Cinema Actor’s Studio

Dat de bioscoop gesloten is, is geen wonder. Het is eerder een mirakel dat het nog zo lang geduurd heeft. Ik sta in een overdekte galerij vlakbij de Rue des Bouchers in Brussel te staren naar een enorme berg afval, puin en zakken cement. Het is enkele dagen na de definitieve sluiting van cinema Actor’s Studio, wellicht de best verborgen bioscoop van het land.

In het centrum van Brussel moest je zijn, tussen de Grote Markt en het Muntplein, aan de uitgang van de Galerie du Centre waar elk uur van de dag zwervers liggen te slapen. Daartegenover: iets wat ooit een winkelgalerij moet geweest zijn; een glazen schuifdeur met de ingang van een hotel, kronkelende gangen en een neonlamp die zegt: Cinema Actors Studio. In die gangen: nooit een mens te bespeuren, alles stond te huur. Ergens achteraan, in een donker hoekje, enkele trapjes omhoog, was de ingang van de bioscoop. De man achter de kassa verkocht tijdens mijn laatste bezoek ook drankjes in de bar, liet de bezoekers binnen in de drie zalen en startte de films.

Ik zat toen in zaal 2: links was een vreemde afbeelding van Charlie Chaplin, rechts naast het filmdoek hing aan de muur een gouden vrouw. Ze lag als een zeemeermin, bovenaan bloot, onderaan bedekt door een stukje pellicule. Onder haar benen: de nooduitgang, die er angstaanjagend uitzag; je wilde niet denken wat er kon gebeuren als je deze uitgang nam, in welke krochten van de Brusselse onderwereld je zou belanden.

Rondom mij hingen drie verschillende soorten speakers die samen een soort dolby surround systeem vormden. Vooraan op het mini-podium een piano en een oude katheder met Actor’s Studio welcome erop geschilderd.

Ik was daar op 6 juli 2016, voor Love & Friendship, een kostuumdrama naar een vergeten verhaal van Jane Austen. Nooit geweten dat Jane Austen grappig was. Ik vond dat Kate Beckinsale een oscarnominatie verdiende voor haar geweldige hoofdrol, maar die heeft ze nooit gekregen. Ik ben niet van kostuumdrama’s (ik ben niet van kostuums), maar het was een heerlijke film.

Lang daarvòòr bracht ik ooit een bezoekje aan de buren van de bioscoop: voorbij een glazen deur, langs een trap naar beneden, moest je een gigantische, muffige zaal binnen waar een soort Braziliaans spektakel werd opgevoerd voor enkele bejaarden aan ronde tafeltjes. De glazen deur is al lang dicht. De naam is wel nog leesbaar: Mazazik Oriental Club Live. Er hangt al jaren een sticker op het glas: fermé.

En nu is dus ook cinema Actor’s Studio definitief dicht. Een bioscoop waar ze liefst niet de grote kaskrakers van het moment vertoonden. Kansloos in het hart van onze nationale toeristische industrie. Het hotel boven de bioscoop wil uitbreiden en de bezoekersaantallen bleven teruglopen: Actor’s Studio had op het einde nog gemiddeld 3,5 bezoekers per filmprojectie. Op de website staat: het cinefiele paradijs. Het paradijs sloot definitief de deuren op 31 juli 2018. De bioscoop heeft 30 jaar bestaan.

Er zijn nog wel een paar andere arthouse bioscopen in het centrum van Brussel; ga er vlug heen voor ze ook sluiten. Hun namen: Galeries Cinema in de prachtige Koninginnegalerij, Cinema Aventure in Galerie du Centre (met de zwervers) rechtover Actor’s Studio, én de net schitterend gerenoveerde Cinema Palace op de Anspachlaan.

Vaarwel Actor’s Studio. Bedankt voor de mooie films.

HipstamaticPhoto-558123980.322352.jpg

Regenboog van zwaartekracht

Het is mijn persoonlijke Dodentocht, mijn Spartacus Run, mijn Dakar Rally, mijn marathon van New York, de beklimming van mijn Everest. Het is een wanhopige maar noodzakelijke strijd tegen de uitputting, tegen de menselijke zwakheid, tegen het vergeten.

Vandaag begin ik aan het boek Gravity’s Rainbow van de Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon. Een monument van de literatuur. Een bonk van een boek, 748 bladzijden waarbij alles verbleekt wat ooit geschreven is. Een oneindige bron van verrukking, ontroering en genot. Denk ik. Want ik moet er dus nog aan beginnen.

Ik heb de Nederlandse vertaling van het boek gekocht op 14 december 1996 in Flanders Expo in Gent voor 188 Belgische frank (ongeveer 4,5 euro). Dat heb ik achteraan in potlood genoteerd. Ik heb sindsdien al een vijftal pogingen gedaan om het boek te doorworstelen, maar het was te moeilijk, te veel, te ingewikkeld. Maar nu niet meer. Nu gaat het gebeuren. Vandaag is de dag.

