Robbie Williams

Vandaag hebben wij gelukwensen gekregen van Robbie Williams, de wereldberoemde zanger, vroeger bekend van Take That en nu van zichzelf.

Het gebeurde niet op het podium. Waarbij Robbie door de microfoon riep: “By the way, congratulations Wim and Marie with your beautiful baby!” en het hele Koning Boudewijnstadion in een uitzinnig applaus losbarstte. Neen.

Het gebeurde ook niet bij ons thuis. Robbie kwam niet op visite met zijn vrouw en zijn bodyguards, waarbij hij zijn speculoosje in zijn bakje koffie doopte en verklapte dat hij onze Roos de mooiste en liefste baby vond die hij ooit had gezien.

Het gebeurde op de radio.

Ik had Robbie Williams aan de lijn voor een gesprekje over muziek. Maar het ging na welgeteld één minuut al over zijn baby, een dochtertje, Theodora Rose, “we call her Teddy”.

Rose dus. Geboren exact twee dagen na onze Roos, op 18 september 2012. Ook zijn eerste kindje.

Ik vond het persoonlijk een waanzinnig grappig toeval dat ik twee dagen vòòr Robbie ook een dochtertje gekregen had, met dezelfde naam! (bijna)

Robbie ging er niet op in hoe hilarisch bescheurend hij dat zelf vond, maar hij zei wel: “congratulations dad”! Een tikje te enthousiast, zoals popsterren over hun nieuwe album spreken.

Hij vroeg hoe ik me voelde, “It’s amazing, right? You feel the same way? You’re in love?”, hij vroeg of alles goed ging met de baby, vertelde dat zijn vrouw beneden in de living hun baby aan het voeden was, dat ze reflux had (de baby, niet de vrouw) en raadde mij stellig aan om een tattoo te nemen met Roos erop.

Er werd wat heen en weer gevraagd over de nachtrust van de baby, en daarna ging het weer over de muziek.

Robbie begon niet over een eventueel babybezoek; we hebben hem nog niet gezien hier in Gent. Ook over een uitwisseling van cadeautjes voor de baby’s werd met geen woord gerept. Maar dat is niet erg. Het is niet het cadeau dat telt. En je moet Robbie Williams niet in de bek kijken. Zeg ik altijd.

b97201f4e723f634826c2dd2a085fb69

Chihuahuasaurus

Dinosaurussen zijn het fauna-equivalent van de Eiffeltoren: supergroot, superoud, superduidelijk. De fascinatie van kinderen is ontzaglijk; ze krijgen er niet genoeg van.

Het is dinoweek op school. Er worden dino’s getekend en geknutseld. De kinderen leren welke merken van dino’s er zoal bestonden, hoe gigantisch ze wel waren, welke monsterachtige geluiden ze maakten, wat ze het liefst aten en waarom je ze niet in de dierentuin terugvindt.

“Eén dinosaurus maakte het geluid van een stoomboot papa!” Sinterklaas is nooit ver weg.

Kinderen weten meer over de brontosaurus, de trumposaurus en de tyrannosaurus dan gezond is. Toch zeker voor een dier dat al 30 miljoen jaar uitgestorven is.

Er zijn tekenfilmreeksen waarin schattige dino’s op en neer springen in hun nest en met hun dino-auto’s naar het aangrenzende woud racen om daar een concurrerend dinovolk naar de eeuwige jachtvelden te zenden. Waarbij ze vuur spuwen uit hun bek. Wat volgens mij een aanfluiting is van de reële situatie 200 miljoen jaar geleden. Maar ik kan mij vergissen. Ik was er niet bij.

Er is Jurassic Park en Jurassic World, waarin kwaadaardige dino’s ontsnappen en een hele pretparkbevolking bedreigen – maar iedereen gelukkig gered wordt door de held van dienst. Er zijn tv-reconstructies, tentoonstellingen, er is het museum voor natuurwetenschappen waar de hele meute minstens één keer per jaar naartoe moet.

Ik dacht dat vooral jongetjes zeer vatbaar waren voor het dinovirus. Maar ook bij onze dochter heeft het toegeslagen. Op vakantie in een oord waar volgens de toeristische mythologie fossielen met afdrukken van dinosauruspoten te zien zijn, komt Roos al na anderhalve minuut spelen op het strand luid schreeuwend aangelopen om te melden dat ze een dinosaurusafdruk ontdekt heeft.

