Safarifile

Het jachtluipaard snuffelt aan de wielen van onze auto, kijkt even op, stapt naar rechts en lijkt dan uit het zicht te verdwijnen. Om even later plots op te duiken in onze achteruitkijkspiegel. In vol ornaat. Hooghartig.

We hebben de afgelopen maanden Pairi Daiza bezocht, de Zoo van Antwerpen en twee keer Planckendael, want ik heb na de geboorte van kind 2 meteen in een familie-jaarabonnement geïnvesteerd. We kunnen nu desnoods elke dag naar de dierentuin, tot we geen pinguïn of olifant of blauwe gnoe meer kunnen zien.

Maar dit is andere koek: nu staan we met onze auto midden in een safaripark: de Beekse Bergen in Nederland.

Een safaripark is een dierenpark met meer plaats. Véél meer plaats. Je kan hier kamperen in een tent of in een huisje waar klokvast elk halfuur een kudde wilde dieren passeert. Je kan een bootsafari van 20 minuten doen, je mag met de auto door de savanne rijden, tussen de kamelen en de giraffen. Er is zelfs een kanosafari. En een gamedrive. Ik weet niet wat een gamedrive is.

Wat niet mag, is uitstappen.

Vier dagen geleden hebben enkele Franse toeristen de Beekse Bergen wereldberoemd gemaakt door op exact deze plek, tussen de jachtluipaarden, uit hun auto te stappen en samen met hun vierjarige zoon op een heuveltje van het uitzicht te gaan genieten.

De luipaarden zagen in zoonlief een overheerlijk dessertje en de Fransen konden maar net op tijd terug in hun voiture vluchten. Het hele avontuur werd gefilmd door enkele Nederlanders die live commentaar gaven alsof ze naar een aflevering van Temptation Island zaten te kijken. 

Wij stappen niet uit. De wagen is stevig op slot en we turen langs alle kanten door de raampjes. Ergens moet hier nog een collega-jachtluipaard rondhangen, als het tenminste niet vergast is door de uitlaatgassen van de honderden auto’s die hier dagelijks in een oneindige file staan.

Ooit zullen we lachen met dierenparken. Onze achter-achterkleinkinderen zullen zich afvragen hoe we het in ons hoofd haalden om intelligente dieren groter dan wijzelf op te sluiten in een hok en er massaal naar te gaan kijken met een familie-jaarabonnement. Erger nog: op de ruit te kloppen in de hoop dat de chimpansee een rare bek trekt. Ooit tonen we enkel nog inheemse soorten in de dierentuin. Ter vermaak en educatie van onze uitgedroogde stadskinderen. De koe. Het varken. De kip. De ekster.

In de Zoo van Antwerpen moeten de zeeleeuwen nog steeds elke dag kunstjes doen. Tijdens een protestactie onlangs midden in de zeeleeuwenshow begon het publiek de demonstranten uit te jouwen. Eén man liep naar buiten, kwam terug binnen en gooide een levende eend naar een actievoerder. Bezoekers van de Zoo willen geen optreden van dierenliefhebbers, ze willen zeeleeuwen die kusjes geven en door een hoepel springen.

Hier moeten de dieren niks. Geen kunstjes. Geen kusjes. Ze mogen rustig staan grazen in de savanne, of uren liggen luieren in het gras zoals leeuwen dat graag doen, of wegdommelen in de zon, of kijken naar de passerende bezoekers, stinkend in hun bootjes en in hun bolides.

En als het safaripark ooit opgedoekt wordt, valt hier nog genoeg te beleven. Er is een speelland met trampolines, een strand, een minigolfbaan, een zwembad en een vijver waarop je met botsbootjes tegen elkaar kan knallen. Ik ben met mijn dochter rustig gaan varen in een waterfiets in de vorm van een zwaan. Vrij als een vogel.

Morgen gaan we misschien nog eens in de safarifile staan.

