Brandweerman Bo

“En dit is de brandweerwagen van Mega Toby.”

Onze gids is duidelijk een oud-brandweerman, hij draagt een kanariegeel t-shirt en blijft ons het hele bezoek op de voet volgen. Ik wist niet dat Mega Toby de eigenaar was van een brandweerwagen. Maar ons zoontje Bo zit al trots achter het stuur. 

We staan midden in een industriegebied in Erembodegem, deelgemeente van Aalst, in een enorme loods die het Brandweermuseum herbergt. Het museum is van april tot en met oktober twee zondagen per maand open. Ons bezoek is een cadeautje voor de derde verjaardag van Bo.

Naast tientallen brandweerwagens zijn hier brandweerladders te zien, brandweerpakken, brandweerhelmen, brandweersirenes, brandweerfietsen, brandpreventiebrochures en foto’s van de brand in de Innovation in 1967. Er is ook een soort FC De Kampioenen-cafetaria die naar sigaretten meurt.

Onze gids zegt dat we mogen plaatsnemen in elke brandweerwagen waarvan we de deur open krijgen. Dat laten we ons geen twee keer zeggen.

Dit museum moet voor Bo het absolute hoogtepunt worden van een lange, hete brandweerzomer. Hij is erin geslaagd om tijdens de maanden juni, juli, augustus en september elke dag Brandweerman Sam te spelen, van ‘s morgens tot ‘s avonds.

Brandweerman Sam is een sympathieke tekenfilmheld die branden blust en ook poesjes uit bomen redt, een activiteit waarvoor Bo voor zijn leeftijd al een verdacht enthousiasme vertoont. Wij bezitten een boek met verhaaltjes van brandweerman Sam en drie reeksen filmpjes op dvd, ons uitgeleend door bevriende brandweerliefhebbers.

Brandweerman Sam wordt omringd door enkele figuren die tijdens het spel om beurten door de andere leden van het gezin vertolkt moeten worden. Er is weinig manoeuvreerruimte: Bo beslist alles.

Mijn vriendin Marie is altijd Elvis, een collega-brandweerman die een duizelingwekkende gelijkenis vertoont met de gelijknamige zanger. Waarop Marie steevast in Love me tender uitbarst, door Bo onthaald op een afkeurende blik. Brandweermannen zingen niet. Brandweermannen blussen branden.

Ik speel commandant Staal, die zich ondanks zijn stoere naam in de living ophoudt, op een kartonnen doos achter de zetel (de kazerne), waar verwacht wordt dat hij om de drie en een halve minuut BRAND! roept, daarbij ook de plaats in huis noemend waar de brand in kwestie zich afspeelt. Liefst wordt deze boodschap luidkeels gebruld in een okie-dokie (een walkie-talkie).

Als er brand gemeld wordt in zeg maar de keuken, snelt Bo vlug naar de living om zijn brandweerwagen te halen, waarna hij in de keuken met zijn handjes een denkbeeldige brandweerspuit beetpakt en luid PSSSJJJT doet. Eén seconde later is de brand naar tevredenheid geblust en kan de terugtocht naar de kazerne aangevat worden, tenzij de brandweerman een beker melk wil drinken of kaka moet doen op zijn potje.

Er is ook Jenny. Het is niet helemaal duidelijk wat Jenny doet. Oorspronkelijk vreesde ik dat zij in de brandweerkazerne verantwoordelijk was voor de vaat, het strijken der brandweerkostuums en het afstoffen van de helmen. Gelukkig blijken de bedenkers van Brandweerman Sam toch al de 21ste eeuw te zijn binnengetreden en is Jenny gewoon brandweervrouw naast de rest.

Jenny wordt meestal gespeeld door Bo’s zus Roos. Soms is Jenny gewoon een lege plek naast Bo met wie hij desalniettemin uitgebreide conversaties voert.

Onze driejarige huisbrandweerman draagt elke dag een rood t-shirt en een harnas (Bo’s mini-rugzakje) en hij heeft het bijzonder druk: hij blust niet alleen branden bij ons thuis en pakweg op de autostrade, maar zelfs tijdens een rustige wandeling in het bos kan er elk moment een nietsvermoedende eeuwenoude eik in de fik vliegen.

En nu bevinden we ons tussen de grootste collectie brandweerwagens ten westen van Opwijk. Onze gids plakt nog steeds aan ons. En Bo zit achter het stuur van de brandweerwagen van Mega Toby.

Ik heb het opgezocht. Deze brandweerwagen blijkt een rol te spelen in een Valentijnsaflevering van Mega Mindy, waarin de schuur van een zekere zakenvrouw Katharina in brand staat, Toby met zijn brandweerwagen komt aanrijden, bij de aanblik van Katharina haar schuur in Mega Toby verandert en vervolgens naar diepe tevredenheid van Katharina zijn spuit hanteert. Wie verzint dit soort verhaaltjes.

Zie hem zitten, onze driejarige, blakend van onschuld, gelukkiger dan ooit. Zittend aan zijn stuur, dromend over vuur en water, over avontuur, en over later.

We hebben onze gids kunnen afschudden en zijn naar huis teruggekeerd, waar de brandhaarden in respectievelijk gang en keuken meteen succesvol gedoofd werden.

Gelukkige derde verjaardag, brandweerman Bo. Blus ze.

HipstamaticPhoto-591122335.471453.JPG

het brandweermuseum van Aalst

meer verhalen over Roos en Bo

Filmploert

Londen. De man op de brug had grijs haar, een baardje, hij droeg een korte broek, een wit hemd en had in elke hand een plastic zakje. Op het eerste gezicht: een dakloze, een bedelaar, zoals deze stad er duizenden telt. Maar ik herkende hem; hij was geen dakloze, hij was de Amerikaanse topacteur John Malkovich. Hoe ik zeker wist dat hij het was? Omdat we een kwartier daarvoor allebei in hetzelfde theater hadden gezeten: hij op het podium, ik in de zaal.

John Malkovich is legendarisch geworden als Vicomte de Valmont in de film Dangerous Liaisons; hij speelde een absurde versie van zichzelf in de film Being John Malkovich; ik vond hem onvergetelijk als bloedirritante politie-inspecteur in Jennifer Eight, waarin Uma Thurman een blinde vrouw speelt en Malkovich met een snotvalling zit. Echt, bloedirritant. Hij is op zijn best als hij met lijzige zinnen en een half-verveelde killersblik zijn vijanden aan flarden kijkt.

Maar nu was het van theater, in de Londense West End, in een zaal naast Trafalgar Square. De voorstelling heette Bitter Wheat en ging over een verlopen Harvey Weinstein-achtige filmproducer die aan de lopende band jonge actrices in zijn bed probeert te draaien. En als “I’m gonna make you a star” niet lukt, schakelt hij vlotjes op bedreigingen over. Zijn naam in de voorstelling: Barney Fein.

De zaal zat niet vol. Ik had met mijn ticket van 30 pond een upgrade gekregen: ik mocht op een plaats van 90 pond gaan zitten.

Deel 1 was geweldig, met Malkovich in de hoofdrol als de absolute stinkin’ asshole, de ellendeling die met een vuurwerk aan oneliners zijn hele omgeving afmaakt. En als er vandaag één geschikte slechterik is, dan is het Harvey Weinstein wel. Schitterend. Iedereen zat verlekkerd te wachten hoe dit zou aflopen. Ik zat naast een oudere Amerikaanse vrouw die mij tijdens de pauze meldde dat ze John Malkovich heel sexy vond, enfin vroeger, nu iets minder, zei ze; nu vond ze hem vooral een rotzak geloof ik. Het verschil tussen fictie en realiteit leek niet 100 procent helder.

En toen kwam deel twee. Vermoedelijk door schrijver David Mamet in drie dagen bijeengekladderd nadat hij een vol jaar aan deel één had gewerkt. Zo leek het toch. (Spoiler alert: in het onwaarschijnlijke geval dat je één van de komende weken naar Londen trekt om Bitter Wheat te zien, sla dit paragraafje dan even over.) Deel twee was een opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden: een aangerande actrice besluit om haar aanrander Barney Fein twee dagen na de feiten een boek te komen brengen dat ze hem eerder als cadeautje beloofd had, Barney blijkt de nacht in de gevangenis te hebben doorgebracht en zat per toeval samen in de cel met een jonge scriptschrijver (we weten allemaal dat het in gevangenissen stikt van de jonge scriptschrijvers), die schrijver komt gewapend met een pistool op bezoek bij Barney om te vragen wat hij van zijn script vindt, én Barneys moeder blijkt net doodgeschoten te zijn door een moslimfundamentalist, die hem òòk persoonlijk een bezoekje komt brengen op kantoor.

Bovendien heeft niemand tegen de 71-jarige Mamet durven zeggen dat hij vergeten was om een einde te schrijven. De voorstelling eindigde met een twijfelachtige halve mop midden in een dialoog, waarna alle lichten in de zaal uit- en weer aanfloepten: het enige wat erop wees dat de voorstelling afgelopen was. Waarop driekwart van de zaal zich afvroeg of ze dààrvoor nu twee uur in het theater hadden gezeten. En 90 pond hadden betaald. En waarop het vierde kwart besloot om een staande ovatie te geven.

Toen mochten we allemaal naar huis. En een kwartiertje later zag ik hem lopen, de slechterik, de vuile aanrander, het stuk onbenul, de absolute topacteur: John Malkovich wandelde over de Golden Jubilee bridge met zijn plastic zakjes, zijn sportschoenen, zijn toneelscript met het mysterieus verdwenen einde. Alsof er niks aan de hand was. Alsof hij een gewone sterveling was. En niet de meest geniale filmploert uit de geschiedenis.

bitter-wheat-garick-theatre.jpg

Live vanuit het Q-Beach House in Oostende

Eigenlijk is het een zwaar uit de hand gelopen caravan-met-radiostudio op het strand.

Het Q-Beach House is de jaarlijkse zomerresidentie van Qmusic, het radiostation waarvoor ik werk. Het is één van de hotspots van de Belgische kust en het staat groots en kleurrijk te blinken op het strand van Oostende. Er komt ook veel lawaai uit. Ondermeer van mij, want ik ga er binnenkort een radiouitzending presenteren.

