Op vakantie bij Friedrich Nietzsche

We turen met z’n allen naar een tafelkleedje. Het is zwart met twee groene, gehaakte strepen, het heeft frutseltjes onderaan en is 25.000 euro waard.

Ik sta in de kamer waar filosoof Friedrich Nietzsche meer dan 100 jaar geleden enkele zomers doorbracht. Er staat een sofa en een tafeltje met daarop dat kleedje en een lamp. Er is een raam dat uitkijkt op de bergen, en voorts een kast, een bed en twee kinderen, die van mij.

We staan in het Nietzsche-Haus in Sils Maria, een minuscuul dorpje in het Engadin-dal in Zwitserland, tussen Maloja (van de CM) en St.-Moritz (van de vijfsterrenhotels en de wintergolf).

Sinds onze aankomst is het niet opgehouden met sneeuwen. We zijn eind oktober. Bij het opstaan de eerste ochtend bleek de sneeuw kniehoog te liggen. We zouden met de auto geen meter vooruit geraakt zijn, hadden we geprobeerd om boodschappen te doen, was er hier in de wijde omtrek ergens een winkel open geweest.

In Sils Maria is er één warenhuis dat maandenlang gesloten is voor verbouwingen; de enige bakker is dicht, alle restaurants en hotels, op één na, zijn gesloten tot midden december. Alles ademt tussenseizoen. Wij zijn deze week de enige toeristen. Zomerwandelaars noch skiërs. Mosselen noch vis.

Enkele uren per dag spelen we in de sneeuw. De rest van de tijd zitten we in ons gehuurd appartementje Rummikub te spelen en naar buiten te staren. Veel meer kan je niet doen. Een witte sneeuwvlakte honderden meters ver, en als de vlakte stopt: besneeuwde bergen zo ver en zo hoog je kan zien. We komen van 25 graden twee weken geleden in België.

Als relevante ontspanning lees ik De antichrist, Friedrich Nietzsches furieuze afrekening met het christendom, die hij in de zomer van 1888 hier in Sils Maria schreef. Nietzsche gaat als een razende tekeer tegen christenen, priesters en de katholieke kerk. Het is prachtig, het is als het ware hartverwarmend, hier tussen de metershoge pakken sneeuw.

Maar nu staan we in het centrum van Sils Maria, in het huis waar Nietzsche schreef en zijn mooiste zomers doorbracht. Het Nietzsche-Haus is een museum geworden, en is deze maanden – net zoals de rest van het dorp – gesloten. Tussenseizoen.

Gelukkig hebben we hier enkele dagen geleden in de bar van het enige hotel dat open is, de vervangcurator van het Nietzsche-Haus ontmoet, Rolf, die ons uitnodigde om op bezoek te komen. En hier staan we nu. Met een koets en twee kinderen tussen de meubels van de filosoof met de hamer.

Rolf is geweldig lief en attent. Hij geeft ons een uitgebreide rondleiding, ook al zijn voyeuristische toeristen hier nu officieel niet welkom. En ook al houdt onze Bo (2 jaar) zich de hele tijd bezig met alle deuren open te rukken en weer dicht te slaan, filosofisch erfgoed of niet. Roos zit een tekening te maken aan de keukentafel.

Eén van de topattracties in het huis is het tafelkleedje in de slaapkamer van Nietzsche. Dat werd volgens Rolf door de filosoof hoogstpersoonlijk ontworpen omdat hij niet van witte tafellakens hield. Niet dat Nietzsche een tafellakenexpert was, neen, zijn ogen konden moeilijk fel wit verdragen. Daarom liet hij een speciaal kleedje maken dat het Nietzsche-Haus dankzij een Gulle Gever kon aankopen voor 25.000 Zwitserse frank.

Voor de rest zijn in dit huis foto’s te zien, originele brieven, een handbeschreven visitekaartje: Prof. Dr. Nietzsche, zijn verzameld werk en zijn doodsmasker (weetje: Nietzsches Nazi-liefhebbende zus liet op eigen initiatief een nieuwe, mooiere versie van zijn dodenmasker produceren).