Wat na nauwkeurig onderzoek een pootafdruk van een chihuahua blijkt te zijn.

Een chihuahuasaurus bedoel ik. Ik voel de volgende blockbuster in de cinema al komen.

De boer

“De boer is langsgekomen met een baby en moeder heeft slaag gekregen.”

Mijn grootvader vertelt. De overgrootvader van mijn kinderen, we noemen hem pepe, is 90 jaar, heeft geen waanideeën, lijdt niet aan beginnende dementie, heeft niet de collectie Vlaamse boerenfilms van zijn buurman herbekeken. Hij vertelt over kinderen krijgen, hoe dat er in zijn jeugd aan toe ging.

Zijn ouders waren binnenschippers. Ze trokken (met de hand!) het binnenschip over de rivieren. Meme en pepe zelf werkten hun hele leven in de textielfabrieken van Gent.

Meme vertelde ooit dat ze doodsbang was om een kind te krijgen, omdat ze als hoogzwanger jong meisje geen idee had langs waar dat kind uit haar lichaam ging komen. Pepe heeft niet alle geboortes van zijn kinderen meegemaakt. Mocht niet. De vader was toen niet welkom bij de bevalling.

Mijn grootvader had enkel broers. Eén van hen overleed aan TBC. Hij droeg hem in zijn armen toen hij stierf. Pepe zou later ook TBC krijgen, maar overleefde de ziekte. Zijn moeder kon niet aarden op het schip, zijn vader kon niet aarden op het land. Hij pleegde zelfmoord door zich op te hangen. Degene die hem vond, was mijn grootvader.

Nu zit hij in zijn zetel en vertelt over toen hij klein was.

Telkens als zijn moeder bevallen was van een kindje, moest er uitgelegd worden waarom de andere kinderen hun moeder niet te zien kregen, waarom ze haar bed niet uit kon, wat dat geschreeuw was geweest, waarom er bloed was. En vooral: waar die baby vandaan kwam.

De uitleg die de kinderen toen kregen was: “de boer is langsgekomen met een baby en moeder heeft slaag gekregen van de boer.”

En dat verklaarde dan alles.

De boer die tussen zijn koeien en zijn bieten, tussen de sla en de patatten, ook af en toe eens een baby kweekte. En moeder die slaag gekregen had als verklaring voor het bloed. Toen blijkbaar een valabele uitleg waarmee iedereen genoegen nam.

Vlaanderen, 80 jaar geleden.

Vandaag zijn er – god zij geprezen – de seksbijbels van Goedele Liekens. Ik had ze mijn opa graag cadeau gedaan. Voor zijn tiende verjaardag.

Belg

Wij komen aan in het administratief centrum om blij gemutst onze baby aan te geven. Een belangrijk moment is aangebroken. Ons kindje zal verwelkomd worden als nieuwe burger van onze gemeente en ons land. De bevolking zal enthousiast juichend zijn komst op aarde vieren! Maar ook wel ingetogen fluisterend want hij slaapt.

Buiten schijnt de zon. Een zachte bries waait over ons hoofd als wij ons te voet naar het centrum begeven. Het is duidelijk: dit wordt een mooie dag.

Als we binnenkomen in het administratief centrum is het eerste wat ons opvalt de stralende glimlach van de administratieve bedienden van de gemeente, die meteen het belang van het moment aanvoelen en hun feestkostuum nog een laatste veegje geven alvorens de schouders op te richten en wuivend onze baby welkom te heten in hun prachtige en van symboliek beladen werkpaleis.

We mogen een nummertje nemen. Het geluk is met ons. We hebben nummer 145. Op de tweede verdieping in lokaal 224 bis aangekomen zien we meteen dat nummer 130 nu aan de beurt is, wat betekent dat er slechts 15 wachtenden vòòr ons zijn!

Trots planten wij onze kinderwagen en onszelf neer in de wachtzaal voor het lokaal. Tal van andere ouders wachten ook vol spanning tot ze binnen geroepen worden. Vreugdekreten van baby’s galmen door de ruimte, die voor de gelegenheid werd aangekleed met tal van folders en administratieve wetenswaardigheden.