Sinds enkele jaren is er elk jaar een thema. Deze keer: Mexico. Volgens kenners lijkt het Beach House als twee druppels tequila op een Mexicaanse haciënda: er zijn aangepaste cocktails, er zijn sombrero’s, er staat een enorme paarse dildo op het strand die een cactus moet voorstellen en bij een bezoek aan de radiostudio kan je een pin krijgen met een doodskop die volgens mijn nonkel het logo is van de Mexicaanse drugsmaffia.

Er was begin juli een openingsceremonie met piñata’s in verschillende vormen en kleuren, waaronder een eenhoorn die door de burgemeester van Oostende op rituele en vooral agressieve wijze tot frut werd geslagen, gevolgd door hevige vreugdetaferelen en een tournée générale voor de bezoekers op het terras.

Op de menukaart van het Q-Beach House staan quesadilla’s, empanadas, taco’s en wifi gratuito. Gelukkig kan je ook gewoon een kaasplank met Brugge kaas verorberen, voor wie al dat Mexico maar dikke quatsch vindt en voor wie Brugge al exotisch genoeg is.

Een geruststelling: verwijzingen naar het wereldkampioenschap Mexico 86 zijn er nauwelijks. Jean-Marie Pfaff zal dan ook gegarandeerd niet aanwezig zijn, mijn drugscartel-gerelateerde nonkel trouwens ook niet.

Kortom, het is heerlijk toeven in het Q-Beach House, al kan je op een warme namiddag wel eens geconfronteerd worden met een enthousiaste bezoeker die zijn zweetoksel liefdevol over je schouder legt voor een selfie. Maar voor de rest is het een zalig weerzien met de vaste bezoekers en de nieuwe luisteraars. Ze komen dag zeggen in de studio, in hun zomeroutfits, hun wellustige bikini’s, hun stoere torso’s.

En binnenkort zal ik dus zelf nog eens een radiouitzending verzorgen vanuit het Q-Beach House. Ik heb het nieuwe boek Kamer in Oostende van Koen Peeters alvast aandachtig doorgenomen, om zeker geen verwijzing naar de artistieke geschiedenis van de stad van Ensor en Spilliaert te laten liggen. Ik zal de obligate Spaanstalige zomerhits draaien, de temperaturen zullen tot ongekende hoogten stijgen want de airco in de studio werkt niet goed; en tenslotte beloof ik plechtig dat ik de waardeloze mop van de Mexicaan zonder auto* niet zal gebruiken en dat ik ook mijn beste Jommekes-Spaans wijselijk voor mijzelf zal houden.

Je bent van harte welkom. Én je hoeft niet illegaal over een muur te klauteren om terug in de beschaving te geraken. Binnenkort hoor je mij live vanuit het Q-Beach House. Maar nu nog niet. Eerstos vakantios.

Q-Beach House.jpeg

* Hoe noem je een Mexicaan zonder auto? CAR-LOS

Stalker

Ik moet maken dat ik hier wegkom.

Met open mond sta ik te staren naar het huisje. Er is volstrekt niks te zien. Er staat een haag voor de volledige breedte van de gevel en die is zo hoog dat ze een blik op het huis bijna volledig verhindert. Het dak is wel zichtbaar en een stukje van de muur waarop Louwhoek staat. Ik neem enkele foto’s en vraag mij af of de bewoners de politie al hebben gebeld. 

Vandaag ben ik een stalker, een obsessieve fan die is blijven hangen in een duistere achterhoek van zijn puberteit. Mijn object van fascinatie heet Jeroen Brouwers. De schrijver woont hier niet. Hij heeft hier gewoond, in het huisje vòòr mij, Huize Louwhoek in Exel, in de provincie Gelderland in Nederland. Wonen doet hier sowieso ongeveer niemand. Er zijn akkers, bomen en oneindig lange dreven met hier en daar een boerderij en een stal met monsters van landbouwwerktuigen ernaast. En koeien. Voor de rest: overal stilte.

Toch is deze plaats literair erfgoed. In dit huisje heeft Brouwers in 1981 zijn allerbeste boek geschreven: Bezonken Rood. Hier komen ook zijn andere legendarische Indiëromans vandaan, Het Verzonkene en De Zondvloed, én zijn brieven verzameld in het geweldige Kroniek van een karakter. Hier schreef hij: “Ik vind er niks aan, aan leven. Van al wat leeft houd ik alleen van bloemen en van al wat leeft houden alleen bloemen van mij. (…) Ik in de luwte, maar mijn pistool is geladen. Val mij niet lastig. Ik neem aan uw leven geen deel.” (De Exelse testamenten, in Verhalen en levensberichten, p. 189-190)

Zouden hier om de haverklap fanatieke Brouwerstoeristen op bedevaart voor de deur staan? Die een selfie willen maken op de oprit of godbetert een kijkje willen nemen in huis? De voormalige schrijfkamer zien waar de schrijver zijn boeken schreef, de eetkamer waar de schrijver zijn boterhammen met karnemelk verslond, het toilet waar de schrijver zijn drollen draaide? Zouden de bewoners een waakhond hebben, een tweeloop of een abonnement bij de politie?

Jeroen Brouwers schrijft overal en telkens opnieuw: laat mij met rust, blijf van mijn lijf. Zijn lijfspreuk is: Noli me tangere, Raak me niet aan. Kortom, ik doe precies wat de grote schrijver vraagt om niet te doen. Topfan ben ik.

Flashback. Jaren geleden woonde Jeroen Brouwers in een huis in het Limburgse Zutendaal dat intussen afgebroken is omdat het illegaal in een bos stond. Brouwers kon er in principe ongestoord schrijven, ware het niet dat de gemeente Zutendaal ter ere van de schrijver een reuzenmonument voor de ingang van het bos had neergepoot, als een gigantische wegwijzer voor literaire toeristen.

Ik heb mij toen door een lokale vriendin op sleeptouw laten nemen langs zijn huis. Ik heb op aanwijzen van de vriendin idolaat naar het huis van de schrijver staan staren. Ik heb mij afgevraagd aan welk meesterwerk hij op dat moment aan het ploeteren was en ben dan uit pure gêne haastig weer weggelopen.

Ik heb er zelfs mijn excuses voor overgebracht aan Jeroen Brouwers zelf, in een brief in opdracht van radiostation Klara voor zijn verjaardag. Hij heeft mij moedwillig vergeven. Maar kijk: hier sta ik weer. Dit keer diep in Nederland, op de Dwarsdijk in Exel. Te staren naar een haag en een grijze auto op een oprit en als een idioot foto’s te nemen.

Wie weet hebben de huidige bewoners de lijfspreuk van de schrijver overgenomen. Wie weet heeft Brouwers bij zijn verhuis zijn geladen pistool vergeten. Raak mij niet aan. Ik moet écht maken dat ik hier wegkom.

Oja, het meest verfoeilijke dat ik ooit gedaan heb als Brouwers-fan, dat heb ik nog niet verteld. Da’s voor later. Bij een gepaste gelegenheid.

HipstamaticPhoto-585231887.574148.jpg

Christophe Lambrecht

Prince zingt Take Me With U, het is maandag 6 mei en ik rijd naar huis na mijn radioprogramma. Een moeizame, zinloze ochtendshow waarin alles scheef zat en elke lach groen was. Een ochtendshow op een ander radiostation, waarin de dood van Christophe Lambrecht toch voelbaar was in alles. Gisteren vernomen dat hij compleet onverwacht gestorven is; hij was maar twee jaar ouder dan ik. We hebben jaren samen doorgebracht in een mini-bureautje op de VRT, tijdens onze beginjaren bij Studio Brussel. Chris Dusauchoit was er ook, Peter Verhulst, Lieven Van Gils en een witte engel genaamd Roos Van Acker.

Lou Reed: Walk on the Wild Side. Ik zag Christophe laatst nog op het afscheid van Luc Janssen tijdens een uitzending van Radio 1 in de AB Club in Brussel. We mochten er allebei ons zegje doen over het legendarisch gehalte van het feestvarken. Geen mens kon toen vermoeden dat Christophe Lambrecht de man in de zaal was met nog het minste aantal levensdagen op de teller. We zaten naast elkaar en praatten een beetje over muziek, over Luc Janssen en over de vernieuwingen bij Studio Brussel; hij zei dat het goed ging.

Ik rijd over de E40 en de radio staat veel te hard, de hele tijd al, als om mijn oren dicht te proppen tegen ongewenste gedachten. Mykonos van Fleet Foxes. Gisteravond en vanochtend zijn een waas, met huilende mensen aan de lijn die onverstaanbare dingen zeiden, met tweets en lieve berichtjes van collega’s die ik soms al vijftien jaar niet meer gehoord had. Medeleven en sterkte. Safe From Harm. Ik heb de ochtendshow op Qmusic die ik zelf mee gepresenteerd heb vanmorgen, maar half gehoord.

Studio Brussel is sinds gisteravond overgeschakeld op non-stop muziek en draait nu de hele tijd Christophes favoriete platen, net nu hij ze zelf niet meer kan horen. Sugarman, Underworld, Jungle, Nick Cave met Red Right Hand. Overal stemmen die hetzelfde zeggen: hij was de zachtste, de liefste en de beste. Hij was een radiomonument. De mooiste stem van Vlaanderen. 

Waarom kan het pas als iemand dood is? Die golven van liefde die over je heen komen, al die mensen die zeggen dat ze van je houden. Hij had hierbij moeten zijn; hij had dit moeten horen. Maar het is deel van het spel zeker, het is deel van het leven dat het pas mag als iemand er niet meer is. Fugitive Motel van Elbow.

Christophe Lambrecht stond voor: rust op de radio, rust en klasse. Hij presenteerde de voormiddag van 9 tot 12, het programma dat na de drukke ochtendshow komt. In de voormiddag moet je zwijgen en muziek draaien, zodat je luisteraars rustig kunnen werken en de radio niet afzetten omdat er teveel geluld wordt. Christophe was een absolute meester in de zwaar onderschatte kunst om met een paar woorden iets zinnigs te zeggen tussen twee platen op de radio. Je moet het eens proberen. Het lukt je niet.

Ik zit alleen in de auto en ik luister naar de favoriete liedjes van Christophe Lambrecht op Studio Brussel. Na Nightcall van Kavinsky zegt iemand het telefoonnummer dat je kan bellen om een rouwbericht in te spreken, en het snoert mij de keel dicht. Christophe Lambrecht was 48 jaar. Gestorven aan een hartfalen. De enige mogelijke boodschap is: koester je liefdes en je vriendschappen, want het kan elk moment afgelopen zijn. Rust zacht, lieve man.