Ook hangt hier veel kunst: de grote Duitse kunstenaar Gerhard Richter komt regelmatig eens wat werk exposeren. Het glasraam op de eerste verdieping is gerecycleerd van zijn monumentaal werk in de Dom van Keulen. 

En aan de muren: gekopieerde brieven van de reuzen die in Sils Maria tijd hebben doorgebracht, al dan niet in de voetsporen van Nietzsche. Hun namen klinken als een klok: Proust, Hesse, Pasternak, Benjamin, Cocteau, Musil, Frisch, Mann, Adorno, Tucholsky, Rilke, Anne Frank en koningin Mathilde.

Inderdaad, ook de innemende en vroom katholieke koningin Mathilde van België was hier een maand geleden op bezoek met een royale delegatie van allerlei adellijks uit de buurt. Op het einde van ons bezoek vernielt mijn dochter Roos met een efficiënte uithaal bijna de fotokader met de foto’s van haar bezoek. Qua antichrist is de opvolging hier verzekerd.

HipstamaticPhoto-562676197.775948.JPG

Het Nietzsche-Haus in Sils Maria

Het verslag van mijn lectuur van De antichrist lees je hier.

Ontsnapte gorilla

Ik heb een ontsnapte gorilla gezien. Een echte, live in de dierentuin. Dat is waar gorilla’s wonen, volgens het spelletje dier in je hoofd dat ik minstens zeven keer per week met mijn dochter Roos speel. Woont het dier op de boerderij? Neen? Dan woont het in de dierentuin.

We waren afgelopen weekend voor Roos haar zesde verjaardag in Apenheul, een dierenpark bijna uitsluitend bevolkt door apen. We hadden onze dochter een doe-cadeautje geschonken met als achterliggende bedoeling de oneindig uitdeinende speelgoedlawine tijdelijk een halt toe te roepen.

Apenheul zit niet alleen vol apen, maar ook vol Nederlanders. Dat komt omdat het park in Nederland ligt, in Apeldoorn zelfs, je verzint het niet. De Nederlanders mogen er vrij tussen de apen rondlopen. De andere bezoekers trouwens ook. Je mag de apen alleen niet lokken, aaien, eten geven, ontmantelen met een schroevendraaier of behandelen met betoncoating, ik zeg maar wat.

Op onze tocht door het park zagen we tientallen apensoorten, in alle maten en gewichten, overzichtelijk geordend volgens merk. Brulapen, slingerapen, dwergaapjes, orang-oetans én bonobo’s, die volgens de gids bekend staan om hun uitbundige seksuele gedrag. Maar daar was helaas niks van te merken. Alles verliep beschaafd en kindvriendelijk.

Tot we bij de witschouderkapucijnaapjes kwamen. Daar ging het mis. Niet op seksueel vlak, eerder organisatorisch. Tussen hen zat namelijk: een gorilla. Het gorilla-eiland is van de kapucijnaapjes gescheiden door elektrisch geladen prikkeldraad. Maar de gorilla was iets te enthousiast op verkenningstocht gegaan, had een houten tak in twee gebroken en was daarmee doorheen de prikkeldraad geraakt.

Het was hallucinant. De witschouderkapucijnaapjes, die elk ongeveer twintig keer in zo’n gorilla kunnen, schrokken zich…euh… een aap en stoven in paniek alle kanten op. De gorilla kroop heen en weer op de veel te dunne takken van hun boom. Af en toe probeerde hij terug door de prikkeldraad te geraken. Lukte niet. Daar zat hij, opgesloten in het verkeerde hok, stevig in de aap gelogeerd.