Ok, er is ook Ulysses van James Joyce, Infinite Jest van David Foster Wallace en vele andere geflipte trips van briljante schrijvers, maar die zijn voor een ander decennium. Nu wil ik Gravity’s Rainbow lezen. Omdat ik weet dat ik het geweldig zal vinden. Net zoals bij de debuutroman van Erwin Mortier, bij Jennifer Jason Leigh in de film Mrs. Parker and the Vicious Circle, bij Nick Cave in het Sportpaleis: soms weet je het op voorhand.

Thomas Pynchon is een fenomeen. Hij is 81 jaar, woont in New York, gaat af en toe naar een concert in Carnegie Hall, zijn vrouw is zijn publishing agent. Dat is ongeveer alles wat we weten. Hij blijft volledig uit de media en de publiciteit. Hij doet nooit interviews. De laatste officiële foto van Pynchon dateert van het jaar 1954 (!). Eén keer heeft hij zijn stem geleend aan een aflevering van The Simpsons; zijn personage droeg een papieren zak over het hoofd.

Er zijn enkel: zijn boeken. Dikke kloefers meestal. Waarin de geschiedenis van de Verenigde Staten vermengd wordt met een opeenstapeling van elementen uit de populaire cultuur, in een onmetelijk ingewikkelde warreling van personages en gebeurtenissen. Mason & Dixon, V., Vineland, Inherent Vice, Bleeding Edge, zo heten ze. En Gravity’s Rainbow dus. Zijn meesterwerk.

Thomas Pynchon wordt bestudeerd aan universiteiten, hij staat in elke top 100 van beste romans aller tijden, hij wordt genoemd voor de Nobelprijs literatuur maar zal die nooit winnen, daarvoor is zijn werk te absurd, bevat het teveel spielerei en ironie, te weinig engagement, te weinig oprecht voortstuwen van de menselijke ziel.

Gravity’s Rainbow is verschenen in mijn geboortejaar 1973. Het gaat over V2-raketten tijdens de tweede wereldoorlog, en over mensen die zoeken naar het patroon waarin die raketten op Londen vallen. Naast het grote verhaal zijn er een dertigtal subplots. Er komen honderden personages in het boek voor, waarvan Pynchon afwisselend de familienaam, één van de bijnamen, een afkorting van de voornaam òf een willekeurige combinatie van de drie gebruikt. Om van de tientallen soms clandestiene oorlogsorganisaties en hun krankzinnige namen nog maar te zwijgen. De vorige keer was ik op pagina 8 al compleet de draad kwijt. (En het boek begint pas op pagina 7.)

Daarom heb ik deze keer een strategie. Ik heb beslist dat ik enkele pagina’s per dag lees. Traag maar zeker vooruit. En mijn geheime wapen is een papiertje dat in het boek zit en waarop ik de namen van personages en organisaties noteer, wie ze zijn en op welke pagina ze voor het eerst voorkomen.

Vermoedelijk hoor je een jaar lang niks van mij. Ik begin vandaag aan de eerste bladzijde. Deze keer zal ik slagen. Duim voor mij.

“Een gil komt gierend door de hemel. Dat is al eerder gebeurd, maar deze laat zich met niets vergelijken.” …

HipstamaticPhoto-556905076.262015.jpg

The Sequelizer

Ik ga naar de film The Equalizer 2 kijken. Zo snel mogelijk. Want Denzel Washington is mijn held. Zo zeg ik bijvoorbeeld Denzél en niet Dénzel. Nadruk op de tweede lettergreep. Omdat ik dat eens gehoord heb op televisie. En ik wil zijn naam correct uitspreken, want hij is mijn held. Dat zei ik al.

Denzel heeft de afgelopen jaren een indrukwekkend gamma aan personages vertolkt, van politiek activist tot voetbalcoach, bokser, flik, drugsbaas en alles ertussen, hij heeft vliegtuigen en metro’s gered, treinen in penibele omstandigheden toch vlot in het station geparkeerd, twee oscars binnengerijfd én een lifetime achievement award; dat laatste is altijd een subtiele hint om aan je pensioen te beginnen denken.

Wellicht daarom speelt Denzel nu graag al eens een gepensioneerde. Die wel op zijn eentje alle aanwezige boeven zonder uitzondering in frut blijft hakken. In The Equalizer bijvoorbeeld, een film uit 2014. Denzel is een vriendelijke opa, petje op het hoofd, die vroeger iets bij de CIA moet gedaan hebben, duidelijk wordt dat nooit. Hij is rustig, beschaafd en behulpzaam, maar als hij kwaad wordt, verandert hij in een soort Jean-Claude Van Damme.