Christophe Lambrecht.jpg

Cinema Central

“Mag ik terug starten?” roept iemand luidkeels de zaal in.

Ik zit in Cinema Central in het Oost-Vlaamse Ninove. Zes minuten geleden is de pauze begonnen, halverwege een conversatie tussen Stan en Ollie, de Dikke en de Dunne. Stan en Ollie zaten aan tafel samen met hun vrouwen, er ontwikkelde zich een belangrijk gesprek over hun toekomstige carrière als komisch duo, Stan wilde iets zeggen en toen was het afgelopen. Midden in een zin.

Pauze. Hét moment waarop de helft van de filmzaal normaal naar buiten stormt om pipi te doen, de benen los te gooien, een nieuwe voorraad cola of popcorn in te slaan of de hond uit te laten. Hier niet. Iedereen blijft zitten. Iedereen, dat wil zeggen, de voltallige drie bezoekers.

Ik zit alleen in de zaal samen met een ouder koppel van wie ik enkel weet dat de vrouw een lichte fobie voor 3D-films heeft. Bij mijn aankomst was ze in een lange discussie verwikkeld met de uitbater van de filmzaal. Of ze liever wél of liever niét films in 3D bekijkt. Meer bepaald of ze de film Dumbo wil zien als die in 3D wordt vertoond maar dat ze eigenlijk liever geen 3D wil zien maar dat ze toch graag Dumbo wil zien ook al is het in 3D. De discussie gebeurde half in het Ninoofs en had niet echt een richting noch een ontknoping. Ze bestond vooral uit losse beweringen van de vrouw tegen de uitbater. Hij zat intussen in een piepklein hokje de ticketverkoop te verzorgen.

Zo gaat het in een kleine dorpscinema. Geen overbodig personeel dat in de weg loopt terwijl je alles gewoon alleen kan doen. Geen 7 soorten popcorn, geen 5 euro voor 100 gram snoep die overduidelijk maar 6 cent per kilo kost. Geen 2 euro om naar het toilet te gaan. Geen gsm’ende teenagers in de zaal die voedsel en schrijfgerief naar elkaar gooien. Geen cosy seats waarin je gemakkelijker kan foefelen met je lief voor de bescheiden meerprijs van 3,5 euro per ticket. Geen 26 zalen met 83 verschillende films in 13 verschillende digitale formaten. Gewoon Stan & Ollie beneden in zaal 1. Dumbo boven in zaal 2. Weliswaar in 3D.

Cinema Central in Ninove bestaat dit jaar 100 jaar. In de inkomhal is een groot bord geïnstalleerd vol krantenknipsels over de feestelijke verjaardag. Er hangt een affiche van de film F.C. De Kampioenen Forever, wellicht één van de grote kaskrakers van de afgelopen 100 jaar. En buiten staat op een gigantisch doek te lezen: 100 jaar Cinema Central. Cinema als nooit voorheen. Met daaronder in dreigende letters: 3D. Wellicht om oudere mevrouwen af te schrikken.

Zaal 1 ziet er oud en donker uit en ruikt wat muffig, maar dat kan de pret nauwelijks drukken. Eerst was er een trailer van Dumbo waarin ze de hele tijd Dombo zeiden en daarna begon Stan & Ollie, een film over de Britse afscheidstournee van Stan Laurel en Oliver Hardy waarvan ze toen zelf nog niet wisten dat het hun afscheidstournee zou zijn. Het leven is geen vrolijke draaimolen op de kermis. Toen was er pauze.

En nu roept iemand: “Mag ik terug starten?” Er is even verbijstering in de zaal bij de drie toeschouwers – wij dachten dat de film na de pauze automatisch opnieuw zou beginnen – maar dat is buiten de flexibiliteit van het personeel van Cinema Central gerekend. De man voor mij roept: “jot!” en de avonturen van Stan en Ollie gaan voort; we zitten weer aan tafel bij de Dikke en de Dunne en hun vrouwen. We zitten weer in een sjiek hotel in Engeland, niet in de Lavendelstraat 25 in Ninove.

Er zijn niet zoveel dorpscinema’s meer over. Ik heb de afgelopen tijd Cinema Rio in De Haan bezocht, Cinema De Keizer in Lichtervelde, Cinema Albert in Dendermonde, Cine Star in Waregem, Beverly Screens in Knokke-Heist, en de intussen al gesloten Cinema Actor’s Studio in Brussel (ok, Brussel is niet echt wat je een dorp noemt, maar de sfeer van de cinema was zeer gelijkend).

Na de aftiteling, bij het naar buiten stappen, hoor ik de oudere vrouw iets mompelen tegen haar man. Het gaat over 3D-films. Voor Dumbo kwam er vanavond in Ninove niemand opdagen. Morgen misschien. Gelukkige verjaardag Cinema Central.

HipstamaticPhoto-576799120.045628.jpg

de website van Cinema Central

De duivel in het doosje. Afscheid van Luc Janssen

Zijn haar was kort en grijs. Hij droeg bottinen, een legerbroek en een jas. De dresscode van Leopoldsburg en omstreken. In zijn armen torste hij kilo’s cd’s en vinyl. Radiolegende Luc Janssen stapte voorbij onderweg naar de studio. Ik was een groentje op Studio Brussel. Ik durfde hem niet aan te spreken. Ik zat stil en keek.

Ik wist toen één ding over Luc Janssen: dat hij honderd procent zijn zin deed. De kerel voor wie Van Dale het woord eigenzinnig had uitgevonden. De enige man die heel zijn radiocarrière lang, overal waar hij werkte, altijd de muziek draaide die nét niet op het station paste, altijd net te lastig, altijd net over het randje.

Zijn programma toen heette Krapuul De Lux. Het was ergens ’s avonds te horen. Dat was zijn uur, het uur waarop Luc Janssen ontwaakte. Hij werd altijd laat op de avond geprogrammeerd: de bevolking moest beschermd worden. Ik wilde later als ik groot was ook een radioprogramma presenteren met krapuul in de titel.

Geen enkele presentatie van Luc Janssen was gewoon. Hij declameerde bedachte, uitgeschreven teksten, vaak over muziek, soms over actualiteit, vuilbekkend, vol beledigingen aan het adres van BV’s of zelfs collega’s. In het half-Hollands. Ik denk dat veel mensen Luc Janssen niét sympathiek vonden.

Hij is ooit écht in Nederland terechtgekomen. In 1982 werd Luc Janssen ontslagen bij Omroep Brabant op de toenmalige BRT omwille van een scheet op de radio. Zijn rubriek heette De scheet van de week (luister hier) en toen de directie er lucht van kreeg, mocht hij opstappen. Na een ballingschap bij onze noorderburen kwam hij terug en blies vanaf toen systematisch elke afdeling van de openbare omroep aan flarden.

In Retro, zijn laatste programma op Radio 1, vertolkte hij een Guy De Pré op XTC, gebruikte hij gangsta rap in de intro en draaide hij twee weken geleden nog No Limit van 2 Unlimited met “Wat is dit voor shit?” van Hans Teeuwen er ononderbroken doorheen gemonteerd. Bijzonder, voor een ambtenaar op een zucht van zijn pensioen.

Luc Janssen huldigde zijn hele carrière één van de grote principes van live radio: dat er liefst iets moet gebeuren. Ja, het omgekeerde van veel radioprogramma’s die genadeloos zorgen voor de doodsteek van het medium en de massale vlucht naar Spotify: er gebeurt gegarandeerd niks. Als in: nooit iets. Bij Luc Janssen was en is élke presentatie een snoepje, of beter gezegd: een lekkernij die na drie seconden zuur in je mond ontploft.

Luc Janssen heeft de allerbeste radio-uitzending gemaakt die ik ooit gehoord heb. Het moet in een weekend geweest zijn, vrijdag- of zaterdagavond. Zijn programma heette Mish Mash, het was op Studio Brussel, hij was toen al ver in de 50 maar er viel geen zuchtje bezadigdheid te bespeuren in zijn hele lijf.

In Mish Mash waren alle nummers aan elkaar gemixt; de presentator riep erdoorheen als een MC. Elke aflevering was heftig, maar deze was compleet over the top. Het leek alsof Luc Janssen alles tot zich genomen had wat de heer verboden heeft. Of hij deed toch verdomd goed alsof.

Die avond presenteerde hij het meest vunzige, genadeloze programma ooit. En tegelijk het meest fantastisch gemaakte. Het was één verbluffende mix, hij sleurde je van de ene plaat naadloos naar de intro van de volgende, met beats en drops en een fenomenaal gevoel voor ritme, om stikjaloers op te zijn.

En het was vuil meneer, echt vuil. Luc Janssen-stijl. Fuck, dat programma was vuil. Siska Schoeters speelde er een rol in; ik zal niet herhalen wat Janssen toen over haar zei, maar het was – letterlijk – ongehoord. Ik zat stomverbaasd te luisteren in de auto.

Alles kwam samen. Het was live radio van dàt moment, met die man, Luc Janssen, die compleet gestoord was en wiens persoonlijkheid en meer dan 30 jaar radio-ervaring en muziekbeleving samenvloeide in een show om nooit te vergeten. Herbeluisteren werkt niet, het was radio zoals enkel radio kan zijn: live, de presentator en ik, wij samen, een rollercoaster, in een flits voorbij.

Mish Mash werd uitgezonden bijna twee decennia na mijn eerste ontmoeting met hem. In de tussentijd zou Luc Janssen mij aanspreken en bijzonder vriendelijk blijken te zijn, zachtaardig zelfs, een lieve man. Met een zoon die zijn zachtheid, zijn liefde voor het vak en zijn uitmuntende muzieksmaak heeft geërfd.

Maar dat wist ik toen nog niet. Toen zat ik stil op de redactie van Studio Brussel en ik keek. Ik keek naar de grijze radiogod met zijn jas en zijn bottinen en ik zag het blinken in zijn ogen toen hij passeerde: zometeen zou de duivel weer uit het doosje komen. 

Danku Luc Janssen.

luc_janssen.jpg

foto: Radio 1

Lees ook: Dag Hautekiet, bij het afscheid van Jan Hautekiet.