HipstamaticPhoto-548177909.948004.JPG

Iglo

Ik stond te kijken naar een iglo.

Het was geen echte iglo, want ik was in Gent. Daar zijn geen echte iglo’s.

De iglo leek gemaakt van metaaldraad en er stonden Engelse woorden in neonletters op. Van eskimo’s geen spoor.

Ik bevond mij in een museum vlak om de hoek waar ik woon, aan de Coupure in Gent. Er is een drankencentrale die De Hopduvel heet en strategisch ernaast: een fitnesscentrum. Briljant. Maar dat museum? Nooit gezien. Urenlang heb ik gezweet, gefietst, getrappeld, gewichten omhoog gedrukt en vruchteloos spieren getraind op de meest onwaarschijnlijke fitnesstoestellen, mij niet bewust van het feit dat ik nauwelijks een paar meter verder evengoed naar een iglo met neonletters had kunnen staan kijken.

Toen we binnenkwamen in het museum, werden we meteen begroet door een meisje met een paniekerige blik in haar ogen.

“Ik heb zeer slecht nieuws” sprak ze.

Vragend keken wij terug.

“Het is alleen plus 14 jaar” zei ze met een trek van spijt om haar mond en een onzekere blik naar onze twee kinderen. “Ik kan er niks aan doen.” Het was niet persoonlijk bedoeld.

Ons dochtertje Roos stond nog na te hijgen van een rit met haar roze kinderfiets waarbij ze net een cocker spaniël in de prak had gereden en Bo was in slaap aan het vallen in de draagzak, hevig zuigend op zijn tutje. Volhouden dat onze kroost de 14 al gepasseerd was, leek niet het beste idee aller tijden.

“Rot op met uw museum”, wilde ik zeggen, “niet persoonlijk bedoeld”. Maar dat zei ik niet. Want ik ben vriendelijk en beleefd en niet overgeïrriteerd door elke dag de ochtendshow op de radio te presenteren.

Het museum is enkel de eerste zondag van de maand drie uur open, dus flexibiliteit was niet aan de orde. We besloten dat ik op mijn eentje de tentoonstelling zou bekijken en achteraf verslag zou uitbrengen. Marie zou met de kindjes onschuldige kippen gaan folteren in het parkje vlakbij.

Ik kocht een ticket. 14 knotsen.

En daar stond ik nu. Te staren naar een iglo van ijzerdraad.

Er was niet alleen een iglo; wat verder hing een muur vol afgescheurde stukken zwart papier die iemand ingekaderd had. Een ander kunstwerk bestond uit een reeks foto’s aan de wand in de vorm van een juichend mannetje, en op de grond stond een cirkel getekend in krijt.

Volgens de folder die ik had gekregen van het meisje stelden de kunstwerken de relatie van de kunstenaar met het kunstwerk in vraag. Na uitgebreide studie bekroop mij het bange vermoeden dat de inhoud van het museum grotendeels over de inhoud van het museum zelf ging. Maar daar was ik niet helemaal zeker van.

Voor de rest was het plezierig. En interessant. Een aanrader. Dat meen ik.

De Herbert Foundation. Zo heet het museum. Was ik vergeten te zeggen.

Volgende maand mag Marie komen kijken. Ik kan de iglo alvast warm aanbevelen.

HipstamaticPhoto-547579506.119009.jpg

De brug

Het was een brugdag en wij zaten naar The Bridge te kijken. Op dvd, zoals vroeger, lekker ouderwets.

The Bridge is een politiereeks over een Zweedse inspecteur, Saga heet ze, die zich door ingewikkelde moordzaken worstelt, ondersteund door wisselende mannelijke Deense collega’s. Wisselend, want haar collega van seizoen 1 heeft ze hoogstpersoonlijk de gevangenis ingedraaid. Speciaal meisje, die Saga.