Mijn eerste reactie was dat dit spektakel wellicht elk weekend georganiseerd wordt om de bezoekers een authentieke, verrassende beleving aan te bieden, maar toen arriveerde er een dierenverzorger op een nabijgelegen dak, en nog één. Ze waren druk aan het telefoneren en liepen nerveus rond. Onder hen de verzorgster die twee uur daarvoor tijdens het voedermoment nog een grappig filmpje had laten zien van die ene gorilla die er ooit in geslaagd was om onder een draad door te kruipen.

Dit was minder grappig. De gorilla probeerde keer op keer met zijn tak een ladder te maken om aan de overkant te geraken, maar hij werd teruggeworpen door shocks van de elektrische prikkeldraad. Toen hij een plas water naar de andere kant wilde oversteken, nam de ongerustheid bij de verzorgers toe – ze waren nu al met vier aan het toekijken. Ze probeerden King Kong naar zijn eigen verblijf terug te lokken door stukken voedsel te gooien.

Intussen was de helft van aapminnend Nederland samengestroomd om het spektakel te bewonderen.

Pas na een halfuur slaagde de gorilla erin om na een gevecht met de prikkeldraad weer in zijn eigen verblijf te kruipen. Groot was de opluchting, bij verzorgers en publiek.

Intussen had Roos laten weten dat ze Apenheul maar een stom park vond, vervelend omdat er alleen maar apen te zien zijn. Ach, kinderen en apen, ondankbare schepsels, nooit tevreden. Dringend tijd om naar huis te gaan. Benieuwd waar de gorilla bij zijn volgende uitstap naartoe trekt.

HipstamaticPhoto-561833973.339036.JPG

Loslopende luipaarden in de Beekse Bergen? Lees hier.

Graceland

It was a slow day, and the sun was beating on the soldiers by the side of the road

There was a bright light, a shattering of shop windows

The bomb in the baby carriage was wired to the radio

(uit The Boy in the Bubble – Paul Simon)


Ik ben weer verslingerd aan Graceland van Paul Simon. Uitgekomen in 1986, en toen op basis van mijn alomvattende muziekkennis door mij ingeschat als het beste album aller tijden (ik was 13). Vandaag, op de verjaardag van Paul Simon, ben ik het weer roerend eens met mijzelf. Iets wat mij geregeld overkomt.

Ik ben het album Graceland in die tijd nog gaan voorstellen op Studio Brussel, bij mijn toenmalige radioheld Dirk Blancke voor zijn rubriek De Monument-elpee. Ja het was toen nog met elpees te doen. Intussen zijn die vervangen door cd’s, die op hun beurt afgelost zijn door iTunes, dan door Spotify en nu zijn de elpees weer terug. Ik was geen hipster avant-la-lettre. Nooit geweest.

Ik moest van Dirk vier nummers kiezen en uitleggen waarom ik ze wilde laten horen aan de luisteraars. Apetrots en strontnerveus kwam ik met mijn ouders aan in het VRT-gebouw en werd ik in de studio gedropt. Als eerste keuze stotterde ik The Boy in the Bubble in de vernieling, het openingsnummer. Het was onvergetelijk. Voor mij althans.

Ik ben niet zo nostalgisch aangelegd. Mijn natuurlijke nostalgische habitat zou de jaren 80 moeten zijn, maar daar beperkt mijn interesse zich tot de best of van Hall & Oates en Tears For Fears. Voor al de rest voel ik bedroevend weinig enthousiasme. Zelfs Rick Astley kan geen schijn van interesse doen opflakkeren.

Maar nu is Graceland van Paul Simon helemaal terug. De schuldige is Peter Verhulst die in zijn programma op Radio 2 onlangs een live-versie van You Can Call Me Al draaide. Tijdens een klasreünie van mijn derde middelbaar amper enkele dagen geleden hing een oud-medeleerling een matig spectaculair verhaal op over een wedstrijd die we ooit allebei wonnen en waarvan de helft van het prijzenpakket de elpee Graceland was. En vandaag – 13 oktober – wordt Paul Simon 77. Toeval bestaat niet. Alles komt samen. Alle wegen leiden naar Graceland.