Winteruur

Ik moet op de zevende verdieping van een gebouw in Antwerpen zijn waar geen enkele lift normaal werkt. Ik kan mij ook niet aanmelden want de intercom is kapot, het telefoonnummer op de website klopt niet en ik heb het gele plakbriefje met het nummer van de redactrice niet zien hangen. Maar eenmaal binnen, is de ontvangst voortreffelijk.

Ik ben te gast in het productiehuis van Tom Lenaerts. Het heet Panenka en het tv-programma Winteruur wordt er opgenomen, gepresenteerd door Wim Helsen. Ik moet een stukje tekst uit een boek kiezen en er iets persoonlijks bij vertellen, aangevuurd door vragen van Helsen zelf.

Ik zit nog maar anderhalve minuut in de schminkstoel en Tom Lenaerts komt binnen. Hoogstpersoonlijk. Hij zegt: “Dag Wim, hoe gaat het?”

Ik slik en zeg niets. Het zweet breekt mij uit. Paniek. Ik zit mij in de schminkstoel plots af te vragen of Tom Lenaerts wel Tom Lenaerts heet, of ik hem niet compleet starstruck met iemand anders verwar. Ik ben zelden van mijn melk in de aanwezigheid van tv-presentatoren maar bij Tom Lenaerts is het prijs. Ik had hem hier niet verwacht, ik weet geen woord meer uit te brengen en Lenaerts denkt ongetwijfeld: welke stagiair heeft deze zwijgende reserve-idioot in ons televisieprogramma uitgenodigd?

Wim Helsen komt ook binnen en plots besef ik: hier staat het grootste mediatalent van Vlaanderen! En Tom Lenaerts en Wim Helsen zijn er ook!

Grapje. Ik bedoel: hier sta ik bij het beste wat er de afgelopen 20 jaar in Vlaanderen op tv én op het podium te zien geweest is. Alles inbegrepen.

Maar ik doe alsof er niks aan de hand is. Ik vertel vrolijk in het rond alsof dit een normale situatie is. Alsof ik elke namiddag zit te babbelen met Tom Lenaerts en Wim Helsen terwijl een wolk van een schminkster over mijn gezicht wrijft.

Ik krijg uitleg over hoe de opname zal verlopen terwijl een redactrice (die van het plakbriefje) de hele tijd foto’s neemt, en dan gaan we naar de tv-studio. Daar: de zetel, en de obligate grote witte hond. De vorige witte hond is dood, daarom is er nu een nieuwe. Zo gaat dat op televisie. De hond is er voor de gezelligheid en voor de gimmick en wellicht om de kijker te vertegenwoordigen: volstrekt niet geïnteresseerd in wat er allemaal gezegd wordt, blijft hij lekker lui op zijn dekentje liggen zolang het voldoende warm en gezellig is.

Ik heb een paragraafje gekozen uit De Alchemist van Paolo Coelho. Mijn eerste taak: de tekst gewoon voorlezen. Hiervoor heb ik tien jaar voordracht gestudeerd. Dit is het moment waarop mijn studie eindelijk zijn nut zal bewijzen. Vlekkeloos, met de juiste intonatie en af en toe een diepzinnige blik in de camera zal ik dit hoogtepunt van de literatuur voor het Canvaspubliek ontsluiten.

Ik begin en vergeet meteen de eerste zin. Dit is niet goed. Dit zou een one-take moeten zijn: één opname, in één keer goed.

Welke prutser hebben ze nu weer in mijn zetel gedumpt, denkt Wim Helsen waarschijnlijk, maar hij laat zich niet uit zijn lood slaan; hij blijft vriendelijk, galant en goedgemutst. Het stukje tekst gaat over hoe je je als mens klein voelt en angstig, hoe je de neiging hebt om vast te houden aan wat je al kent en bezit, zonder open te staan voor nieuwe dingen. We praten over hoe we zelf als mens ook angstig en onzeker zijn, en hoe we dat proberen te verstoppen achter tattoos, snelle auto’s, microfoons of mopjes op een podium.

Eigenlijk vind ik het personage dat Wim Helsen zélf altijd speelt in zijn theatershows het prachtigste voorbeeld van zo’n figuur, van iemand die op alle mogelijke manieren zijn kleinheid probeert te verdoezelen. Maar dat durf ik niet goed te zeggen. Omdat het Wim Helsen zelf is die naast mij zit. En ik wil niet degene zijn voor wie ze de opname moeten stilleggen met de waarschuwing: Gelieve niet over de shows van Wim Helsen te beginnen, danku! Dus zeg ik dat maar niet.

Tien minuten later is de opname voorbij, en is er luid applaus van Tom Lenaerts. Hij zegt dat het fantastisch was. Ondanks het feit dat ik de eerste zin vergeten was, hoeven we de hele zwik toch niet opnieuw op te nemen.

De redactrice neemt nog een foto of dertig, Wim Helsen geeft een high-five, Tom Lenaerts schudt mij een stevige hand en ik neem de lift naar beneden. De aftocht verloopt verbazingwekkend vlot.

Ik hoop dat ik niet teveel euh gezegd heb.

Binnenkort op Canvas.

HipstamaticPhoto-560096621.889014.jpg

Winteruur

Op vakantie bij Friedrich Nietzsche

We turen met z’n allen naar een tafelkleedje. Het is zwart met twee groene, gehaakte strepen, het heeft frutseltjes onderaan en is 25.000 euro waard.

Ik sta in de kamer waar filosoof Friedrich Nietzsche meer dan 100 jaar geleden enkele zomers doorbracht. Er staat een sofa en een tafeltje met daarop dat kleedje en een lamp. Er is een raam dat uitkijkt op de bergen, en voorts een kast, een bed en twee kinderen, die van mij.

We staan in het Nietzsche-Haus in Sils Maria, een minuscuul dorpje in het Engadin-dal in Zwitserland, tussen Maloja (van de CM) en St.-Moritz (van de vijfsterrenhotels en de wintergolf).

Sinds onze aankomst is het niet opgehouden met sneeuwen. We zijn eind oktober. Bij het opstaan de eerste ochtend bleek de sneeuw kniehoog te liggen. We zouden met de auto geen meter vooruit geraakt zijn, hadden we geprobeerd om boodschappen te doen, was er hier in de wijde omtrek ergens een winkel open geweest.

In Sils Maria is er één warenhuis dat maandenlang gesloten is voor verbouwingen; de enige bakker is dicht, alle restaurants en hotels, op één na, zijn gesloten tot midden december. Alles ademt tussenseizoen. Wij zijn deze week de enige toeristen. Zomerwandelaars noch skiërs. Mosselen noch vis.

Enkele uren per dag spelen we in de sneeuw. De rest van de tijd zitten we in ons gehuurd appartementje Rummikub te spelen en naar buiten te staren. Veel meer kan je niet doen. Een witte sneeuwvlakte honderden meters ver, en als de vlakte stopt: besneeuwde bergen zo ver en zo hoog je kan zien. We komen van 25 graden twee weken geleden in België.

Als relevante ontspanning lees ik De antichrist, Friedrich Nietzsches furieuze afrekening met het christendom, die hij in de zomer van 1888 hier in Sils Maria schreef. Nietzsche gaat als een razende tekeer tegen christenen, priesters en de katholieke kerk. Het is prachtig, het is als het ware hartverwarmend, hier tussen de metershoge pakken sneeuw.

Maar nu staan we in het centrum van Sils Maria, in het huis waar Nietzsche schreef en zijn mooiste zomers doorbracht. Het Nietzsche-Haus is een museum geworden, en is deze maanden – net zoals de rest van het dorp – gesloten. Tussenseizoen.

Gelukkig hebben we hier enkele dagen geleden in de bar van het enige hotel dat open is, de vervangcurator van het Nietzsche-Haus ontmoet, Rolf, die ons uitnodigde om op bezoek te komen. En hier staan we nu. Met een koets en twee kinderen tussen de meubels van de filosoof met de hamer.

Rolf is geweldig lief en attent. Hij geeft ons een uitgebreide rondleiding, ook al zijn voyeuristische toeristen hier nu officieel niet welkom. En ook al houdt onze Bo (2 jaar) zich de hele tijd bezig met alle deuren open te rukken en weer dicht te slaan, filosofisch erfgoed of niet. Roos zit een tekening te maken aan de keukentafel.

Eén van de topattracties in het huis is het tafelkleedje in de slaapkamer van Nietzsche. Dat werd volgens Rolf door de filosoof hoogstpersoonlijk ontworpen omdat hij niet van witte tafellakens hield. Niet dat Nietzsche een tafellakenexpert was, neen, zijn ogen konden moeilijk fel wit verdragen. Daarom liet hij een speciaal kleedje maken dat het Nietzsche-Haus dankzij een Gulle Gever kon aankopen voor 25.000 Zwitserse frank.

Voor de rest zijn in dit huis foto’s te zien, originele brieven, een handbeschreven visitekaartje: Prof. Dr. Nietzsche, zijn verzameld werk en zijn doodsmasker (weetje: Nietzsches Nazi-liefhebbende zus liet op eigen initiatief een nieuwe, mooiere versie van zijn dodenmasker produceren).

Ook hangt hier veel kunst: de grote Duitse kunstenaar Gerhard Richter komt regelmatig eens wat werk exposeren. Het glasraam op de eerste verdieping is gerecycleerd van zijn monumentaal werk in de Dom van Keulen. 

En aan de muren: gekopieerde brieven van de reuzen die in Sils Maria tijd hebben doorgebracht, al dan niet in de voetsporen van Nietzsche. Hun namen klinken als een klok: Proust, Hesse, Pasternak, Benjamin, Cocteau, Musil, Frisch, Mann, Adorno, Tucholsky, Rilke, Anne Frank en koningin Mathilde.

Inderdaad, ook de innemende en vroom katholieke koningin Mathilde van België was hier een maand geleden op bezoek met een royale delegatie van allerlei adellijks uit de buurt. Op het einde van ons bezoek vernielt mijn dochter Roos met een efficiënte uithaal bijna de fotokader met de foto’s van haar bezoek. Qua antichrist is de opvolging hier verzekerd.

HipstamaticPhoto-562676197.775948.JPG

Het Nietzsche-Haus in Sils Maria

Het verslag van mijn lectuur van De antichrist lees je hier.

Ontsnapte gorilla

Ik heb een ontsnapte gorilla gezien. Een echte, live in de dierentuin. Dat is waar gorilla’s wonen, volgens het spelletje dier in je hoofd dat ik minstens zeven keer per week met mijn dochter Roos speel. Woont het dier op de boerderij? Neen? Dan woont het in de dierentuin.