En nu is er een opvolger van The Equalizer, toepasselijk The Equalizer 2 gedoopt. Hij komt pas volgende week in de bioscoop maar ik heb de trailer al gezien, en dus de hele film min de laatste vijf minuten. Ik kan u verzekeren: er wordt door Denzel weer een pleiade aan slechteriken neergebokst.

Ik heb gisteren voor alle zekerheid The Equalizer 1 opnieuw bekeken, zodat mij tijdens de sequel zeker niks van de plot zou ontgaan. Denzel zit elke nacht in een café een boek te lezen en thee te drinken omdat hij niet kan slapen, overdag werkt hij in de Brico en tussendoor molt hij een hoop cliché-Russen van een maffiabende omdat ze een sympathiek hoertje hebben mishandeld met wie Denzel eerder op café had aangepapt.

Op niet-seksuele wijze aangepapt voor alle duidelijkheid. Want Denzel is niet zo. Hij is een man van een indrukwekkende moraliteit, dat voel je meteen.

De vraag wanneer Denzel eigenlijk slaapt, wordt in de film niet gesteld. Een film draaien is een kwestie van keuzes maken. Twee uur is in een wip voorbij. Waarom de film The Equalizer heet, blijft ook onbeantwoord. Volgens sommigen omdat Denzel alle slechteriken neermaait zodat de grond weer helemaal equal is, zonder misdadigers die het landschap ontsieren met hun lelijke boevenlichamen en hun vieze boevensnorren. Soit.

En dan nu The Equalizer 2 dus. De sequel is volgens alle beschikbare bronnen een waardeloze miskleun. Uit de recensie van de krant The Guardian: dat het jammer is dat ze de film niet gewoon The Sequelizer genoemd hebben. Ook op de website rottentomatoes, waar ze beter zijn in het schrijven van filmrecensies dan in het bedenken van websitenamen, is het huilen met het petje op.

Maar wie ben ik om daarmee rekening te houden? Wat doet een echte fan van Denzel? Denzél, sorry. Kijk, vijftien jaar geleden ben ik definitief gestopt met het lezen van filmbesprekingen en daar vervolgens rekening mee te houden, en daar heb ik nog geen seconde spijt van gehad. Danku Humo.

Daarom ga ik The Equalizer 2 dus toch lekker in de bioscoop bekijken, ook al heb ik in de trailer alle hoogtepunten al gezien. En ook al vindt rottentomatoes hem maar niks. Want ik ben een doorzetter. Net als Denzel.

Leve Denzel Washington. Petje af.

2d017f8b29f020b803862e2dbd1bc59d.jpg

The Equalizer II

Kapitein Winokio

Onze nationale feestdag hebben wij doorgebracht met Kapitein Winokio in Gent.

De Gentse Feesten zijn in volle gang. Teruggebracht tot zijn essentie gaat het om een tien dagen durend drinkgelag, verhuld door muziekoptredens, toneelvoorstellingen en travestietenrevues. En kindershows. Vanmiddag speelt de drankorgie zich af op Fristi, Ice Tea en Fanta.

Want op de Kouter is het kindernamiddag met Kapitein Winokio. De K3 van het zich iets alternatiever voelende Vlaamse gezin. Gratis. Daar moeten we bij zijn.

Het kruim van de Gentse ouderlijke verantwoordelijkheid heeft zich naar de Kouter begeven. De buurt is vergeven van de bakfietsen. Stewards wijzen iedereen vrolijk de goede kant op. Hier gebeurt het. Dit is de stad. De rest is koetsenparking.

Vooraan staan een paar honderd kinderen al samengedromd, hun ouders in een brede halve cirkel erachter. De moshpit, zeg maar.

“We gaan naar Kabouter Pinokkio!” Roep ik enthousiast. Mijn dochter Roos kijkt mij bars en beschaamd aan, ook al is ze nog maar vijf. “Het is Kapitein. Winokio. Met een W,” zegt ze nadrukkelijk en streng. We nemen de tram. Kleine Bo (1,5 jaar) gaat ook mee. Hij zal de kapitein een uur lang nadrukkelijk negeren en enkel oog hebben voor passerende trams en voor het hamburgerkraam in de rode bestelwagen (“Auto is gestopt papa!”).

Winokio komt stipt drie minuten na het beginuur in zijn kapiteinskostuum het podium op. Omringd door muzikanten die zullen meehelpen het publiek op te hitsen en het Fantaverbruik tot ongekende hoogten te jagen. Er is ook een Mevrouw de Poes.

Kapitein Winokio staat bekend voor zijn vlotte meezingliedjes, zijn sympathieke tussenteksten (“Wie heeft er hier een hoofd?”) en voor zijn mopjes. Drankgelach. Ik word vandaag vooral getroffen door zijn kindvriendelijke covers van Vlaamse klassiekers: Cha Cha Cha van Raymond van het Groenewoud, Chérie van Eddy Wally.