Na amper 35 minuten wachten wordt ons nummertje afgeroepen en kunnen wij naar binnen, in een ruimte waar tientallen prachtige kindertekeningen ons tegemoet lachen.

De burgemeester is er niet vandaag, ook de schepen van bevolking en die van feestelijkheden hebben verstek moeten laten gaan, maar geen probleem! Zij worden vervangen door een administratief bediende die haar job met vreugde vervult.

Papieren worden ingevuld, ingescand, door de printer gehaald, opnieuw ingevuld, lijntjes worden aangestreept met fluostift, mappen worden gevuld en foto’s met lijm op formulieren gekleefd. Een ploeg van minstens vier mannen en vrouwen werkt koortsachtig om de administratieve integratie van onze versgeborene zo vlot mogelijk te doen verlopen.

En dan is het zover. Een laatste stempel wordt geplaatst en onze baby is nu officieel een legale Belg.

Buiten speelt een bedelaar met kerstmuts zijn eigen versie van een volstrekt onbekend kerstnummer op een verhakkeld accordeon. Hij krijgt van ons 2 euro in het voorbijgaan.

De kwade osteopate

“En moet jij nu naar de crèche? Arm meisje. Steken jouw ouders jou de hele dag weg?”

Zei de osteopate tegen mijn baby.

Een baby van drie maanden spreekt nog geen Nederlands. Dus wat de osteopate tegen mijn baby zei, zei ze in werkelijkheid tegen mij.

Het was de allereerste dag dat onze baby Roos naar de crèche zou gaan. En ’s ochtends moest ik nog even langs bij de osteopate. Roos had een duidelijke voorkeurskant bij het slapen en een schedelcorrigerend helmpje was niet bepaald ons favoriete toekomstige baby-accessoire.

Het liep mis. Al van in het begin. Het was meteen koude oorlog. Misschien had ze een slechte dag. Misschien had ik een slechte dag?

Ik vroeg mij af wanneer de osteopate aan het osteopateren ging slaan, maar dat gebeurde voorlopig niet. De baby moest stil liggen en de baby bewoog. Dus dat ging niet.

In afwachting werd omstandig uitgelegd waarom het schandalig is dat een baby in een crèche gedumpt wordt. Het is onverantwoord, zowel sociaal als emotioneel, voor de baby en de moederband en de wereldvrede, en de CO2-uitstoot had er ook ergens iets mee te maken.

Een baby moet bij zijn ouders zijn. Crèches zijn de hel op aarde en ouders die hun kind daar droppen, mogen aan de hoogste boom opgehangen worden. Was – kort door de bocht – wat de psychosteopate zei tegen haar eerste klant van de dag.

“Ik kan dus niks doen hè.”

Inderdaad. De baby bleef onrustig. Misschien kwam het door de sfeer die niet echt optimaal was en vrolijk verder neerwaarts denderde.

Na wat draaien aan het hoofdje en een mislukte poging om wat te duwen op armpjes en beentjes werd de baby gelaten voor wat ze was en was de marteling voorbij.

“Da’s dan 40 euro. En zorg ervoor dat uw baby een beetje rustiger is de volgende keer, ik heb niks kunnen doen.”

Ik, op mijn stoutmoedigst: “Waarom moet ik u dan eigenlijk betalen, als u niets heeft kunnen doen?”

Osteopate: “40 euro graag. Kan u begin volgende week terugkomen?”

Ik: “Ik ga liever wachten om een volgende afspraak vast te leggen – nog even thuis overleggen.”

De osteopate keek eerst naar mij, dan naar Roos met een blik alsof ze overwoog om haar alsnog te redden uit de klauwen van haar gruwelijke ouders. Toen stapte ik de deur uit, om nooit meer terug te komen.

Een halfuur later kwamen we aan in de crèche, waar mijn baby en ik met onvoorstelbare liefde en warmte verwelkomd werden.

Alleen jammer van onze CO2-uitstoot.

Gravensteen

Roos heeft het Gravensteen ondergeplast. Niet het héle Gravensteen, wel een aanzienlijk deel van het middenplein.

