezig met schuld/onschuld en rechtvaardigheid. Na de val van de vrouw voelt hij zich anders: niet meer schuldeloos. De machine begint kuren te vertonen. Het hele boek wordt een beschuldiging, van zichzelf maar uiteindelijk – als spiegel – van iedereen.

De evidente verwerping van het katholieke geloof speelt een fijne rol in het boek. Mensen hebben geen god meer en ook geen alternatief en ze weten zich geen weg. De val van de vrouw, de zondeval, opent de ogen. De rechter zegt ook: Vergeef de paus, het is de enige manier om boven hem te komen te staan.

De val is een roman over vrijheid, macht, oordeel en schuld, waarin een volledig moreel kader onderzocht wordt op slechts iets meer dan 100 bladzijden.

“Hoe meer ik mezelf beschuldig, met des te meer recht oordeel ik over u.” (p. 119)

Ik heb De val van Camus ontleend in stadsbibliotheek De Krook in Gent. Je kan het boek hier kopen (affiliate).

gelezen: Sami Said: De mens is de mooiste stad

Sami Said is een Zweedse schrijver geboren in Eritrea. In zijn roman De mens is de mooiste stad vertelt hij over San Francisco, een jonge Afrikaan die op zoek gaat naar een beter leven. Hij belandt in noord-Europa en moet er in moeilijke omstandigheden leven: hij wordt geconfronteerd met uitsluiting, maffiatoestanden en haat tegenover vreemdelingen.

De mens is de mooiste stad geeft bij tijden een boeiend beeld van het leven van een vluchteling: de onzekerheid, de voortdurende dreiging, de neiging tot onderdanigheid die een gevolg is van de wankele positie. Ondanks het onderwerp schrijft Sami Said meestal luchtig en grappig, met een bizarre humor. Tegelijk zijn de dialogen soms moeilijk te volgen. Ik ben niet helemaal overtuigd, al heeft Sami Said duidelijk een eigen stem en is zijn roman een meerwaarde voor ons per definitie beperkte beeld van vluchtelingen in Europa.

“‘Weet je, San Francisco,’ zei die ene achter de kassa, Irma, ‘jouw naam is nog stommer dan koeienpoep’, terwijl ik mijn best deed om de munten in mijn zakken te vermenigvuldigen. Lieverds, waarom hebben jullie mij verlaten? Hadden jullie niet beloofd om tot het einde aan mijn zijde te blijven? Zes, zeven, twaalf munten wurmde ik uit mijn broekzak op de toonbank. (p. 9)

Ik heb De mens is de mooiste stad ingelezen bij Blindenzorg Licht en Liefde als luisterboek voor de Luisterpuntbibliotheek. Bestel het boek hier. (affiliate)

gelezen: Max Porter: The Death of Francis Bacon

Gisteren heb ik samen met twee vrienden gedurende anderhalf uur dit boekje besproken, we hebben gezocht, gedacht, geanalyseerd, gediscussieerd, en ik begrijp er nog steeds niks van.

The Death of Francis Bacon (bestel hier) is een werkje waarin de Britse schrijver Max Porter aan de slag gaat met de wereldberoemde schilder Francis Bacon. In 7 hoofdstukken en 74 bladzijden beschrijft Porter de indrukken van de schilder die op sterven ligt in Madrid. Er komen geliefden en vrienden op bezoek, er komen schilderijen voorbij, scènes uit zijn leven. Elk hoofdstuk draagt als titel de technische beschrijving van een (fictief?) schilderij: “Oil on canvas, 651/2 x 56 in.” (p. 13).

Misschien is het een fictief verhaal over de laatste dagen van Francis Bacon. Misschien zijn het hallucinaties en waanbeelden van een stervende. Het is onduidelijk. Als lezer word je in het ongewisse gelaten.

Max Porter gebruikt afwisselend korte dialogen en stukken proza, citaten en korte gedichten, in een boek vol herhalingen en variaties. The Death of Francis Bacon is een wervelend muzikaal en poëtisch huzarenstukje. In een begeleidend filmpje vertelt Max Porter dat hij wilde schrijven zoals Francis Bacon schildert.

Maar ondanks de bevlogenheid en de verrukkelijke taal, blijft het boekje bijzonder hermetisch. Ik zeg het: ook na anderhalf uur bespreking begrijp ik er inhoudelijk niet veel van.

Ik las The Death of Francis Bacon in het Engels. Ik kocht mijn exemplaar in boekhandel Limerick in Gent.