Het was het vierde en laatste seizoen van The Bridge dat wij likkebaardend bingewatchten in onze luie zetel. Terwijl onze kindjes in hun veilige bedje lagen, ging Saga op zoek naar alweer een seriemoordenaar en ontwikkelden wij dramatisch verkeerde theorieën over massamoordende huisvaders, bedriegende echtgenotes en maffieuze garagisten.

Nordic noir noemen ze series als The Bridge, omdat ze zich in het hoge noorden situeren waar het altijd donker is òf de actie zich in een huis afspeelt waar de gordijnen dicht zijn. Dit in tegenstelling tot Hollywood, waar niemand gordijnen bezit en iedereen buiten wil filmen omdat de zon er altijd schijnt.

Ook anders dan in Hollywood is het sterke personage in Scandinavische reeksen bijna altijd een vrouw, waar steeds een paar onkundige, krampachtige losers, zielige sukkels van mannen rond zwermen om te wachten tot vrouwlief het zich verwaardigt met een vingerknip de zaak te ontrafelen. Ik word elke keer verliefd op hen. In The Killing Sarah Lund (die met haar wollen trui), in Borgen eerste minister Birgitte Nyborg, in The Bridge dus Saga Norén, licht autistisch, licht aspergisch. (is dat een woord, aspergisch?) Dat laatste moet blijken uit haar hopeloos gebrek aan medeleven met elk slachtoffer van een sadistische killer en met het feit dat ze aan iedereen openlijk vraagt met wie ze recent nog seks hebben gehad.

Uiteraard wordt er in de reeks ook verliefd geworden, ruzie gemaakt én gestorven, zelfs als de seriemoordenaar een vrije dag heeft, wat de verwarring en het kijkplezier alleen maar groter maakt.

De allerlaatste beelden van seizoen 4 waren beelden van the bridge zelf, de brug tussen de Deense hoofdstad Kopenhagen en het Zweedse Malmø. Met op die beelden muziek: everything goes back to the beginning uit het sublieme Hollow Talk van de band Choir Of Young Believers. Ooit live gaan zien in Hasselt. De serie was beter.

Daar zaten we, emotioneel te zitten in onze zetel. Omdat het raadsel weer eens opgelost was, de intriges doorploeterd, de hoofdrolspelers tot inzicht gekomen, alles terug bij af. Omdat we het einde van het laatste seizoen bereikt hadden, tenzij er misschien een comeback zou komen over tien jaar of zo, maar ik denk het niet, in Denemarken zijn ze slimmer dan dat.

Het was een brugdag, de dag nadien hadden we een vrije dag om te bekomen. We keken wat verdwaasd door het raam naar buiten. Het was al donker en alles was normaal. Bedroevend normaal. Boven lag ons zoontje Bo te snurken in zijn bedje.

Every Saga Ends.

 

The-Bridge-4_DVD_2D

 

Nick Cave

Nick Cave strekte zijn vingers uit naar de eerste rij van het publiek. Je kon zijn bezwete hemd bijna ruiken, je kon de enorme ring zien die aan zijn middenvinger hing. De fans gilden en keken verrukt naar omhoog, in adoratie voor de man die god en de duivel in één lijf verenigt. Toen haalde hij uit met zijn stem, brulde en kronkelde achterover terwijl zijn band The Bad Seeds hun instrumenten eerst deden krijsen en dan ontploffen. De concertzaal daverde op zijn grondvesten.

Ik tastte naar de zak popcorn onder mijn bioscoopzetel en vroeg mijn vriendin of ze het flesje water even kon doorgeven.

Daar zaten we, licht onderuitgezakt in een bioscoop in Oostende, naar een opname van een concert van Nick Cave in Kopenhagen te kijken dat tegelijk in de hele wereld werd vertoond. 