Het hele concert wordt door de kleine rakkers ongenadig meegeschreeuwd, de dansjes op het podium worden zo nauwkeurig mogelijk nagebootst.

Er is een kriebellied waarop het aanwezig schorem hun collega-concertgangers aan frut mogen kriebelen. En er is de kusjesdans op La Bamba. Alvorens hun tong in andermans keel te planten, dienen de kinderen dit jaar eerst beleefd toestemming te vragen. Mevrouw de Poes kijkt goedkeurend toe.

Na zes liedjes, drie Ice Teas en het rematriëren van een verloren kind glip ik er even tussenuit, om een boek te kopen in de backstage gelegen boekhandel Het Paard van Troje. Daar is de legendarische Nederlandse radiopresentator Jan Douwe Kroeske zowaar een 2Meter Sessie aan het presenteren. Kroeske, 2 meter hoog. Ahoi kapitein.

Ik ben nog net op tijd terug voor het bisnummer, en voor het moment waarop Kapitein Winokio tot zijn stomme verbazing door zijn eigen bandleden bedankt wordt. En dan nog wel als de beste kapitein ter wereld. Pinokkio.

Intussen missen we allemaal de doortocht van die andere kapitein: kapitein-ter-zee bij de Belgische Zeemacht prins Laurent is aangemeerd in de stad en loopt samen met zijn vrouw een paar honderd meter verder ongestoord door het Gentse bacchanaal. Niet om zelf op te treden, hij komt voor de nationale feestdag luisteren naar het Te Deum in de Sint-Baafskathedraal. Voor God en vaderland. En Pierke Pierlala. Cha Cha Cha.

Kapitein Winokio.jpg

David Hasselhoff

Vandaag lijk ik op David Hasselhoff. Twee druppels water.

David Hasselhoff van Baywatch, in slo-mo huppelend over het strand. Ik draag een rode zwemshort, een geel t-shirt met mijn naam erop, een rood jasje en bruine schoenen. 

Die bruine schoenen zijn duidelijk een vergissing, een dress malfunction. Baywatchers dragen geen bruine schoenen. Ik ben mijn sneakers thuis vergeten. Laat ons zeggen dat ik niet zo vestimentair begaafd ben. Normaal is dat niet erg. Vandaag wel.

Ik sta namelijk op het podium van Flanders Expo in Gent. Niet uit vrije wil. Dit is mijn werk.

Eerder vandaag heb ik Belle Perez met Enamorada Boem Boem aangekondigd op een quasi leeg gemeenteplein in Geel (om kwart voor 8 ’s ochtends). Ik heb samen met Pat Krimson van 2 Fabiola handtekeningen uitgedeeld op een basisschool in Paal, ik heb Def Dames Dope zien optreden voor vijf curieus uitgedoste personeelsleden van de Hubo in Beveren en Captain Jack (van Hey yo Captain Jack!) ontmoet op een parkeerterrein in Lochristi. Captain Jack de tweede. De originele Captain is overleden. Niet op zee maar op een feestje in Mallorca. Soit. 

Nu sta ik dus in Flanders Expo. In het oorverdovende gejuich van 14.000 bezoekers. Ze zijn verkleed als de Daltons, FC De Kampioenen, Sinterklaas, als paters en nonnen, brandweermannen, verpleegsters, Tirolermeisjes en bikers. Dit is de Foute Party van Qmusic. Het jaarlijkse feest dat ons radioseizoen afsluit aan het begin van de grote vakantie.

Naast mij staan mijn collega-Q-dj’s met allemaal dezelfde blik in de ogen: een combinatie van 1) dit is het meest fantastische moment uit mijn leven, en 2) ik heb voor radiopresentator gestudeerd maar hierover had niemand iets gezegd.

De afgelopen jaren heb ik al op dit podium gestaan als één van de The Bee Gees, als de zanger van Europe, als Maria uit The Sound of Music, Jennifer Lopez, ZZ Top, Mick Jagger en Marco Borsato in jarretels.

Maar vandaag dus als David Hasselhoff. Of een willekeurige andere Baywatch-hunk uit de diepe jaren ’90. De rolverdeling is niet zo duidelijk omschreven.

Het verhaaltje vanavond wel: het begon vier minuten geleden met enkele onschuldige strandbezoeksters in bikini, dan vond er een aanval plaats van een gevaarlijke pluchen haai, waarop wij net op tijd met een soort strandmobiel het podium kwamen opgetuft. Want zo doen dappere redders op het strand in Los Angeles dat. Ze komen samen in een auto het strand opgereden. Stoer kijkend naar de zee.

Geen Dalton die het verhaaltje volgt maar dat hoeft ook niet. De essentie is dat we hier straks na de intro met z’n allen de polonaise kunnen inzetten op Heb je even voor mij, met zakdoeken zwaaien op Les Lacs du Connemara en meebrullen met een feilloze mix van Thunderstruck en We’re going to Ibiza.