“The purple, the orange, the shocking pink, the great lilac mistake, the poor man got so used to seeing his huge paintings in huge galleries, pumped up with huge space, huge palettes, huge cheques, he egged himself on to absolute banality, temper tantrums that he can’t actually make a figure move, and then his best pictures looked familiar, and fetched a pretty penny, because they were copies of his earlier worst, his sturdier work, his curdling burst of fifties kitsch, his own podgy face trademarked, pretending it confronted death when all it did was illustrate again and again a lazy fear of it.” (p. 38-39)

gelezen: Sabien Clement, Maud Vanhauwaert: Ik ben weer velen

Ontroerend prachtwerkje gelezen van illustratrice Sabien Clement en dichteres Maud Vanhauwaert. Ik ben weer velen uit 2018 vertelt in vier seizoenen het verhaal van een liefde. Zomer-herfst-winter-lente. De hoop overwint.

Ik had beide artiesten te gast in mijn podcast drie boeken. In de aflevering met Sabien Clement vertelt ze de ontstaansgeschiedenis van dit boek. Hoe de tekeningen op basis van de fotografie van Eadweard Muybridge voortkwamen uit een emotioneel erg zware periode, en hoe Maud Vanhauwaert woorden en zinnen toevoegde. Luister eerst naar de podcast drie boeken met Sabien Clement, en lees daarna dit boek.

“we vielen in elkaars armen uiteen”

gelezen: Ahmet Altan: Ik zal de wereld nooit meer zien. Aantekeningen uit de gevangenis

Ik zal de wereld nooit meer zien is het verhaal van een politieke gevangene. De Turkse schrijver en journalist Ahmet Altan werd na de mislukte staatsgreep van 2016 in Turkije opgepakt en zit sindsdien in de cel. In dit boek uit 2018 beschrijft hij hoe hij werd gearresteerd, veroordeeld tijdens een schijnproces en opgesloten. Hij beseft dat hij nooit meer buiten komt.

“We zullen de rest van ons leven alleen in een cel van drie bij drie meter doorbrengen, terwijl we maar een uur per dag naar buiten mogen voor zonlicht.

We zullen nooit gratie krijgen en we zullen sterven in een gevangeniscel.

Dat is het vonnis.

(…)

Ik zal de wereld nooit meer zien, ik zal nooit meer een lucht zien die niet is begrensd door de muren van een binnenplaats. (p. 148)

Ahmet Altan slaagt erin om een indrukwekkende positiviteit te ontwikkelen vanuit zijn – letterlijk – uitzichtloze situatie. Hij gebruikt zijn verbeelding om leven te blazen in “het gestorven leven” (p. 92). Hij beschrijft hoe hij in zijn hoofd scènes maakt voor toekomstige romans, hoe hij in gedachten overal ter wereld wakker wordt, en niet in de gevangenis. De bladzijden van het manuscript voor dit boek werden door zijn advocaat uit zijn cel gesmokkeld.

Ik zal de wereld nooit meer zien is intens, beklijvend en angstwekkend. Ik kreeg het boek cadeau van Erik Vlaminck, voorzitter van PEN Vlaanderen, na onze opname voor de podcast ‘drie boeken’.

Ahmet Altan op de website van PEN Vlaanderen

gelezen: Roderik Six: Monster

Ik heb de nieuwe roman van Roderik Six gelezen: Monster. Een verhaal over een man die de dood van zijn vrouw Véronique niet kan verkroppen; zij is omgekomen in een auto-ongeval. Op alle mogelijke manieren protesteert zijn geest en zijn lijf tegen wat er is gebeurd.

Hij hangt tussen opgeven en wraak. Hij wankelt op de grens tussen nihilisme en zingeving. Hij is buiten zichzelf. Het boek is warrig, zoals het hoofd van de hoofdpersoon. Er wordt geslapen, gedroomd, wakker geworden en gezwijmeld; er is veel ruis, een deel van het verhaal lijkt zich af te spelen in een onduidelijke waak/slaap-toestand van de hoofdpersoon.

“De volgende dagen ben ik meestal dronken.” (p. 19)

De vrouwen in dit boek zijn vaak duivelse wezens: de beroemde zangeres Ulrike, vriendin Anna, de advocate. Het zijn bijna-heks-achtigen die het gemis van zijn eigen vrouw benadrukken.