Het was mijn verjaardag. We wandelden door Gent, passeerden de indrukwekkende middeleeuwse verdedigingsburcht van de graven van Vlaanderen en vroegen ons af wanneer we die nog eens zouden bezoeken.

Als je blijft wachten op het goede moment, dan gebeurt er nooit iets. Het goede moment is altijd: nu. Dus we kochten tickets, begonnen de pijltjes te volgen door het gebouw en maakten onze dochter wijs dat er vroeger ridders en prinsessen rondliepen op de trappen waar zij nu liep.

Met succes. Roos was helemaal mee. En er waren veel vragen.

“Waar zijn de prinsessen die hier woonden nu naartoe?”

“Wat is dit mama?” (een guillotine)

“Waarvoor dient die kilotine? (ongemakkelijke stilte, meteen daarna: “kijk eens daar naar die tekening van een ridder helemaal in het groen!”)

“Wat is een latrine mama?” (een toiletje van vroeger)

Een antwoord onmiddellijk gevolgd door: “ik moet plassen. Superdringend.”

Als Roos moet plassen, is het altijd “superdringend”. Met als gevolg meestal een koortsachtige zoektocht naar een wc, en als we het nét op tijd gehaald hebben de laconieke mededeling van Roos: “er was toch geen pipi”.

Maar nu was het anders. Anderhalve minuut later stonden we op het middenplein van het Gravensteen, omringd door groepen kinderen, toeristen en Nederlanders die elkaar enthousiast toeschreeuwden dat het maar 10 euro entree was. Aangestaard door bejaarde vrouwen, een koppel duiven, door geesten van ridders en prinsessen. Op zoek naar een toilet.

Dat we niet vonden.

Wanneer is het goede moment? NU is het goede moment. Dacht Roos.

Het arme kind moest zo hard pipi doen dat ze dwars door haar onderbroekje, dwars door haar broekkousen heen een flinke straal plaste midden op het middenplein van het Gravensteen.

Alles nat. Het vochtigste verjaardagscadeau uit de geschiedenis van het fiere Gent. Iedereen perplex. Zelfs de Nederlanders waren er even stil van.

Na enkele schoonmaakwerkzaamheden bij onze dochter en onszelf, stapten we richting uitgang. Waar we drie meter verder het toilet vonden, vlak om de hoek, naast het ticketkantoor.

Als je ooit het Gravensteen bezoekt, zorg dan dat je niet uitglijdt in de enorme modderplas op het middenplein. Je kan je kinderen altijd wijsmaken dat de weledele jonkvrouwen van Gent daar vroeger hun plasje gingen doen. Het is niet zover van de waarheid.

De verstopkikker

Het liefst spelen we verstoppertje.

Niks leukers dan je verstoppen op een lege hotelkamer van 6 meter op 4 en vaststellen dat een driejarige er niet in slaagt je te vinden.

Ook in de tuin of in de woonkamer: altijd dolle pret. Zeker als je kind enkel met haar hoofd achter het gordijn staat en denkt dat je de rest van haar lijfje, dat onder het gordijn uitsteekt, niet kan zien.

Ons dochtertje Roos verstopt alles. De hele tijd. Ze verstopt knikkers in de kleerkast, knuffelbeesten in haar bed, stoelen achter tafels en tafels achter stoelen. Ze verstopt haar gigantische knuffelbeer die anderhalve meter boven de sofa uitsteekt achter de sofa.

Ze verstopt ook etensresten. Breekt er een oorlog uit, wij overleven minstens een maand op stukjes voedsel die we overal in huis achter zetels, in hoekjes, in tasjes en in speelkasten kunnen opduikelen.

Maar het wordt nog beter. Nu hebben we een topcadeau gekregen: de verstopkikker.

Leuker dan het prinsessenkasteel of de loopfiets waarvan het stuur altijd scheef staat. Leuker dan zakdoekje leggen (dat mijn dochter by the way op haar eentje speelt).

Er bestaan verstop-Bumba’s, verstop-konijntjes en ongetwijfeld ook verstop-hamsters, verstop-Supermannen en verstop-Bart De Wevers.

Maar bij ons is het een kikker. Hij is groen, staat recht en draagt een rood-met-wit gestreepte broek. In die zin lijkt hij een beetje op Wally van Waar is Wally, maar alleen zijn broek. Want het is een kikker. Dat zei ik al.