Na de opkomst met de strandauto doen de stoere redders samen een dansje. Min of meer gelijk. Vuist zes keer in de lucht, trekbeweging met de armen, rond de as draaien en alles nog eens opnieuw. We geven ons helemaal. David Hasselhoff voelt zich op het podium van Flanders Expo als een vis in het water. Ondanks zijn bruine schoenen en zijn schrijnend gebrek aan borsthaar.

Jammer dat Pamela Anderson er niet bij is vandaag. Straks draaien we 10.000 luchtballonnen. De zomer kan beginnen.

IMG_2552.JPG

Francis Bacon

Ik sta in een glazen inham, te glunderen als een kind in een snoepwinkel. Door de inham lijk ik in het schildersatelier van Francis Bacon te staan. Francis Bacon, de wereldberoemde schilder! Het genie der schildersgenieën! Die leefde van 1909 tot 1992! Die de paus afbeeldde als een schreeuwend skelet op een troon.

Het is prachtig en ontroerend.

En een ongelooflijke puinhoop. Het lijkt onze living wel. Zonder de Duploblokken en de Bumbaknuffels dan.

Overal op de grond liggen boeken, halfvolle potten verf, verpakkingen, stukken verfdoek, knipsels uit tijdschriften.

Je vraagt je af hoe je in deze ravage ooit een verfkwast of een penseel terugvindt, zelfs als je Francis Bacon heet en algemeen bekend staat als een genie in de verfborstel-business.

Potjes, kommen, verftubes, een lege doos waarin ooit een mixer verpakt zat, uitgescheurde foto’s én vernietigde schilderijen, in het online archief onder slashed canvases. Want alsof er nog niet genoeg rommel lag, begon Bacon ook nog eens zijn eigen schilderijen kapot te snijden. En vervolgens door iemand anders in ministukjes te laten knippen, anders werden ze op straat uit zijn vuilnisbak gejat. Hoe zou je zelf zijn, als buurman. 

Waarom hij zijn eigen schilderijen kapotsneed? Omdat hij ze slecht vond. Of belachelijk. Of met de verkeerde kwast geschilderd. Weet ik veel. Dat is iets om aan een echte kunstenaar te vragen. Koen Fillet, om nu maar een willekeurige andere schilder te noemen met vlees in zijn familienaam.

Eerlijk? Dit atelier is niet honderd procent echt. Want Francis Bacon is dus al dood, en zijn schildersatelier is na zijn overlijden overgebracht van Londen naar zijn geboortestad Dublin, waar ik nu sta. Het is wonderlijk, een exacte kopie van het origineel. Ze hebben elk object van zijn studio gefotografeerd, beschreven, online gearchiveerd, alles naar Dublin verhuisd en daar weer op exact dezelfde hoop gesmeten die Francis bij zijn dood achterliet.

En hier ligt het allemaal, in City Gallery The Hugh Lane in Dublin. Gratis toegang. Ook te zien: het werk waaraan hij nog bezig was toen hij stierf.

Francis Bacon hield voor de rest van orde: hij heeft proper elk decennium van zijn leven één boyfriend versleten, woonde boven een garage in Londen: een slaapkamer, mini-keukentje met badkamer en dit atelier, en ging elke avond trouw op de boemel. In een documentaire over zijn leven zie je hem al eens in verregaand beschonken toestand allerlei fascinerends oreren tegen de reporter. Tegenwoordig gaat een schilderijtje van hem voor niet minder dan 30 miljoen euro over de toonbank, en dan verdwijnt al snel elke kritiek op het glas teveel. En op de stofvod te weinig.

Hier sta ik nu, dankzij de goedkope mensen van Ryanair helemaal vanuit Brussel naar hier gevlogen om naar Bacon zijn rommel te kijken. Zot van bewondering voor de grootste schilder van de vorige eeuw.

Onvermijdelijke eerste gedachte: had Francis Bacon geweten dat ze na zijn dood alles met een heel archeologisch team zouden komen plat-analyseren, hij had misschien een beetje opgeruimd.

HipstamaticPhoto-550238950.083687.JPG

Dublin City Gallery The Hugh Lane

Terecht: Rechtvaardige Rechters

Dames, heren, lezers. Stop met zoeken. Het is afgelopen. De zaak is gesloten. Het mysterie is opgelost. De boeken mogen dicht. Het schilderij De Rechtvaardige Rechters is terecht.

Het ontbrekende paneel van het Lam Gods ligt onder de Pain Quotidien in Gent. Minder goed bekend als de Kalandeberg. Waar rioleringswerken bezig waren toen het paneel in 1934 gestolen werd.

Dat staat in het nieuwe boek van Marc de Bel, die behalve jeugdschrijver ook amateur-privédetective gespecialiseerd in kunsthistorisch erfgoed blijkt te zijn.