We waren afgelopen weekend voor Roos haar zesde verjaardag in Apenheul, een dierenpark bijna uitsluitend bevolkt door apen. We hadden onze dochter een doe-cadeautje geschonken met als achterliggende bedoeling de oneindig uitdeinende speelgoedlawine tijdelijk een halt toe te roepen.

Apenheul zit niet alleen vol apen, maar ook vol Nederlanders. Dat komt omdat het park in Nederland ligt, in Apeldoorn zelfs, je verzint het niet. De Nederlanders mogen er vrij tussen de apen rondlopen. De andere bezoekers trouwens ook. Je mag de apen alleen niet lokken, aaien, eten geven, ontmantelen met een schroevendraaier of behandelen met betoncoating, ik zeg maar wat.

Op onze tocht door het park zagen we tientallen apensoorten, in alle maten en gewichten, overzichtelijk geordend volgens merk. Brulapen, slingerapen, dwergaapjes, orang-oetans én bonobo’s, die volgens de gids bekend staan om hun uitbundige seksuele gedrag. Maar daar was helaas niks van te merken. Alles verliep beschaafd en kindvriendelijk.

Tot we bij de witschouderkapucijnaapjes kwamen. Daar ging het mis. Niet op seksueel vlak, eerder organisatorisch. Tussen hen zat namelijk: een gorilla. Het gorilla-eiland is van de kapucijnaapjes gescheiden door elektrisch geladen prikkeldraad. Maar de gorilla was iets te enthousiast op verkenningstocht gegaan, had een houten tak in twee gebroken en was daarmee doorheen de prikkeldraad geraakt.

Het was hallucinant. De witschouderkapucijnaapjes, die elk ongeveer twintig keer in zo’n gorilla kunnen, schrokken zich…euh… een aap en stoven in paniek alle kanten op. De gorilla kroop heen en weer op de veel te dunne takken van hun boom. Af en toe probeerde hij terug door de prikkeldraad te geraken. Lukte niet. Daar zat hij, opgesloten in het verkeerde hok, stevig in de aap gelogeerd.

Mijn eerste reactie was dat dit spektakel wellicht elk weekend georganiseerd wordt om de bezoekers een authentieke, verrassende beleving aan te bieden, maar toen arriveerde er een dierenverzorger op een nabijgelegen dak, en nog één. Ze waren druk aan het telefoneren en liepen nerveus rond. Onder hen de verzorgster die twee uur daarvoor tijdens het voedermoment nog een grappig filmpje had laten zien van die ene gorilla die er ooit in geslaagd was om onder een draad door te kruipen.

Dit was minder grappig. De gorilla probeerde keer op keer met zijn tak een ladder te maken om aan de overkant te geraken, maar hij werd teruggeworpen door shocks van de elektrische prikkeldraad. Toen hij een plas water naar de andere kant wilde oversteken, nam de ongerustheid bij de verzorgers toe – ze waren nu al met vier aan het toekijken. Ze probeerden King Kong naar zijn eigen verblijf terug te lokken door stukken voedsel te gooien.

Intussen was de helft van aapminnend Nederland samengestroomd om het spektakel te bewonderen.

Pas na een halfuur slaagde de gorilla erin om na een gevecht met de prikkeldraad weer in zijn eigen verblijf te kruipen. Groot was de opluchting, bij verzorgers en publiek.

Intussen had Roos laten weten dat ze Apenheul maar een stom park vond, vervelend omdat er alleen maar apen te zien zijn. Ach, kinderen en apen, ondankbare schepsels, nooit tevreden. Dringend tijd om naar huis te gaan. Benieuwd waar de gorilla bij zijn volgende uitstap naartoe trekt.

HipstamaticPhoto-561833973.339036.JPG

Loslopende luipaarden in de Beekse Bergen? Lees hier.

Graceland

It was a slow day, and the sun was beating on the soldiers by the side of the road

There was a bright light, a shattering of shop windows

The bomb in the baby carriage was wired to the radio

(uit The Boy in the Bubble – Paul Simon)


Ik ben weer verslingerd aan Graceland van Paul Simon. Uitgekomen in 1986, en toen op basis van mijn alomvattende muziekkennis door mij ingeschat als het beste album aller tijden (ik was 13). Vandaag, op de verjaardag van Paul Simon, ben ik het weer roerend eens met mijzelf. Iets wat mij geregeld overkomt.

Ik ben het album Graceland in die tijd nog gaan voorstellen op Studio Brussel, bij mijn toenmalige radioheld Dirk Blancke voor zijn rubriek De Monument-elpee. Ja het was toen nog met elpees te doen. Intussen zijn die vervangen door cd’s, die op hun beurt afgelost zijn door iTunes, dan door Spotify en nu zijn de elpees weer terug. Ik was geen hipster avant-la-lettre. Nooit geweest.

Ik moest van Dirk vier nummers kiezen en uitleggen waarom ik ze wilde laten horen aan de luisteraars. Apetrots en strontnerveus kwam ik met mijn ouders aan in het VRT-gebouw en werd ik in de studio gedropt. Als eerste keuze stotterde ik The Boy in the Bubble in de vernieling, het openingsnummer. Het was onvergetelijk. Voor mij althans.

Ik ben niet zo nostalgisch aangelegd. Mijn natuurlijke nostalgische habitat zou de jaren 80 moeten zijn, maar daar beperkt mijn interesse zich tot de best of van Hall & Oates en Tears For Fears. Voor al de rest voel ik bedroevend weinig enthousiasme. Zelfs Rick Astley kan geen schijn van interesse doen opflakkeren.

Maar nu is Graceland van Paul Simon helemaal terug. De schuldige is Peter Verhulst die in zijn programma op Radio 2 onlangs een live-versie van You Can Call Me Al draaide. Tijdens een klasreünie van mijn derde middelbaar amper enkele dagen geleden hing een oud-medeleerling een matig spectaculair verhaal op over een wedstrijd die we ooit allebei wonnen en waarvan de helft van het prijzenpakket de elpee Graceland was. En vandaag – 13 oktober – wordt Paul Simon 77. Toeval bestaat niet. Alles komt samen. Alle wegen leiden naar Graceland.

Ik heb het album de afgelopen maand weer een twintigtal keer beluisterd (op iTunes en Spotify – niet op cd – zéker niet op vinyl), en opnieuw was ik verbluft. De nummers zijn geweldig, Paul Simon zingt met een ongelooflijke bravoure en de teksten gaan over liefde, politiek en een zekere mister Beerbelly. Kortom, alles wat een monument-elpee nodig heeft.

Paul Simon heeft Graceland bovendien deels in Zuid-Afrika opgenomen. Niet dat hem dat de Nelson Mandela van de jaren 80 maakt (er wàs al een Nelson Mandela in de jaren 80, en per slot van rekening heeft hij wellicht enkel maar een paar verlopen Zuid-Afrikaanse muzikanten uitgebuit), maar de Afrikaanse stemmen en instrumenten maakten het album exotisch, vernieuwend en gedurfd.

Trakteer jezelf eens op een luisterbeurt. Het is een belevenis, een avontuur, het is magistraal. Ik had 32 jaar geleden al overschot van gelijk: Graceland is het beste album aller tijden.

Gelukkige verjaardag, Paul Simon.

Graceland.jpg

Cinema Actor’s Studio

Dat de bioscoop gesloten is, is geen wonder. Het is eerder een mirakel dat het nog zo lang geduurd heeft. Ik sta in een overdekte galerij vlakbij de Rue des Bouchers in Brussel te staren naar een enorme berg afval, puin en zakken cement. Het is enkele dagen na de definitieve sluiting van cinema Actor’s Studio, wellicht de best verborgen bioscoop van het land.

In het centrum van Brussel moest je zijn, tussen de Grote Markt en het Muntplein, aan de uitgang van de Galerie du Centre waar elk uur van de dag zwervers liggen te slapen. Daartegenover: iets wat ooit een winkelgalerij moet geweest zijn; een glazen schuifdeur met de ingang van een hotel, kronkelende gangen en een neonlamp die zegt: Cinema Actors Studio. In die gangen: nooit een mens te bespeuren, alles stond te huur. Ergens achteraan, in een donker hoekje, enkele trapjes omhoog, was de ingang van de bioscoop. De man achter de kassa verkocht tijdens mijn laatste bezoek ook drankjes in de bar, liet de bezoekers binnen in de drie zalen en startte de films.

Ik zat toen in zaal 2: links was een vreemde afbeelding van Charlie Chaplin, rechts naast het filmdoek hing aan de muur een gouden vrouw. Ze lag als een zeemeermin, bovenaan bloot, onderaan bedekt door een stukje pellicule. Onder haar benen: de nooduitgang, die er angstaanjagend uitzag; je wilde niet denken wat er kon gebeuren als je deze uitgang nam, in welke krochten van de Brusselse onderwereld je zou belanden.

Rondom mij hingen drie verschillende soorten speakers die samen een soort dolby surround systeem vormden. Vooraan op het mini-podium een piano en een oude katheder met Actor’s Studio welcome erop geschilderd.

Ik was daar op 6 juli 2016, voor Love & Friendship, een kostuumdrama naar een vergeten verhaal van Jane Austen. Nooit geweten dat Jane Austen grappig was. Ik vond dat Kate Beckinsale een oscarnominatie verdiende voor haar geweldige hoofdrol, maar die heeft ze nooit gekregen. Ik ben niet van kostuumdrama’s (ik ben niet van kostuums), maar het was een heerlijke film.

Lang daarvòòr bracht ik ooit een bezoekje aan de buren van de bioscoop: voorbij een glazen deur, langs een trap naar beneden, moest je een gigantische, muffige zaal binnen waar een soort Braziliaans spektakel werd opgevoerd voor enkele bejaarden aan ronde tafeltjes. De glazen deur is al lang dicht. De naam is wel nog leesbaar: Mazazik Oriental Club Live. Er hangt al jaren een sticker op het glas: fermé.

En nu is dus ook cinema Actor’s Studio definitief dicht. Een bioscoop waar ze liefst niet de grote kaskrakers van het moment vertoonden. Kansloos in het hart van onze nationale toeristische industrie. Het hotel boven de bioscoop wil uitbreiden en de bezoekersaantallen bleven teruglopen: Actor’s Studio had op het einde nog gemiddeld 3,5 bezoekers per filmprojectie. Op de website staat: het cinefiele paradijs. Het paradijs sloot definitief de deuren op 31 juli 2018. De bioscoop heeft 30 jaar bestaan.