Ik heb het album de afgelopen maand weer een twintigtal keer beluisterd (op iTunes en Spotify – niet op cd – zéker niet op vinyl), en opnieuw was ik verbluft. De nummers zijn geweldig, Paul Simon zingt met een ongelooflijke bravoure en de teksten gaan over liefde, politiek en een zekere mister Beerbelly. Kortom, alles wat een monument-elpee nodig heeft.

Paul Simon heeft Graceland bovendien deels in Zuid-Afrika opgenomen. Niet dat hem dat de Nelson Mandela van de jaren 80 maakt (er wàs al een Nelson Mandela in de jaren 80, en per slot van rekening heeft hij wellicht enkel maar een paar verlopen Zuid-Afrikaanse muzikanten uitgebuit), maar de Afrikaanse stemmen en instrumenten maakten het album exotisch, vernieuwend en gedurfd.

Trakteer jezelf eens op een luisterbeurt. Het is een belevenis, een avontuur, het is magistraal. Ik had 32 jaar geleden al overschot van gelijk: Graceland is het beste album aller tijden.

Gelukkige verjaardag, Paul Simon.

Graceland.jpg

Cinema Actor’s Studio

Dat de bioscoop gesloten is, is geen wonder. Het is eerder een mirakel dat het nog zo lang geduurd heeft. Ik sta in een overdekte galerij vlakbij de Rue des Bouchers in Brussel te staren naar een enorme berg afval, puin en zakken cement. Het is enkele dagen na de definitieve sluiting van cinema Actor’s Studio, wellicht de best verborgen bioscoop van het land.

In het centrum van Brussel moest je zijn, tussen de Grote Markt en het Muntplein, aan de uitgang van de Galerie du Centre waar elk uur van de dag zwervers liggen te slapen. Daartegenover: iets wat ooit een winkelgalerij moet geweest zijn; een glazen schuifdeur met de ingang van een hotel, kronkelende gangen en een neonlamp die zegt: Cinema Actors Studio. In die gangen: nooit een mens te bespeuren, alles stond te huur. Ergens achteraan, in een donker hoekje, enkele trapjes omhoog, was de ingang van de bioscoop. De man achter de kassa verkocht tijdens mijn laatste bezoek ook drankjes in de bar, liet de bezoekers binnen in de drie zalen en startte de films.

Ik zat toen in zaal 2: links was een vreemde afbeelding van Charlie Chaplin, rechts naast het filmdoek hing aan de muur een gouden vrouw. Ze lag als een zeemeermin, bovenaan bloot, onderaan bedekt door een stukje pellicule. Onder haar benen: de nooduitgang, die er angstaanjagend uitzag; je wilde niet denken wat er kon gebeuren als je deze uitgang nam, in welke krochten van de Brusselse onderwereld je zou belanden.

Rondom mij hingen drie verschillende soorten speakers die samen een soort dolby surround systeem vormden. Vooraan op het mini-podium een piano en een oude katheder met Actor’s Studio welcome erop geschilderd.

Ik was daar op 6 juli 2016, voor Love & Friendship, een kostuumdrama naar een vergeten verhaal van Jane Austen. Nooit geweten dat Jane Austen grappig was. Ik vond dat Kate Beckinsale een oscarnominatie verdiende voor haar geweldige hoofdrol, maar die heeft ze nooit gekregen. Ik ben niet van kostuumdrama’s (ik ben niet van kostuums), maar het was een heerlijke film.

Lang daarvòòr bracht ik ooit een bezoekje aan de buren van de bioscoop: voorbij een glazen deur, langs een trap naar beneden, moest je een gigantische, muffige zaal binnen waar een soort Braziliaans spektakel werd opgevoerd voor enkele bejaarden aan ronde tafeltjes. De glazen deur is al lang dicht. De naam is wel nog leesbaar: Mazazik Oriental Club Live. Er hangt al jaren een sticker op het glas: fermé.