Monster lijkt een karakteroefening, onheilspellend maar ook verwarrend, soms onduidelijk. Roderik Six dolt met woorden en – zoals steeds – met de duistere kant van de menselijke ziel. In De Groene Amsterdammer staat een uitstekende recensie, waarin de link wordt gelegd met De vreemdeling van Albert Camus.

Over de begrafenisondernemer: “Het leven kent geen geheimen voor de man die voor de dood werkt.” (p. 25)

Eerder las ik de vorige romans van Roderik Six: Vloed, Val en Volt. Roderik Six was ook te gast in mijn podcast ‘drie boeken’. Ontdek hier welke drie boeken je volgens hem moet gelezen hebben (waaronder Camus).

gelezen: Dimitri Verhulst: In weerwil van de woorden

Het nieuwe boekje van Dimitri Verhulst gaat over een man die klaar zit om opgehaald te worden; hij verwacht politie, een psycholoog, een deurwaarder, omdat hij al maanden weigert om zijn post te openen. Zijn naam: Pol Verholst. Voorbeschikt om postbode te worden zoals zijn vader, werd hij uiteindelijk tandarts.

In weerwil van de woorden is een verhaal over een man die weigert om mee te draaien met de samenleving, over de ontmenselijking door de bureaucratie en het bijhorende ambtenarees. Het boek bevat enkele fraaie momenten, zo beschrijft Verhulst de gerechtspsycholoog als de “gerechtelijke pissoloog”, “een vent met het uiterlijk van een parkeermeter” (p. 14)

Opvallend: de boeken van Dimitri Verhulst – nooit dik geweest – worden steeds dunner. In weerwil van de woorden telt nog 86 kleine pagina’s.

“Ik had, Edelachtbare, een ziekte. Het openen van brieven was voor mij iets fobisch geworden. En de ziekte, waarvan velen opeens zullen erkennen dat ze er in meerdere of mindere mate ook hun deel van hebben, zal een naam krijgen. De Ziekte van Verholst!” (p. 12)

gelezen: Erik Vlaminck: Suikerspin

Gelezen op aanraden van Roos Van Acker in de podcast drie boeken: Suikerspin van de Vlaamse schrijver Erik Vlaminck.

Suikerspin vertelt het verhaal van een Vlaamse kermisfamilie van eind 19de eeuw tot nu. Centraal staat Arthur Van Hooylandt, uitbater van een kindermolen. In het begin van de 20ste eeuw trok zijn grootvader Jean-Baptist de kermissen rond met een barak waarin hij ‘menselijke fenomenen’ tentoonstelde, onder wie de Siamese tweeling Joséphine en Anastasia. We volgen het leven van de kermisuitbaters, de opkomst van de cinema, de miserabele omstandigheden, het misbruik dat nauwelijks in vraag werd gesteld.

Suikerspin is een absoluut meesterwerk: intens, vol bravoure, schitterend geschreven, magistraal gecomponeerd. Ontroerend, grappig, bijtend, snoeihard. Met een parade aan onvergetelijke hoofdfiguren. Suikerspin is: een ongelooflijk boek. Waarbij je tijdens het lezen verbijsterd aan de schrijver wil vragen: hoe durf je? Hoe durf je dit schrijven? Wat een boek. Wat een belevenis.

“‘Wijven zijn crapuleuze serpenten. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en als het moet desnoods ook in het midden van de nacht doen ze niks anders dan in volle toerekeningsvatbaarheid kuren uithalen om venten volslagen hoorndol en ziekelijk hitsig te maken en dus lopen ze rond met kilo’s schmink en andere dwaze prullen om hun vel te maskeren en paraderen ze in frullekes van kleren waar ge de spleet van hun bruine tetten in kunt zien terwijl ze boven op hun kop een criminele zonnebril in hun haar hebben gestoken, ook als ’t regent of als ’t donker is.'” (p. 13)

Luister hier naar Roos Van Acker die Suikerspin koos als één van de drie boeken die je volgens haar moet gelezen hebben. Eerder las ik van Erik Vlaminck Dikke Freddy in het zilver en Het schismatieke schrijven.

gelezen: Peter Terrin: Al het blauw

Ik heb de nieuwe roman van de Vlaamse auteur Peter Terrin gelezen. Al het blauw is het verhaal van de 19-jarige Simon, die stopt met studeren en een geheime relatie met Carla begint. Carla is dubbel zo oud en de uitbaatster van Azzurra, de kantine van het plaatselijke zwembad. Ze is getrouwd met vrachtwagenchauffeur John, die haar slaat.