Er zijn nog wel een paar andere arthouse bioscopen in het centrum van Brussel; ga er vlug heen voor ze ook sluiten. Hun namen: Galeries Cinema in de prachtige Koninginnegalerij, Cinema Aventure in Galerie du Centre (met de zwervers) rechtover Actor’s Studio, én de net schitterend gerenoveerde Cinema Palace op de Anspachlaan.

Vaarwel Actor’s Studio. Bedankt voor de mooie films.

HipstamaticPhoto-558123980.322352.jpg

Regenboog van zwaartekracht

Het is mijn persoonlijke Dodentocht, mijn Spartacus Run, mijn Dakar Rally, mijn marathon van New York, de beklimming van mijn Everest. Het is een wanhopige maar noodzakelijke strijd tegen de uitputting, tegen de menselijke zwakheid, tegen het vergeten.

Vandaag begin ik aan het boek Gravity’s Rainbow van de Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon. Een monument van de literatuur. Een bonk van een boek, 748 bladzijden waarbij alles verbleekt wat ooit geschreven is. Een oneindige bron van verrukking, ontroering en genot. Denk ik. Want ik moet er dus nog aan beginnen.

Ik heb de Nederlandse vertaling van het boek gekocht op 14 december 1996 in Flanders Expo in Gent voor 188 Belgische frank (ongeveer 4,5 euro). Dat heb ik achteraan in potlood genoteerd. Ik heb sindsdien al een vijftal pogingen gedaan om het boek te doorworstelen, maar het was te moeilijk, te veel, te ingewikkeld. Maar nu niet meer. Nu gaat het gebeuren. Vandaag is de dag.

Ok, er is ook Ulysses van James Joyce, Infinite Jest van David Foster Wallace en vele andere geflipte trips van briljante schrijvers, maar die zijn voor een ander decennium. Nu wil ik Gravity’s Rainbow lezen. Omdat ik weet dat ik het geweldig zal vinden. Net zoals bij de debuutroman van Erwin Mortier, bij Jennifer Jason Leigh in de film Mrs. Parker and the Vicious Circle, bij Nick Cave in het Sportpaleis: soms weet je het op voorhand.

Thomas Pynchon is een fenomeen. Hij is 81 jaar, woont in New York, gaat af en toe naar een concert in Carnegie Hall, zijn vrouw is zijn publishing agent. Dat is ongeveer alles wat we weten. Hij blijft volledig uit de media en de publiciteit. Hij doet nooit interviews. De laatste officiële foto van Pynchon dateert van het jaar 1954 (!). Eén keer heeft hij zijn stem geleend aan een aflevering van The Simpsons; zijn personage droeg een papieren zak over het hoofd.

Er zijn enkel: zijn boeken. Dikke kloefers meestal. Waarin de geschiedenis van de Verenigde Staten vermengd wordt met een opeenstapeling van elementen uit de populaire cultuur, in een onmetelijk ingewikkelde warreling van personages en gebeurtenissen. Mason & Dixon, V., Vineland, Inherent Vice, Bleeding Edge, zo heten ze. En Gravity’s Rainbow dus. Zijn meesterwerk.

Thomas Pynchon wordt bestudeerd aan universiteiten, hij staat in elke top 100 van beste romans aller tijden, hij wordt genoemd voor de Nobelprijs literatuur maar zal die nooit winnen, daarvoor is zijn werk te absurd, bevat het teveel spielerei en ironie, te weinig engagement, te weinig oprecht voortstuwen van de menselijke ziel.

Gravity’s Rainbow is verschenen in mijn geboortejaar 1973. Het gaat over V2-raketten tijdens de tweede wereldoorlog, en over mensen die zoeken naar het patroon waarin die raketten op Londen vallen. Naast het grote verhaal zijn er een dertigtal subplots. Er komen honderden personages in het boek voor, waarvan Pynchon afwisselend de familienaam, één van de bijnamen, een afkorting van de voornaam òf een willekeurige combinatie van de drie gebruikt. Om van de tientallen soms clandestiene oorlogsorganisaties en hun krankzinnige namen nog maar te zwijgen. De vorige keer was ik op pagina 8 al compleet de draad kwijt. (En het boek begint pas op pagina 7.)

Daarom heb ik deze keer een strategie. Ik heb beslist dat ik enkele pagina’s per dag lees. Traag maar zeker vooruit. En mijn geheime wapen is een papiertje dat in het boek zit en waarop ik de namen van personages en organisaties noteer, wie ze zijn en op welke pagina ze voor het eerst voorkomen.

Vermoedelijk hoor je een jaar lang niks van mij. Ik begin vandaag aan de eerste bladzijde. Deze keer zal ik slagen. Duim voor mij.

“Een gil komt gierend door de hemel. Dat is al eerder gebeurd, maar deze laat zich met niets vergelijken.” …

HipstamaticPhoto-556905076.262015.jpg

The Sequelizer

Ik ga naar de film The Equalizer 2 kijken. Zo snel mogelijk. Want Denzel Washington is mijn held. Zo zeg ik bijvoorbeeld Denzél en niet Dénzel. Nadruk op de tweede lettergreep. Omdat ik dat eens gehoord heb op televisie. En ik wil zijn naam correct uitspreken, want hij is mijn held. Dat zei ik al.

Denzel heeft de afgelopen jaren een indrukwekkend gamma aan personages vertolkt, van politiek activist tot voetbalcoach, bokser, flik, drugsbaas en alles ertussen, hij heeft vliegtuigen en metro’s gered, treinen in penibele omstandigheden toch vlot in het station geparkeerd, twee oscars binnengerijfd én een lifetime achievement award; dat laatste is altijd een subtiele hint om aan je pensioen te beginnen denken.

Wellicht daarom speelt Denzel nu graag al eens een gepensioneerde. Die wel op zijn eentje alle aanwezige boeven zonder uitzondering in frut blijft hakken. In The Equalizer bijvoorbeeld, een film uit 2014. Denzel is een vriendelijke opa, petje op het hoofd, die vroeger iets bij de CIA moet gedaan hebben, duidelijk wordt dat nooit. Hij is rustig, beschaafd en behulpzaam, maar als hij kwaad wordt, verandert hij in een soort Jean-Claude Van Damme.

En nu is er een opvolger van The Equalizer, toepasselijk The Equalizer 2 gedoopt. Hij komt pas volgende week in de bioscoop maar ik heb de trailer al gezien, en dus de hele film min de laatste vijf minuten. Ik kan u verzekeren: er wordt door Denzel weer een pleiade aan slechteriken neergebokst.

Ik heb gisteren voor alle zekerheid The Equalizer 1 opnieuw bekeken, zodat mij tijdens de sequel zeker niks van de plot zou ontgaan. Denzel zit elke nacht in een café een boek te lezen en thee te drinken omdat hij niet kan slapen, overdag werkt hij in de Brico en tussendoor molt hij een hoop cliché-Russen van een maffiabende omdat ze een sympathiek hoertje hebben mishandeld met wie Denzel eerder op café had aangepapt.

Op niet-seksuele wijze aangepapt voor alle duidelijkheid. Want Denzel is niet zo. Hij is een man van een indrukwekkende moraliteit, dat voel je meteen.

De vraag wanneer Denzel eigenlijk slaapt, wordt in de film niet gesteld. Een film draaien is een kwestie van keuzes maken. Twee uur is in een wip voorbij. Waarom de film The Equalizer heet, blijft ook onbeantwoord. Volgens sommigen omdat Denzel alle slechteriken neermaait zodat de grond weer helemaal equal is, zonder misdadigers die het landschap ontsieren met hun lelijke boevenlichamen en hun vieze boevensnorren. Soit.

En dan nu The Equalizer 2 dus. De sequel is volgens alle beschikbare bronnen een waardeloze miskleun. Uit de recensie van de krant The Guardian: dat het jammer is dat ze de film niet gewoon The Sequelizer genoemd hebben. Ook op de website rottentomatoes, waar ze beter zijn in het schrijven van filmrecensies dan in het bedenken van websitenamen, is het huilen met het petje op.

Maar wie ben ik om daarmee rekening te houden? Wat doet een echte fan van Denzel? Denzél, sorry. Kijk, vijftien jaar geleden ben ik definitief gestopt met het lezen van filmbesprekingen en daar vervolgens rekening mee te houden, en daar heb ik nog geen seconde spijt van gehad. Danku Humo.

Daarom ga ik The Equalizer 2 dus toch lekker in de bioscoop bekijken, ook al heb ik in de trailer alle hoogtepunten al gezien. En ook al vindt rottentomatoes hem maar niks. Want ik ben een doorzetter. Net als Denzel.

Leve Denzel Washington. Petje af.

2d017f8b29f020b803862e2dbd1bc59d.jpg

The Equalizer II

Kapitein Winokio

Onze nationale feestdag hebben wij doorgebracht met Kapitein Winokio in Gent.

De Gentse Feesten zijn in volle gang. Teruggebracht tot zijn essentie gaat het om een tien dagen durend drinkgelag, verhuld door muziekoptredens, toneelvoorstellingen en travestietenrevues. En kindershows. Vanmiddag speelt de drankorgie zich af op Fristi, Ice Tea en Fanta.

Want op de Kouter is het kindernamiddag met Kapitein Winokio. De K3 van het zich iets alternatiever voelende Vlaamse gezin. Gratis. Daar moeten we bij zijn.

Het kruim van de Gentse ouderlijke verantwoordelijkheid heeft zich naar de Kouter begeven. De buurt is vergeven van de bakfietsen. Stewards wijzen iedereen vrolijk de goede kant op. Hier gebeurt het. Dit is de stad. De rest is koetsenparking.

Vooraan staan een paar honderd kinderen al samengedromd, hun ouders in een brede halve cirkel erachter. De moshpit, zeg maar.

“We gaan naar Kabouter Pinokkio!” Roep ik enthousiast. Mijn dochter Roos kijkt mij bars en beschaamd aan, ook al is ze nog maar vijf. “Het is Kapitein. Winokio. Met een W,” zegt ze nadrukkelijk en streng. We nemen de tram. Kleine Bo (1,5 jaar) gaat ook mee. Hij zal de kapitein een uur lang nadrukkelijk negeren en enkel oog hebben voor passerende trams en voor het hamburgerkraam in de rode bestelwagen (“Auto is gestopt papa!”).