De Aanbidding van het Lam Gods hangt in de Sint-Baafskathedraal in Gent en is één van de belangrijkste schilderijen in de geschiedenis van de mensheid en ver daarbuiten. Weet ik omdat George Clooney dat in de film The Monuments Men aan de president van Amerika vertelt, waarop hij toestemming krijgt om met zijn bataljon soldaten een vracht kunstwerken te gaan redden uit de handen van de Nazi’s.

Ik heb de film The Monuments Men trouwens gezien op groot scherm in de Sint-Baafskathedraal zelf, met het Lam Gods achter onze rug. En met een dekentje, want het was koud. Belgische première. De film was een rommeltje, leek nergens op. Maar wat George zei over het Lam Gods was de nagel op de kop.

De diefstal van de Rechtvaardige Rechters is bovendien één van de meest fascinerende verhalen uit onze kunstgeschiedenis. Als Dan Brown (van De Da Vinci Code) ervan zou horen én overtuigd zou kunnen worden dat België een echt bestaand land is, zou hij er ogenblikkelijk een thriller over schrijven. Waarin de Rechtvaardige Rechters, ontvreemd door een complot van de vrijmetselarij en het bisdom, uiteindelijk via een 450 bladzijden durende speurtocht langs Washington, Rome en het Louvre in Parijs teruggevonden wordt tijdens een verzengend spannend einde één seconde voor het vergaan van de wereld. Onder de Pain Quotidien in Gent. Met codes en onderaardse gangen en kale psychopathische massamoordenaars. En met Tom Hanks in de rol van Marc de Bel.

Want Marc de Bel heeft het gestolen paneel dus gevonden. Samen met zijn maat Gino Marchal. Hebben ze verteld in het Gentse stadhuis.

Okee, ze hebben het schilderij nog niet opgegraven en de stad heeft zelf ook nog niet beslist om dat te doen, maar dat zijn details. Burgemeester Termont vraagt om nog niet direct met schop en pikhouweel naar de Kalandeberg te trekken. 

Ik heb Marc de Bel gebeld op de radio en hem in naam van de wereldbevolking alvast onze dankbaarheid betoond voor het oplossen van het mysterie. “Graag gedaan”, zei hij eenvoudig.

De Rechtvaardige Rechters is terecht. Laat de Gentse feestelijkheden beginnen. Ik heb alvast een vuurwerk besteld voor 21 juli.

Als je de volgende keer op een croissant zit te kauwen op het terras van de Pain Quotidien, geniet er dan van om uw voeten nog eventjes te laten rusten boven het belangrijkste verdwenen schilderwerk van onze geschiedenis. George Clooney heeft het gezegd.

Lam Gods.jpg

Dag Hautekiet

Ik zag hem nog op de Boekenbeurs in Antwerpen. Hij zat minzaam glimlachend te wachten tot iemand zijn boek zou kopen.

Ik zei niet: Hallo Hautekiet. Want dat is belachelijk. En ik heb al genoeg belachelijke dingen gedaan die het leven van Jan Hautekiet zuur hebben gemaakt. Daarover straks meer. Eerst dit:

Jan Hautekiet is een radiomonument. 

Niet zozeer omwille van zijn stem. Waar de technici de laagste bastonen moesten uitfilteren om hem goed hoorbaar in de ether te krijgen. De hoogste man met de diepste stem.

Niet omdat hij mee Studio Brussel opgericht heeft, of omdat hij zo razend strak kon presenteren dat de avondspits voorbij was voor je naar adem kon happen. En er tijdens de muziek ook nog in slaagde zijn volledige administratie erdoor te jagen zonder dat één luisteraar iets merkte.

Wél omdat hij veranderd heeft hoe je als radiopresentator kan klinken in ons land: minder presenteren, stijf, elitair en vanuit de hoogte, maar gewoon praten tegen die ene mens aan de andere kant van het radiotoestel. Samen met de luisteraars een café-gevoel creëren. Gewoon babbelen.

Het is het moeilijkste wat er is op de radio, de zoektocht van elke presentator: hoe slaag ik erin op een normale manier te spreken in de meest abnormale situatie aller tijden: in een afgesloten, geluidsdicht hok dat vol microfoons en camera’s hangt terwijl duizenden mensen overal in het land horen wat je zegt. Hoe vind ik die toon? Hoe vind ik mezelf?

Wat hij nòg deed in Hallo Hautekiet: lachen, mensen van antenne gooien, niet braaf zijn, en de radio maken waar we allemaal naar streven: radio waarbij je het gevoel hebt dat er elk moment iets kan gebeuren.