En nu is dus ook cinema Actor’s Studio definitief dicht. Een bioscoop waar ze liefst niet de grote kaskrakers van het moment vertoonden. Kansloos in het hart van onze nationale toeristische industrie. Het hotel boven de bioscoop wil uitbreiden en de bezoekersaantallen bleven teruglopen: Actor’s Studio had op het einde nog gemiddeld 3,5 bezoekers per filmprojectie. Op de website staat: het cinefiele paradijs. Het paradijs sloot definitief de deuren op 31 juli 2018. De bioscoop heeft 30 jaar bestaan.

Er zijn nog wel een paar andere arthouse bioscopen in het centrum van Brussel; ga er vlug heen voor ze ook sluiten. Hun namen: Galeries Cinema in de prachtige Koninginnegalerij, Cinema Aventure in Galerie du Centre (met de zwervers) rechtover Actor’s Studio, én de net schitterend gerenoveerde Cinema Palace op de Anspachlaan.

Vaarwel Actor’s Studio. Bedankt voor de mooie films.

HipstamaticPhoto-558123980.322352.jpg

Regenboog van zwaartekracht

Het is mijn persoonlijke Dodentocht, mijn Spartacus Run, mijn Dakar Rally, mijn marathon van New York, de beklimming van mijn Everest. Het is een wanhopige maar noodzakelijke strijd tegen de uitputting, tegen de menselijke zwakheid, tegen het vergeten.

Vandaag begin ik aan het boek Gravity’s Rainbow van de Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon. Een monument van de literatuur. Een bonk van een boek, 748 bladzijden waarbij alles verbleekt wat ooit geschreven is. Een oneindige bron van verrukking, ontroering en genot. Denk ik. Want ik moet er dus nog aan beginnen.

Ik heb de Nederlandse vertaling van het boek gekocht op 14 december 1996 in Flanders Expo in Gent voor 188 Belgische frank (ongeveer 4,5 euro). Dat heb ik achteraan in potlood genoteerd. Ik heb sindsdien al een vijftal pogingen gedaan om het boek te doorworstelen, maar het was te moeilijk, te veel, te ingewikkeld. Maar nu niet meer. Nu gaat het gebeuren. Vandaag is de dag.

Ok, er is ook Ulysses van James Joyce, Infinite Jest van David Foster Wallace en vele andere geflipte trips van briljante schrijvers, maar die zijn voor een ander decennium. Nu wil ik Gravity’s Rainbow lezen. Omdat ik weet dat ik het geweldig zal vinden. Net zoals bij de debuutroman van Erwin Mortier, bij Jennifer Jason Leigh in de film Mrs. Parker and the Vicious Circle, bij Nick Cave in het Sportpaleis: soms weet je het op voorhand.

Thomas Pynchon is een fenomeen. Hij is 81 jaar, woont in New York, gaat af en toe naar een concert in Carnegie Hall, zijn vrouw is zijn publishing agent. Dat is ongeveer alles wat we weten. Hij blijft volledig uit de media en de publiciteit. Hij doet nooit interviews. De laatste officiële foto van Pynchon dateert van het jaar 1954 (!). Eén keer heeft hij zijn stem geleend aan een aflevering van The Simpsons; zijn personage droeg een papieren zak over het hoofd.

Er zijn enkel: zijn boeken. Dikke kloefers meestal. Waarin de geschiedenis van de Verenigde Staten vermengd wordt met een opeenstapeling van elementen uit de populaire cultuur, in een onmetelijk ingewikkelde warreling van personages en gebeurtenissen. Mason & Dixon, V., Vineland, Inherent Vice, Bleeding Edge, zo heten ze. En Gravity’s Rainbow dus. Zijn meesterwerk.

Thomas Pynchon wordt bestudeerd aan universiteiten, hij staat in elke top 100 van beste romans aller tijden, hij wordt genoemd voor de Nobelprijs literatuur maar zal die nooit winnen, daarvoor is zijn werk te absurd, bevat het teveel spielerei en ironie, te weinig engagement, te weinig oprecht voortstuwen van de menselijke ziel.