Winokio komt stipt drie minuten na het beginuur in zijn kapiteinskostuum het podium op. Omringd door muzikanten die zullen meehelpen het publiek op te hitsen en het Fantaverbruik tot ongekende hoogten te jagen. Er is ook een Mevrouw de Poes.

Kapitein Winokio staat bekend voor zijn vlotte meezingliedjes, zijn sympathieke tussenteksten (“Wie heeft er hier een hoofd?”) en voor zijn mopjes. Drankgelach. Ik word vandaag vooral getroffen door zijn kindvriendelijke covers van Vlaamse klassiekers: Cha Cha Cha van Raymond van het Groenewoud, Chérie van Eddy Wally.

Het hele concert wordt door de kleine rakkers ongenadig meegeschreeuwd, de dansjes op het podium worden zo nauwkeurig mogelijk nagebootst.

Er is een kriebellied waarop het aanwezig schorem hun collega-concertgangers aan frut mogen kriebelen. En er is de kusjesdans op La Bamba. Alvorens hun tong in andermans keel te planten, dienen de kinderen dit jaar eerst beleefd toestemming te vragen. Mevrouw de Poes kijkt goedkeurend toe.

Na zes liedjes, drie Ice Teas en het rematriëren van een verloren kind glip ik er even tussenuit, om een boek te kopen in de backstage gelegen boekhandel Het Paard van Troje. Daar is de legendarische Nederlandse radiopresentator Jan Douwe Kroeske zowaar een 2Meter Sessie aan het presenteren. Kroeske, 2 meter hoog. Ahoi kapitein.

Ik ben nog net op tijd terug voor het bisnummer, en voor het moment waarop Kapitein Winokio tot zijn stomme verbazing door zijn eigen bandleden bedankt wordt. En dan nog wel als de beste kapitein ter wereld. Pinokkio.

Intussen missen we allemaal de doortocht van die andere kapitein: kapitein-ter-zee bij de Belgische Zeemacht prins Laurent is aangemeerd in de stad en loopt samen met zijn vrouw een paar honderd meter verder ongestoord door het Gentse bacchanaal. Niet om zelf op te treden, hij komt voor de nationale feestdag luisteren naar het Te Deum in de Sint-Baafskathedraal. Voor God en vaderland. En Pierke Pierlala. Cha Cha Cha.

Kapitein Winokio.jpg

David Hasselhoff

Vandaag lijk ik op David Hasselhoff. Twee druppels water.

David Hasselhoff van Baywatch, in slo-mo huppelend over het strand. Ik draag een rode zwemshort, een geel t-shirt met mijn naam erop, een rood jasje en bruine schoenen. 

Die bruine schoenen zijn duidelijk een vergissing, een dress malfunction. Baywatchers dragen geen bruine schoenen. Ik ben mijn sneakers thuis vergeten. Laat ons zeggen dat ik niet zo vestimentair begaafd ben. Normaal is dat niet erg. Vandaag wel.

Ik sta namelijk op het podium van Flanders Expo in Gent. Niet uit vrije wil. Dit is mijn werk.

Eerder vandaag heb ik Belle Perez met Enamorada Boem Boem aangekondigd op een quasi leeg gemeenteplein in Geel (om kwart voor 8 ’s ochtends). Ik heb samen met Pat Krimson van 2 Fabiola handtekeningen uitgedeeld op een basisschool in Paal, ik heb Def Dames Dope zien optreden voor vijf curieus uitgedoste personeelsleden van de Hubo in Beveren en Captain Jack (van Hey yo Captain Jack!) ontmoet op een parkeerterrein in Lochristi. Captain Jack de tweede. De originele Captain is overleden. Niet op zee maar op een feestje in Mallorca. Soit. 

Nu sta ik dus in Flanders Expo. In het oorverdovende gejuich van 14.000 bezoekers. Ze zijn verkleed als de Daltons, FC De Kampioenen, Sinterklaas, als paters en nonnen, brandweermannen, verpleegsters, Tirolermeisjes en bikers. Dit is de Foute Party van Qmusic. Het jaarlijkse feest dat ons radioseizoen afsluit aan het begin van de grote vakantie.

Naast mij staan mijn collega-Q-dj’s met allemaal dezelfde blik in de ogen: een combinatie van 1) dit is het meest fantastische moment uit mijn leven, en 2) ik heb voor radiopresentator gestudeerd maar hierover had niemand iets gezegd.

De afgelopen jaren heb ik al op dit podium gestaan als één van de The Bee Gees, als de zanger van Europe, als Maria uit The Sound of Music, Jennifer Lopez, ZZ Top, Mick Jagger en Marco Borsato in jarretels.

Maar vandaag dus als David Hasselhoff. Of een willekeurige andere Baywatch-hunk uit de diepe jaren ’90. De rolverdeling is niet zo duidelijk omschreven.

Het verhaaltje vanavond wel: het begon vier minuten geleden met enkele onschuldige strandbezoeksters in bikini, dan vond er een aanval plaats van een gevaarlijke pluchen haai, waarop wij net op tijd met een soort strandmobiel het podium kwamen opgetuft. Want zo doen dappere redders op het strand in Los Angeles dat. Ze komen samen in een auto het strand opgereden. Stoer kijkend naar de zee.

Geen Dalton die het verhaaltje volgt maar dat hoeft ook niet. De essentie is dat we hier straks na de intro met z’n allen de polonaise kunnen inzetten op Heb je even voor mij, met zakdoeken zwaaien op Les Lacs du Connemara en meebrullen met een feilloze mix van Thunderstruck en We’re going to Ibiza.

Na de opkomst met de strandauto doen de stoere redders samen een dansje. Min of meer gelijk. Vuist zes keer in de lucht, trekbeweging met de armen, rond de as draaien en alles nog eens opnieuw. We geven ons helemaal. David Hasselhoff voelt zich op het podium van Flanders Expo als een vis in het water. Ondanks zijn bruine schoenen en zijn schrijnend gebrek aan borsthaar.

Jammer dat Pamela Anderson er niet bij is vandaag. Straks draaien we 10.000 luchtballonnen. De zomer kan beginnen.

IMG_2552.JPG

Francis Bacon

Ik sta in een glazen inham, te glunderen als een kind in een snoepwinkel. Door de inham lijk ik in het schildersatelier van Francis Bacon te staan. Francis Bacon, de wereldberoemde schilder! Het genie der schildersgenieën! Die leefde van 1909 tot 1992! Die de paus afbeeldde als een schreeuwend skelet op een troon.

Het is prachtig en ontroerend.

En een ongelooflijke puinhoop. Het lijkt onze living wel. Zonder de Duploblokken en de Bumbaknuffels dan.

Overal op de grond liggen boeken, halfvolle potten verf, verpakkingen, stukken verfdoek, knipsels uit tijdschriften.

Je vraagt je af hoe je in deze ravage ooit een verfkwast of een penseel terugvindt, zelfs als je Francis Bacon heet en algemeen bekend staat als een genie in de verfborstel-business.

Potjes, kommen, verftubes, een lege doos waarin ooit een mixer verpakt zat, uitgescheurde foto’s én vernietigde schilderijen, in het online archief onder slashed canvases. Want alsof er nog niet genoeg rommel lag, begon Bacon ook nog eens zijn eigen schilderijen kapot te snijden. En vervolgens door iemand anders in ministukjes te laten knippen, anders werden ze op straat uit zijn vuilnisbak gejat. Hoe zou je zelf zijn, als buurman. 

Waarom hij zijn eigen schilderijen kapotsneed? Omdat hij ze slecht vond. Of belachelijk. Of met de verkeerde kwast geschilderd. Weet ik veel. Dat is iets om aan een echte kunstenaar te vragen. Koen Fillet, om nu maar een willekeurige andere schilder te noemen met vlees in zijn familienaam.

Eerlijk? Dit atelier is niet honderd procent echt. Want Francis Bacon is dus al dood, en zijn schildersatelier is na zijn overlijden overgebracht van Londen naar zijn geboortestad Dublin, waar ik nu sta. Het is wonderlijk, een exacte kopie van het origineel. Ze hebben elk object van zijn studio gefotografeerd, beschreven, online gearchiveerd, alles naar Dublin verhuisd en daar weer op exact dezelfde hoop gesmeten die Francis bij zijn dood achterliet.

En hier ligt het allemaal, in City Gallery The Hugh Lane in Dublin. Gratis toegang. Ook te zien: het werk waaraan hij nog bezig was toen hij stierf.

Francis Bacon hield voor de rest van orde: hij heeft proper elk decennium van zijn leven één boyfriend versleten, woonde boven een garage in Londen: een slaapkamer, mini-keukentje met badkamer en dit atelier, en ging elke avond trouw op de boemel. In een documentaire over zijn leven zie je hem al eens in verregaand beschonken toestand allerlei fascinerends oreren tegen de reporter. Tegenwoordig gaat een schilderijtje van hem voor niet minder dan 30 miljoen euro over de toonbank, en dan verdwijnt al snel elke kritiek op het glas teveel. En op de stofvod te weinig.

Hier sta ik nu, dankzij de goedkope mensen van Ryanair helemaal vanuit Brussel naar hier gevlogen om naar Bacon zijn rommel te kijken. Zot van bewondering voor de grootste schilder van de vorige eeuw.

Onvermijdelijke eerste gedachte: had Francis Bacon geweten dat ze na zijn dood alles met een heel archeologisch team zouden komen plat-analyseren, hij had misschien een beetje opgeruimd.

HipstamaticPhoto-550238950.083687.JPG

Dublin City Gallery The Hugh Lane

Terecht: Rechtvaardige Rechters

Dames, heren, lezers. Stop met zoeken. Het is afgelopen. De zaak is gesloten. Het mysterie is opgelost. De boeken mogen dicht. Het schilderij De Rechtvaardige Rechters is terecht.

Het ontbrekende paneel van het Lam Gods ligt onder de Pain Quotidien in Gent. Minder goed bekend als de Kalandeberg. Waar rioleringswerken bezig waren toen het paneel in 1934 gestolen werd.

Dat staat in het nieuwe boek van Marc de Bel, die behalve jeugdschrijver ook amateur-privédetective gespecialiseerd in kunsthistorisch erfgoed blijkt te zijn.