Jan Hautekiet is mijn baas geweest toen ik bij Studio Brussel werkte. Hij heeft de beslissing genomen om mij de ochtendshow te laten presenteren. Dat had nogal wat voeten in de aarde, want ik wilde opslag. Opslag op de VRT was toen een ongehoord begrip, een administratief, technisch en ideologisch volstrekte onmogelijkheid. Nauwelijks enkele uren na mijn vraag moest ik als jonkie voor het voltallige directiecomité van de VRT-radio verschijnen om te checken of ik nu nog steeds opslag wilde. Uiteindelijk kreeg ik de volle 34 euro meer per maand. Bruto. Om mijn extra benzinekosten mee te betalen.

Toen hij hoofd van Radio 1 was en samen met Canvas de verkiezing van De Grootste Belg organiseerde, kwam ik op het idee om samen met mijn Studio Brussel-ochtendluisteraars Eva Pauwels in de lijst te katapulteren, ex van Jacques Vermeire en toen bekend van een tv-programma waarin ze de Italiaanse fauna en flora lijfelijk was gaan verkennen. Enkele weken vòòr het einde van de actie was Jan Hautekiet verplicht om Eva Pauwels officieel en zonder enige noembare reden te diskwalificeren uit de lijst van de Grootste Belg, waar ze intussen in de top 10 was beland en onafwendbaar op de nummer 1-positie van Pater Damiaan afstevende.

Sorry Hautekiet.

Eerlijk? Jan Hautekiet speelde liever piano dan baas. En er is niemand die hem ongelijk geeft.

Ik stapte op hem af op de Boekenbeurs. Ik zei niet: Hallo Hautekiet. Ik zei: Dag Jan. Zijn boek ging over taal en levenswijsheden. Waarover anders.

Hij heeft iets doen gebeuren op de Vlaamse radio.

Dag Jan. Dag Hautekiet. Danku voor alles.

jan_hautekiet_280817.jpg

📸 Radio 1

Moorddadige monsters en homoseksuele cowboys

En toen kwam het moorddadige monster het bos uitgehuppeld.

Lap, dacht ik, daar gaan we weer. Ik wilde meteen de bioscoop uitrennen maar ik mocht niet van mijn vriendin, want zij had mij pas een halfuur eerder met veel moeite naar binnen gesleurd.

We zaten in Studio Skoop in Gent naar de film A Quiet Place te kijken. Een horrorfilm. Ik hou niet van horrorfilms. Ik heb daar schrik van. Ook al besef ik dat dat net de bedoeling is.

Ik wilde liever naar het drama over de homoseksuele cowboys, de komedie over Stalin of desnoods de tekenfilm over hondjes. Om het even. Als het maar geen horrorfilm was. Maar mijn vriendin zei streng dat ik mij voor één keer als een echte man moest gedragen en ze trok mij zaal 1 binnen.

A Quiet Place gaat over een gezin (geen spoilers – ik verklap niks wat je nog niet weet uit de trailer) dat in een dorpje woont waar je altijd stil moet zijn, anders word je opgevreten. Want er zijn dus obscure monsters in de buurt die enorme honger hebben en blind zijn en daarom alles pakken wat lawaai maakt.

Blijkbaar vonden mama en papa de aanwezige monsterpopulatie geen obstakel om nog een extra baby te produceren. Ja, mama is weer zwanger. En pers zo’n kind maar eens ter wereld zonder het hele dorp bij elkaar te brullen. Monsters inclusief.

Het was een ijzingwekkende film. Niemand in de bioscoopzaal grabbelde in zijn popcorn, niemand kraakte met een zak chips. Omdat de spanning en de stilte te snijden waren. En ook wel omdat ze in Studio Skoop geen popcorn of chips verkopen. Soit.

En toen kwam het vreselijke monster dus plots tevoorschijn. Als een luipaard in de Beekse Bergen zeg maar. Ik heb daar een groot probleem mee, zeker in horrorfilms. Als zo’n monster onzichtbaar blijft, in zijn hol resideert en af en toe in de donkere nacht een hallucinante deerne verslindt, is dat allemaal ok voor mij. Mysterieuze monsters zijn de max. Maar op het moment dat ik het monster in de film effectief te zien krijg, is voor mij de lol eraf. Als je vaststelt dat het monster er weer uitziet als een dubieuze kruising tussen een draak, een mens en een uit de hand gelopen hagedis, zoals elk filmmonster, hoeft het voor mij niet meer.

Kijk maar naar The Shape of Water, een oscarwinnende film met een mormel dat vanuit zijn zwembad een relatie met het hoofdpersonage begint en dat als enige verschil met alle andere monsters in alle andere films iets meer op een kikker lijkt dan op een hagedis. Flikker op met je monster. En je oscars.

In A Quiet Place was het dus weer prijs. Zat ik daar suf van de schrik en de spanning, chips- en popcornloos de arm van mijn lief tot moes te knijpen, komt plots dat monster uit het bos. Draak mens hagedis. Weg mysterie. Gedaan met de pret.