Je kan hem niet alleen verstoppen, hij roept ook dat je hem moet zoeken. Dit in functie van de ADHD-generatie die na 15 seconden vergeten is welk spel ze ook alweer aan het spelen waren.

“Joehoe!”

“Ik ben verstopt!”

“Kan je me vinden?”

Als Roos hem verstopt heeft, staat hij altijd achter het gordijn in de living. Het linker. Altijd. En telkens opnieuw is ze dolenthousiast als ik hem na lang zoeken weer gevonden heb.

Ik heb de verstopkikker meegenomen naar het werk. Al minstens twee radiocollega’s zijn fan en gaan zich ook een exemplaar aanschaffen. Waardoor ik eigenhandig zorg voor een monsterverkoop van verstopkikkers in Vlaanderen. En voor een sprong in de verstopkikker-aandelen.

Zet hem op je geboortelijst, neem hem mee op familiebezoek en op reis naar verre landen. Uren spelplezier en dolle avonturen verzekerd. Zorg wel voor voldoende reservebatterijen.

Nu moet ik stoppen. Ik moet op zoek naar iemand die “Kan je me vinden?” roept achter het gordijn in de living. Het linker.

Keptchup

“Keptchup”, zegt ze.

We hebben al tientallen keren gezegd dat het ketchup is maar Roos blijft volhouden: “keptchup”. Soms met “jij weet dat niet papa” erbij.

Betweter.

Voor de rest is onze dochter aangenaam om mee te nemen op restaurant. Ze begint niet te brullen als ze haar zin niet krijgt, heeft nog nooit met vorken of messen gegooid, erwtjes door de zaal gekatapulteerd of obers aangevallen met bussen mayonaise.

Ze eet de ene week graag broccolisoep, om de week nadien te zeggen dat broccolisoep vies is, of omgekeerd. Maar daar valt mee te leven.

Het grote probleem op restaurant is niet mijn dochter maar ikzelf. Ik wil liefst altijd het kindermenu bestellen.

Kip met appelmoes en kroketjes

Fishsticks

Vol-au-vent

Balletjes in tomatensaus

Bovendien zit ik likkebaardend uit te kijken naar de cornetto of de rocket die gratis met het kindermenu meekomt.

Daarom hebben grote restaurantketens beslist om bij elk kindergerecht duidelijk VOOR KINDEREN te schrijven. Om schobbejakken als ikzelf een stap voor te zijn.

Gelukkig bestaan er ook kinderrestaurants. Of beter: restaurants die zich op gezinnen met kinderen richten, maar dat nooit met zoveel woorden zeggen. Chez Leon of Colmar, Léon de Bruxelles of Hippopotamus in Frankrijk (waar ze geen nijlpaard serveren, in tegenstelling tot wat de naam en het logo doen vermoeden).

Ze hebben grote tafels met plastic tafelmatjes, verklarende uithangborden die niets aan het toeval overlaten, frietjes à volonté en vooral: veel schoonmaakpersoneel.

De zaak ligt bezaaid met stiften en kleurboeken, kinderen mogen er zonder leiband rondlopen en er staat een tros ballonnen klaar aan de uitgang om jongeren te belonen die zich enigszins gedragen hebben.

Sommige gaan écht ver en laten kinderen zelfs gratis eten, als er een volwassene bij is. Probeer dus niet om je kleuter in zijn uppie naar Chez Léon te sturen voor zijn middagmaal, het zal niet lukken. Ook pogingen om met de voltallige derde kleuterklas en één volwassen begeleider de lunch te gebruiken, zijn tot mislukken gedoemd.

Kortom, een paradijs voor ouders met kinderen. En de hel voor iedereen zonder.

Vroeger stuurde ik vernietigende blikken naar mensen die met een luidruchtig kind mijn restaurantbezoek kwamen verstoren.

Nu vind ik kindvriendelijke restaurants een zwaartepunt van de beschaving en beschouw ik een speelhoek met Ikea-keukentje als een essentieel deel van elk restaurantinterieur.

In Het Hof van Cleve zie ik ons niet direct komen.

Behalve als ze er kip met appelmoes zouden serveren.

Met frietjes en ketchup. Keptchup.