De Aanbidding van het Lam Gods hangt in de Sint-Baafskathedraal in Gent en is één van de belangrijkste schilderijen in de geschiedenis van de mensheid en ver daarbuiten. Weet ik omdat George Clooney dat in de film The Monuments Men aan de president van Amerika vertelt, waarop hij toestemming krijgt om met zijn bataljon soldaten een vracht kunstwerken te gaan redden uit de handen van de Nazi’s.

Ik heb de film The Monuments Men trouwens gezien op groot scherm in de Sint-Baafskathedraal zelf, met het Lam Gods achter onze rug. En met een dekentje, want het was koud. Belgische première. De film was een rommeltje, leek nergens op. Maar wat George zei over het Lam Gods was de nagel op de kop.

De diefstal van de Rechtvaardige Rechters is bovendien één van de meest fascinerende verhalen uit onze kunstgeschiedenis. Als Dan Brown (van De Da Vinci Code) ervan zou horen én overtuigd zou kunnen worden dat België een echt bestaand land is, zou hij er ogenblikkelijk een thriller over schrijven. Waarin de Rechtvaardige Rechters, ontvreemd door een complot van de vrijmetselarij en het bisdom, uiteindelijk via een 450 bladzijden durende speurtocht langs Washington, Rome en het Louvre in Parijs teruggevonden wordt tijdens een verzengend spannend einde één seconde voor het vergaan van de wereld. Onder de Pain Quotidien in Gent. Met codes en onderaardse gangen en kale psychopathische massamoordenaars. En met Tom Hanks in de rol van Marc de Bel.

Want Marc de Bel heeft het gestolen paneel dus gevonden. Samen met zijn maat Gino Marchal. Hebben ze verteld in het Gentse stadhuis.

Okee, ze hebben het schilderij nog niet opgegraven en de stad heeft zelf ook nog niet beslist om dat te doen, maar dat zijn details. Burgemeester Termont vraagt om nog niet direct met schop en pikhouweel naar de Kalandeberg te trekken. 

Ik heb Marc de Bel gebeld op de radio en hem in naam van de wereldbevolking alvast onze dankbaarheid betoond voor het oplossen van het mysterie. “Graag gedaan”, zei hij eenvoudig.

De Rechtvaardige Rechters is terecht. Laat de Gentse feestelijkheden beginnen. Ik heb alvast een vuurwerk besteld voor 21 juli.

Als je de volgende keer op een croissant zit te kauwen op het terras van de Pain Quotidien, geniet er dan van om uw voeten nog eventjes te laten rusten boven het belangrijkste verdwenen schilderwerk van onze geschiedenis. George Clooney heeft het gezegd.

Lam Gods.jpg

Dag Hautekiet

Ik zag hem nog op de Boekenbeurs in Antwerpen. Hij zat minzaam glimlachend te wachten tot iemand zijn boek zou kopen.

Ik zei niet: Hallo Hautekiet. Want dat is belachelijk. En ik heb al genoeg belachelijke dingen gedaan die het leven van Jan Hautekiet zuur hebben gemaakt. Daarover straks meer. Eerst dit:

Jan Hautekiet is een radiomonument. 

Niet zozeer omwille van zijn stem. Waar de technici de laagste bastonen moesten uitfilteren om hem goed hoorbaar in de ether te krijgen. De hoogste man met de diepste stem.

Niet omdat hij mee Studio Brussel opgericht heeft, of omdat hij zo razend strak kon presenteren dat de avondspits voorbij was voor je naar adem kon happen. En er tijdens de muziek ook nog in slaagde zijn volledige administratie erdoor te jagen zonder dat één luisteraar iets merkte.

Wél omdat hij veranderd heeft hoe je als radiopresentator kan klinken in ons land: minder presenteren, stijf, elitair en vanuit de hoogte, maar gewoon praten tegen die ene mens aan de andere kant van het radiotoestel. Samen met de luisteraars een café-gevoel creëren. Gewoon babbelen.

Het is het moeilijkste wat er is op de radio, de zoektocht van elke presentator: hoe slaag ik erin op een normale manier te spreken in de meest abnormale situatie aller tijden: in een afgesloten, geluidsdicht hok dat vol microfoons en camera’s hangt terwijl duizenden mensen overal in het land horen wat je zegt. Hoe vind ik die toon? Hoe vind ik mezelf?

Wat hij nòg deed in Hallo Hautekiet: lachen, mensen van antenne gooien, niet braaf zijn, en de radio maken waar we allemaal naar streven: radio waarbij je het gevoel hebt dat er elk moment iets kan gebeuren.

Jan Hautekiet is mijn baas geweest toen ik bij Studio Brussel werkte. Hij heeft de beslissing genomen om mij de ochtendshow te laten presenteren. Dat had nogal wat voeten in de aarde, want ik wilde opslag. Opslag op de VRT was toen een ongehoord begrip, een administratief, technisch en ideologisch volstrekte onmogelijkheid. Nauwelijks enkele uren na mijn vraag moest ik als jonkie voor het voltallige directiecomité van de VRT-radio verschijnen om te checken of ik nu nog steeds opslag wilde. Uiteindelijk kreeg ik de volle 34 euro meer per maand. Bruto. Om mijn extra benzinekosten mee te betalen.

Toen hij hoofd van Radio 1 was en samen met Canvas de verkiezing van De Grootste Belg organiseerde, kwam ik op het idee om samen met mijn Studio Brussel-ochtendluisteraars Eva Pauwels in de lijst te katapulteren, ex van Jacques Vermeire en toen bekend van een tv-programma waarin ze de Italiaanse fauna en flora lijfelijk was gaan verkennen. Enkele weken vòòr het einde van de actie was Jan Hautekiet verplicht om Eva Pauwels officieel en zonder enige noembare reden te diskwalificeren uit de lijst van de Grootste Belg, waar ze intussen in de top 10 was beland en onafwendbaar op de nummer 1-positie van Pater Damiaan afstevende.

Sorry Hautekiet.

Eerlijk? Jan Hautekiet speelde liever piano dan baas. En er is niemand die hem ongelijk geeft.

Ik stapte op hem af op de Boekenbeurs. Ik zei niet: Hallo Hautekiet. Ik zei: Dag Jan. Zijn boek ging over taal en levenswijsheden. Waarover anders.

Hij heeft iets doen gebeuren op de Vlaamse radio.

Dag Jan. Dag Hautekiet. Danku voor alles.

jan_hautekiet_280817.jpg

📸 Radio 1

Moorddadige monsters en homoseksuele cowboys

En toen kwam het moorddadige monster het bos uitgehuppeld.

Lap, dacht ik, daar gaan we weer. Ik wilde meteen de bioscoop uitrennen maar ik mocht niet van mijn vriendin, want zij had mij pas een halfuur eerder met veel moeite naar binnen gesleurd.

We zaten in Studio Skoop in Gent naar de film A Quiet Place te kijken. Een horrorfilm. Ik hou niet van horrorfilms. Ik heb daar schrik van. Ook al besef ik dat dat net de bedoeling is.

Ik wilde liever naar het drama over de homoseksuele cowboys, de komedie over Stalin of desnoods de tekenfilm over hondjes. Om het even. Als het maar geen horrorfilm was. Maar mijn vriendin zei streng dat ik mij voor één keer als een echte man moest gedragen en ze trok mij zaal 1 binnen.

A Quiet Place gaat over een gezin (geen spoilers – ik verklap niks wat je nog niet weet uit de trailer) dat in een dorpje woont waar je altijd stil moet zijn, anders word je opgevreten. Want er zijn dus obscure monsters in de buurt die enorme honger hebben en blind zijn en daarom alles pakken wat lawaai maakt.

Blijkbaar vonden mama en papa de aanwezige monsterpopulatie geen obstakel om nog een extra baby te produceren. Ja, mama is weer zwanger. En pers zo’n kind maar eens ter wereld zonder het hele dorp bij elkaar te brullen. Monsters inclusief.

Het was een ijzingwekkende film. Niemand in de bioscoopzaal grabbelde in zijn popcorn, niemand kraakte met een zak chips. Omdat de spanning en de stilte te snijden waren. En ook wel omdat ze in Studio Skoop geen popcorn of chips verkopen. Soit.

En toen kwam het vreselijke monster dus plots tevoorschijn. Als een luipaard in de Beekse Bergen zeg maar. Ik heb daar een groot probleem mee, zeker in horrorfilms. Als zo’n monster onzichtbaar blijft, in zijn hol resideert en af en toe in de donkere nacht een hallucinante deerne verslindt, is dat allemaal ok voor mij. Mysterieuze monsters zijn de max. Maar op het moment dat ik het monster in de film effectief te zien krijg, is voor mij de lol eraf. Als je vaststelt dat het monster er weer uitziet als een dubieuze kruising tussen een draak, een mens en een uit de hand gelopen hagedis, zoals elk filmmonster, hoeft het voor mij niet meer.

Kijk maar naar The Shape of Water, een oscarwinnende film met een mormel dat vanuit zijn zwembad een relatie met het hoofdpersonage begint en dat als enige verschil met alle andere monsters in alle andere films iets meer op een kikker lijkt dan op een hagedis. Flikker op met je monster. En je oscars.

In A Quiet Place was het dus weer prijs. Zat ik daar suf van de schrik en de spanning, chips- en popcornloos de arm van mijn lief tot moes te knijpen, komt plots dat monster uit het bos. Draak mens hagedis. Weg mysterie. Gedaan met de pret.

Ik zal niet verklappen wat er nadien nog gebeurde, maar enorm opbeurend voor de filmpersonages was het niet. Ik ben mij tot het einde talloze keren de pleuris geschrokken.

Los van mijn persoonlijke obsessie met moorddadige misbaksels, is A Quiet Place zeker te pruimen. In de lijst van horrorfilms die ik de afgelopen jaren gezien heb, staat hij zeker in de top 10. Wellicht op nummer 1 zelfs, omdat ik mij met de beste wil van de wereld geen andere horrorfilm kan herinneren.

Ik ben achteraf op vrij normale wijze naast mijn vriendin de bioscoop uitgewandeld, zonder extreme angstvisioenen, achtervolgingswaanzin of schrik om lawaai te maken. Ik had wel vreselijke honger.

Volgende week mag ik naar de homoseksuele cowboys.

2692512-thumb.jpg