Ik zal niet verklappen wat er nadien nog gebeurde, maar enorm opbeurend voor de filmpersonages was het niet. Ik ben mij tot het einde talloze keren de pleuris geschrokken.

Los van mijn persoonlijke obsessie met moorddadige misbaksels, is A Quiet Place zeker te pruimen. In de lijst van horrorfilms die ik de afgelopen jaren gezien heb, staat hij zeker in de top 10. Wellicht op nummer 1 zelfs, omdat ik mij met de beste wil van de wereld geen andere horrorfilm kan herinneren.

Ik ben achteraf op vrij normale wijze naast mijn vriendin de bioscoop uitgewandeld, zonder extreme angstvisioenen, achtervolgingswaanzin of schrik om lawaai te maken. Ik had wel vreselijke honger.

Volgende week mag ik naar de homoseksuele cowboys.

2692512-thumb.jpg

Safarifile

Het jachtluipaard snuffelt aan de wielen van onze auto, kijkt even op, stapt naar rechts en lijkt dan uit het zicht te verdwijnen. Om even later plots op te duiken in onze achteruitkijkspiegel. In vol ornaat. Hooghartig.

We hebben de afgelopen maanden Pairi Daiza bezocht, de Zoo van Antwerpen en twee keer Planckendael, want ik heb na de geboorte van kind 2 meteen in een familie-jaarabonnement geïnvesteerd. We kunnen nu desnoods elke dag naar de dierentuin, tot we geen pinguïn of olifant of blauwe gnoe meer kunnen zien.

Maar dit is andere koek: nu staan we met onze auto midden in een safaripark: de Beekse Bergen in Nederland.

Een safaripark is een dierenpark met meer plaats. Véél meer plaats. Je kan hier kamperen in een tent of in een huisje waar klokvast elk halfuur een kudde wilde dieren passeert. Je kan een bootsafari van 20 minuten doen, je mag met de auto door de savanne rijden, tussen de kamelen en de giraffen. Er is zelfs een kanosafari. En een gamedrive. Ik weet niet wat een gamedrive is.

Wat niet mag, is uitstappen.

Vier dagen geleden hebben enkele Franse toeristen de Beekse Bergen wereldberoemd gemaakt door op exact deze plek, tussen de jachtluipaarden, uit hun auto te stappen en samen met hun vierjarige zoon op een heuveltje van het uitzicht te gaan genieten.

De luipaarden zagen in zoonlief een overheerlijk dessertje en de Fransen konden maar net op tijd terug in hun voiture vluchten. Het hele avontuur werd gefilmd door enkele Nederlanders die live commentaar gaven alsof ze naar een aflevering van Temptation Island zaten te kijken. 

Wij stappen niet uit. De wagen is stevig op slot en we turen langs alle kanten door de raampjes. Ergens moet hier nog een collega-jachtluipaard rondhangen, als het tenminste niet vergast is door de uitlaatgassen van de honderden auto’s die hier dagelijks in een oneindige file staan.

Ooit zullen we lachen met dierenparken. Onze achter-achterkleinkinderen zullen zich afvragen hoe we het in ons hoofd haalden om intelligente dieren groter dan wijzelf op te sluiten in een hok en er massaal naar te gaan kijken met een familie-jaarabonnement. Erger nog: op de ruit te kloppen in de hoop dat de chimpansee een rare bek trekt. Ooit tonen we enkel nog inheemse soorten in de dierentuin. Ter vermaak en educatie van onze uitgedroogde stadskinderen. De koe. Het varken. De kip. De ekster.

In de Zoo van Antwerpen moeten de zeeleeuwen nog steeds elke dag kunstjes doen. Tijdens een protestactie onlangs midden in de zeeleeuwenshow begon het publiek de demonstranten uit te jouwen. Eén man liep naar buiten, kwam terug binnen en gooide een levende eend naar een actievoerder. Bezoekers van de Zoo willen geen optreden van dierenliefhebbers, ze willen zeeleeuwen die kusjes geven en door een hoepel springen.

Hier moeten de dieren niks. Geen kunstjes. Geen kusjes. Ze mogen rustig staan grazen in de savanne, of uren liggen luieren in het gras zoals leeuwen dat graag doen, of wegdommelen in de zon, of kijken naar de passerende bezoekers, stinkend in hun bootjes en in hun bolides.

En als het safaripark ooit opgedoekt wordt, valt hier nog genoeg te beleven. Er is een speelland met trampolines, een strand, een minigolfbaan, een zwembad en een vijver waarop je met botsbootjes tegen elkaar kan knallen. Ik ben met mijn dochter rustig gaan varen in een waterfiets in de vorm van een zwaan. Vrij als een vogel.

Morgen gaan we misschien nog eens in de safarifile staan.

HipstamaticPhoto-548177909.948004.JPG