Het was schitterend. Cave draafde en stampte over het podium, hij woelde door het publiek en moedigde hen aan om te zingen en te klappen terwijl wij niks moesten doen, alleen maar naar het scherm turen en eraan denken om tijdig aan ons ijsje te likken voor het smolt. Zelfs applaudisseren tussen de nummers was nergens voor nodig.

We waren niet drie uur op voorhand moeten vertrekken richting Sportpaleis om in de file te staan voor de Kennedytunnel, drie kwartier te zoeken naar een parkeerplaats en na twintig minuten aanschuiven voor de ingang vast te stellen dat iemand het initiatief genomen had om de mannelijke bezoekers deze keer eens via een andere deur twintig meter verderop binnen te laten.

Om dan natgeregend, idioot van de honger en murw van het wachten met een kratje kartonnen spaghetti en een flesje water van 20 euro te gaan zitten op onze plastic stoeltjes op rij 237 en te wachten tot het concert begon.

Allemaal geen last van. 

Geen rugpijn van te lang recht te staan of ongemakkelijk te zitten, geen biervloer waaraan onze schoenen bleven kleven, geen meebrullende buren (“into maaaai aaarms!!”), geen drank- en etenswaren die ons in alle richtingen over het hoofd vlogen. Enkel Nick Cave, altijd twintig meter breed in close-up voor ons. 

Ok, er waren kleine nadelen. We kregen iets te vaak een langharige Viking in beeld die van een enorme pint slurpte, de cameraman had een voorkeur voor hevig tongende Deense koppels en hij was Nick Cave kwijt nét toen die in het publiek was gesprongen en we allemaal wilden zien wat hij deed. Maar dat zijn details. Het een prachtervaring. Zo stond het ook op de affiche: joyous and unexpectedly triumphant. Dat betekent volgens mij: een prachtervaring. One night only. Nick Cave & The Bad Seeds live in Copenhagen. Dit zouden ze met alle concerten moeten doen.

Al was het close. We waren er bijna ingeluist. Aan de ingang had een zaalwachter van de bioscoop ons subtiel knipogend gezegd dat we beter ons ticket hadden afgeprint omdat er een verrassing was! Een verrassing voor mensen met afgeprinte tickets! Wij hadden onze kaartjes naïefweg gewoon op onze smartphone bewaard – volgens hem een radicaal verkeerde beslissing. Even later bleek waarom: vòòr de concertfilm begon, werden alle papieren tickets samen in een grote pot gegooid en uit de pot werd een winnaar gegrabbeld die een dagticket voor Rock Werchter won. De dag waarop Nick Cave komt optreden. Om hem toch eens écht live te zien.

Gelukkig hebben we niet gewonnen en moeten we dus niet naar Werchter. Hopen maar dat ze het concert snel in de cinema tonen. Joyous and unexpectedly triumphant.

9e9a0aed4a.jpg

Johnny Depp

Het is niet gemakkelijk om Johnny Depp te zijn.

Ik stapte de trappen op van de Kinepolis in Gent, waar de Vlaamse première van de film Sherlock Gnomes plaatsvond.

Sherlock Gnomes is geen historisch-culturele adaptatie van de werken van sir Arthur Conan Doyle, het is een tekenfilm over tuinkabouters. Want een gnoom is een kabouter. In het Engels.

PvtCW8t.jpg-large.jpeg

Ik doe het stemmetje van Sherlock, in Amerika gespeeld door Johnny Depp. Vandaag ben ik dus even de Johnny Depp van Vlaanderen, zoals Kris Peeters tijdens lang vervlogen verkiezingscampagnes wel eens voor de Vlaamse George Clooney werd versleten. Lang vervlogen.

Er werden kaboutermutsen uitgedeeld en er was een receptie; niet met champagne en toast met kaviaar, maar met Fristi, roze donuts en croissants. Dat komt omdat het 10 uur ’s ochtends was en omdat Sherlock Gnomes een kinderfilm is. Ik had strategisch dan ook twee minderjarigen meegenomen: mijn dochter van vijf en haar schoolvriendinnetje.