Al het blauw is een verstilde tekening van een subtiel web van menselijke relaties. Het gaat over liefde en vriendschap, over onuitgesproken wensen en verlangens, over wat mensen weten van elkaar en wat niet. Geen enkel personage is een open boek. Het spreken is altijd verwrongen. Het is helemaal Vlaanderen: de ongemakkelijkheid van de communicatie drukt op elke bladzijde.

Bovendien is er veel stilte in het boek, stilte die steeds onderbroken wordt door rimpelingen: het water van het zwembad dat verlaten is als Simon en Carla elkaar ontmoeten, de stilte in het landschap, en John die met de toeter van zijn vrachtwagen een rimpeling veroorzaakt. Stilte in stroeve gesprekken. En Simon, die zwijgzaam is. Er wordt veel gezwegen in dit boek.

Het centrale beeld van Al het blauw is het water van het zwembad, dat door het vensterglas voor een mysterieuze blauwe schijn in de kantine zorgt. Het zwembad is een plaats van plezier, van spelende kinderen en primaire verlangens, de kantine is een plaats van geheimen, een plaats waar mensen elkaar in de gaten houden om verborgen boodschappen te vinden.

Peter Terrin beschrijft dit alles heel voorzichtig, alsof het evengoed niet waar kan zijn. Zijn personages zijn magistraal in hun verkrampte ongemakkelijkheid. Vooral Simon is zo waarachtig dat je het gevoel hebt dat de schrijver zichzelf beschreven heeft. Al het blauw is een bijzonder boek. Aanrader.

“De hele dag is een feestelijk verpakte belediging.” (p. 248)

gelezen: Ilja Leonard Pfeijffer: Quarantaine. Dagboek in tijden van besmetting

Quarantaine is een verzameling dagboekfragmenten, geschreven als columns voor de kranten De Standaard en NRC Handelsblad. Ilja Leonard Pfeijffer woont en werkt in het Italiaanse Genua. Hij begon aan het dagboek twee dagen vòòr de lockdown in maart 2020; het boek eindigt in juni, 40 dagen na de quarantaine. In het epicentrum van de pandemie beschrijft hij het leven met zijn vrouw Stella, de beslissingen van de overheid, de reacties van de Italianen.

Quarantaine is zwierig geschreven en met een gemak dat de grote meester verraadt. Het decor is dystopisch, bijna apocalyptisch. Toch bevat het boek veel minder humor dan we van Pfeijffer gewoon zijn. Het is éénlijniger (is dat een woord?), er is geen spelen met humor, genres, taal en mensen, wat uiteraard komt door de dramatische gebeurtenissen die aan de basis liggen van dit boek.

“Toen belde een vriend van Stella. Hij had koorts en hij hoestte.” (p. 12)

Eerder las ik van Ilja Leonard Pfeijffer La Superba, Grand Hotel Europa en Brieven uit Genua.

gelezen: J.M. Coetzee: Wereld en wandel van Michael K

Ik heb deze prachtige, ontroerende roman van J.M. Coetzee gelezen op aanraden van Hilde Van Mieghem.

Hoofdfiguur Michael K is geboren in Zuid-Afrika met een hazenlip, hij werkt een tijd bij de groendienst van de stad maar hij vlucht voor de oorlog: eerst samen met zijn moeder, later alleen. Hij woont langs de weg als een zwerver, leeft in een grot in de bergen, belandt in een werkkamp en op landerijen naast een verlaten boerderij. Daar kweekt hij pompoenen op een akkertje en woont hij in een hol. Hij verzwakt, eet bijna niets meer, en wordt zo steeds meer één met de natuur. Uiteindelijk wordt K verdacht van het helpen van vijandelijke troepen en wordt hij meegenomen naar een heropvoedingsgevangenis.

Wereld en wandel van Michael K is een schitterende roman over een arme figuur die verstandelijk niet helemaal ontwikkeld lijkt en die zich niet thuisvoelt in de samenleving. Als er bovendien nog oorlog uitbreekt, valt hij volledig tussen de plooien en is er voor hem geen enkel vangnet. K blijft onzichtbaar binnen de administratie van de oorlog. De roman voelt soms dystopisch aan en gaat over natuur, mens en diepe, fundamentele eenzaamheid.

Wereld en wandel van Michael K is een onvergetelijk boek. Het won in 1983 de prestigieuze Booker Prize. Het werd vurig aangeraden door Hilde Van Mieghem in de podcast drie boeken.