Gravity’s Rainbow is verschenen in mijn geboortejaar 1973. Het gaat over V2-raketten tijdens de tweede wereldoorlog, en over mensen die zoeken naar het patroon waarin die raketten op Londen vallen. Naast het grote verhaal zijn er een dertigtal subplots. Er komen honderden personages in het boek voor, waarvan Pynchon afwisselend de familienaam, één van de bijnamen, een afkorting van de voornaam òf een willekeurige combinatie van de drie gebruikt. Om van de tientallen soms clandestiene oorlogsorganisaties en hun krankzinnige namen nog maar te zwijgen. De vorige keer was ik op pagina 8 al compleet de draad kwijt. (En het boek begint pas op pagina 7.)

Daarom heb ik deze keer een strategie. Ik heb beslist dat ik enkele pagina’s per dag lees. Traag maar zeker vooruit. En mijn geheime wapen is een papiertje dat in het boek zit en waarop ik de namen van personages en organisaties noteer, wie ze zijn en op welke pagina ze voor het eerst voorkomen.

Vermoedelijk hoor je een jaar lang niks van mij. Ik begin vandaag aan de eerste bladzijde. Deze keer zal ik slagen. Duim voor mij.

“Een gil komt gierend door de hemel. Dat is al eerder gebeurd, maar deze laat zich met niets vergelijken.” …

HipstamaticPhoto-556905076.262015.jpg

The Sequelizer

Ik ga naar de film The Equalizer 2 kijken. Zo snel mogelijk. Want Denzel Washington is mijn held. Zo zeg ik bijvoorbeeld Denzél en niet Dénzel. Nadruk op de tweede lettergreep. Omdat ik dat eens gehoord heb op televisie. En ik wil zijn naam correct uitspreken, want hij is mijn held. Dat zei ik al.

Denzel heeft de afgelopen jaren een indrukwekkend gamma aan personages vertolkt, van politiek activist tot voetbalcoach, bokser, flik, drugsbaas en alles ertussen, hij heeft vliegtuigen en metro’s gered, treinen in penibele omstandigheden toch vlot in het station geparkeerd, twee oscars binnengerijfd én een lifetime achievement award; dat laatste is altijd een subtiele hint om aan je pensioen te beginnen denken.

Wellicht daarom speelt Denzel nu graag al eens een gepensioneerde. Die wel op zijn eentje alle aanwezige boeven zonder uitzondering in frut blijft hakken. In The Equalizer bijvoorbeeld, een film uit 2014. Denzel is een vriendelijke opa, petje op het hoofd, die vroeger iets bij de CIA moet gedaan hebben, duidelijk wordt dat nooit. Hij is rustig, beschaafd en behulpzaam, maar als hij kwaad wordt, verandert hij in een soort Jean-Claude Van Damme.

En nu is er een opvolger van The Equalizer, toepasselijk The Equalizer 2 gedoopt. Hij komt pas volgende week in de bioscoop maar ik heb de trailer al gezien, en dus de hele film min de laatste vijf minuten. Ik kan u verzekeren: er wordt door Denzel weer een pleiade aan slechteriken neergebokst.

Ik heb gisteren voor alle zekerheid The Equalizer 1 opnieuw bekeken, zodat mij tijdens de sequel zeker niks van de plot zou ontgaan. Denzel zit elke nacht in een café een boek te lezen en thee te drinken omdat hij niet kan slapen, overdag werkt hij in de Brico en tussendoor molt hij een hoop cliché-Russen van een maffiabende omdat ze een sympathiek hoertje hebben mishandeld met wie Denzel eerder op café had aangepapt.

Op niet-seksuele wijze aangepapt voor alle duidelijkheid. Want Denzel is niet zo. Hij is een man van een indrukwekkende moraliteit, dat voel je meteen.