Tijdens de ontbijtreceptie had ik een gesprek met acteur Jeroen Van Dyck. Ik dacht dat ik de enige was die er niks van gebakken had tijdens de stemopnames, maar gelukkig vertelde Jeroen Van Dyck dat het bij hem ook rampzalig verlopen was. Hij is nochtans een gevierd acteur én de ex van Nathalie Meskens, maar dat liet ik wijselijk in het midden.

Er moesten enkele foto’s genomen worden voor een geïmproviseerd tuinkabouterbos en toen zou de film beginnen.

Een aardig meisje deed de inleiding en riep de stemacteurs naar voor. Ze vroeg mij waarom ik de rol van Sherlock Gnomes speelde. Ik antwoordde vriendelijk: “Sherlock Gnomes is een vreselijk arrogante onbeleefderik en daarom hadden ze spontaan aan mij gedacht.”

De zaal gniffelde. Ik was tevreden. Mensen willen humor.

Toen pas drong de waarheid tot mij door. Naast mij stond Els De Schepper. Els De Schepper, bekend van cabaret en televisie en van Supervrouw. Volgens velen de grappigste vrouw van Vlaanderen. Ik moest iets zeggen! Iets hilarisch. Iets spitsvondigs. Iets waardoor ze mij zou onthouden als haar mannelijke tegenhanger!

Els, die een kikker speelt in de film, had ook net een vraag beantwoord – het ging over haar vingers, vraag mij niet waarom – waarop ik haar in het oor fluisterde: “haha, goed antwoord!”

“Haha, goed antwoord.” Om dood te vallen.

Els keek mij aan met een blik die twee dingen kon betekenen. Eén: ‘Dit is niet grappig. Dit is meer bepaald de domste opmerking die ik in jaren gehoord heb.’ Twee: ‘Ik heb niet verstaan wat je zei. Doe jij ook iets in deze film of sta je hier per ongeluk?’ Ik hoop dat het het laatste was.

Toen kregen we bloemen. Er was ons vooraf zes keer op het hart gedrukt dat we de bloemen meteen weer moesten afgeven om geen lawaai te maken tijdens de filmvoorstelling, maar dat we niet moesten panikeren: we zouden ze meteen na de film terugkrijgen. Alsof iemand een scène zou beginnen maken omdat hij zijn bloemen niet wilde afgeven.

Ik kreeg bovendien ook een ster. Een gouden ster waarop stond: Cast Sherlock Gnomes. Normaal wordt zo’n ster op de muur van de bioscoop gehangen, of in sommige gevallen op Hollywood Boulevard gelegd, maar nu niet. Nu kreeg ik ze.

Daar stond ik met mijn ster. Fier als een tuingieter. Al was het mij niet zo duidelijk wat ik ermee moest doen.

Iemand vroeg mij zelfs: wat wil je ermee doen, met die ster? Ik had geen idee. Wat doe je met een gouden ster met Cast Sherlock Gnomes erop? Verloten? Meenemen naar huis en ophangen in je inkomhal? Schenken aan de VAF, de Vereniging van Antwerpse Filmsterrenverzamelaars?

Allemaal problemen waarmee Johnny Depp ongetwijfeld ook regelmatig te maken krijgt.

Daarna mochten we eindelijk gaan zitten om de film te bekijken. Hij blijkt te gaan over een detective die in Londen een nest verdwenen tuinkabouters moet zoeken. De detective heet Sherlock Gnomes. Ik bleek de hoofdrol te zijn.

Het hoogtepunt voor mijn dochter: de snoepjes die ze kreeg bij het binnenkomen en de zak popcorn waarvan ze de volledige inhoud anderhalve minuut voor het begin van de film op de grond liet vallen.

Sherlock Gnomes speelt vanaf 11 april 2018 in de bioscoop.

_DSC8556.JPG