“Je bent net een wandelende tak, Michaels, wiens enige verweer tegen een wereld van roofdieren zijn bizarre uiterlijk is. Je bent net een wandelende tak die, God weet hoe, midden op een onmetelijke kale betonvlakte terecht is gekomen.” (p. 182)

gelezen: Connie Palmen: De wetten

Ik heb het debuut van Connie Palmen uit 1991 herlezen. Het hoofdpersonage in De wetten is een jonge vrouw die filosofie studeert en op zoek is naar zichzelf; doorheen het boek ontmoet ze zeven mannen: de astroloog, de epilepticus, de filosoof, de priester, de fysicus, de kunstenaar en de psychiater.

De wetten lijkt de beschrijving van de persoonlijke en filosofische ontwikkeling van het hoofdpersonage. Het boek begint met de astroloog, het niet-rationale houvast; hij sterft en wordt begraven aan het begin van het hoofdstuk over de fysicus. Tijdens het afleggen van haar masterproef filosofie (haar ‘doctoraalscriptie’), ontmoet ze de kunstenaar. “Daarna zei ik: ‘Ik zoek je al heel lang’.” (p. 196) Het boek eindigt met een bezoek aan de psychiater: het sluitstuk van haar zelfontdekking en het begin van haar schrijverschap.

De wetten is filosofischer dan ik mij herinnerde, moeilijker ook, veel bewust-erudieter dan I.M. bijvoorbeeld, wat vergeleken met dit boek een eenvoudig, veredeld dagboek is. De wetten is spannend, op een intellectuele manier. Het is gedurfd door zijn complexiteit en zijn onbeschaamd intellectualisme. Een boek over filosofie en wetenschap, over liefde en schrijven, over jezelf ontdekken doorheen anderen.

“De astroloog ontmoette ik voor het eerst in de zomer van 1980. Het was op een vrijdag de dertiende.” (p. 9)

gelezen: Cixin Liu: Het Drielichamen Probleem

Ik heb dit boek gelezen als opdracht voor Uitgelezen, het literaire evenement van de Vooruit in Gent. Op eigen initiatief had ik het wellicht nooit vastgenomen: het ziet eruit als een science-fictionboek, en dat is het ook. Maar wat een ontdekking. Wat een fenomenaal boek. Wat een rijke, wonderlijke bron van lees- en denkplezier. Het beste is om niks over dit boek te weten als je eraan begint (zoals bij elk boek). In mijn bespreking hieronder doe ik mijn best om mijn enthousiasme te tonen zonder teveel weg te geven van de inhoud.

Het Drielichamen Probleem speelt zich af in China na de Culturele Revolutie. Er is sprake van een militaire basis op een berg: de Rode Kustbasis, waar een geheim programma van het Chinese leger wordt uitgevoerd. De hoofdpersonages zijn Ye Wenjie die op de Rode Kustbasis werkt en Wang Miao, een nanotechnoloog. Hij belandt in een game waarin de leefbaarheid van de wereld bepaald wordt door niet één, maar drie zonnen.

Het boek is ongelooflijk rijk en dens geschreven. De gemiddelde hoeveelheid informatie per bladzijde ligt ongewoon hoog. En het is heerlijk complex. Het boek verwijst geregeld naar de Chinese politiek en geschiedenis, en speelt zich af in een maatschappij waarin puur wetenschappelijke onderzoeksdaden politiek geïnterpreteerd worden. Een maatschappij die in angst leeft. Maar uiteindelijk draait het vooral rond wetenschap: fysica en astrofysica. Tegelijk gaat het boek over onze beschaving en stelt het vragen over wat beschaving is en waarvoor beschaving dient, over politiek en autocratie.

Het Drielichamen Probleem bevat enkele onvergetelijke beelden: de menselijke computer, de ruimtecountdown, de aanval op het schip in het Panamakanaal, de deeltjesversneller in de lucht, de gigantische slinger in Trisolaris.

Voor mij is dit boek een kennismaking met science fiction, maar ik vermoed dat het niveau zò hoog is dat weinige schrijvers zich met Cixin Liu kunnen meten. Cixin Liu is dan ook – lees ik – één van de grootste science-fictionschrijvers van China. Er zijn ook twee sequels op dit boek.

Het Drielichamen Probleem is – letterlijk – een ongelooflijk boek dat je gedachten over mens en maatschappij overhoop haalt, een weergaloze trip door ruimte, verleden en toekomst, een fantastische ontdekking.