De vraag wanneer Denzel eigenlijk slaapt, wordt in de film niet gesteld. Een film draaien is een kwestie van keuzes maken. Twee uur is in een wip voorbij. Waarom de film The Equalizer heet, blijft ook onbeantwoord. Volgens sommigen omdat Denzel alle slechteriken neermaait zodat de grond weer helemaal equal is, zonder misdadigers die het landschap ontsieren met hun lelijke boevenlichamen en hun vieze boevensnorren. Soit.

En dan nu The Equalizer 2 dus. De sequel is volgens alle beschikbare bronnen een waardeloze miskleun. Uit de recensie van de krant The Guardian: dat het jammer is dat ze de film niet gewoon The Sequelizer genoemd hebben. Ook op de website rottentomatoes, waar ze beter zijn in het schrijven van filmrecensies dan in het bedenken van websitenamen, is het huilen met het petje op.

Maar wie ben ik om daarmee rekening te houden? Wat doet een echte fan van Denzel? Denzél, sorry. Kijk, vijftien jaar geleden ben ik definitief gestopt met het lezen van filmbesprekingen en daar vervolgens rekening mee te houden, en daar heb ik nog geen seconde spijt van gehad. Danku Humo.

Daarom ga ik The Equalizer 2 dus toch lekker in de bioscoop bekijken, ook al heb ik in de trailer alle hoogtepunten al gezien. En ook al vindt rottentomatoes hem maar niks. Want ik ben een doorzetter. Net als Denzel.

Leve Denzel Washington. Petje af.

2d017f8b29f020b803862e2dbd1bc59d.jpg

The Equalizer II

Kapitein Winokio

Onze nationale feestdag hebben wij doorgebracht met Kapitein Winokio in Gent.

De Gentse Feesten zijn in volle gang. Teruggebracht tot zijn essentie gaat het om een tien dagen durend drinkgelag, verhuld door muziekoptredens, toneelvoorstellingen en travestietenrevues. En kindershows. Vanmiddag speelt de drankorgie zich af op Fristi, Ice Tea en Fanta.

Want op de Kouter is het kindernamiddag met Kapitein Winokio. De K3 van het zich iets alternatiever voelende Vlaamse gezin. Gratis. Daar moeten we bij zijn.

Het kruim van de Gentse ouderlijke verantwoordelijkheid heeft zich naar de Kouter begeven. De buurt is vergeven van de bakfietsen. Stewards wijzen iedereen vrolijk de goede kant op. Hier gebeurt het. Dit is de stad. De rest is koetsenparking.

Vooraan staan een paar honderd kinderen al samengedromd, hun ouders in een brede halve cirkel erachter. De moshpit, zeg maar.

“We gaan naar Kabouter Pinokkio!” Roep ik enthousiast. Mijn dochter Roos kijkt mij bars en beschaamd aan, ook al is ze nog maar vijf. “Het is Kapitein. Winokio. Met een W,” zegt ze nadrukkelijk en streng. We nemen de tram. Kleine Bo (1,5 jaar) gaat ook mee. Hij zal de kapitein een uur lang nadrukkelijk negeren en enkel oog hebben voor passerende trams en voor het hamburgerkraam in de rode bestelwagen (“Auto is gestopt papa!”).

Winokio komt stipt drie minuten na het beginuur in zijn kapiteinskostuum het podium op. Omringd door muzikanten die zullen meehelpen het publiek op te hitsen en het Fantaverbruik tot ongekende hoogten te jagen. Er is ook een Mevrouw de Poes.

Kapitein Winokio staat bekend voor zijn vlotte meezingliedjes, zijn sympathieke tussenteksten (“Wie heeft er hier een hoofd?”) en voor zijn mopjes. Drankgelach. Ik word vandaag vooral getroffen door zijn kindvriendelijke covers van Vlaamse klassiekers: Cha Cha Cha van Raymond van het Groenewoud, Chérie van Eddy Wally.

Het hele concert wordt door de kleine rakkers ongenadig meegeschreeuwd, de dansjes op het podium worden zo nauwkeurig mogelijk nagebootst.

Er is een kriebellied waarop het aanwezig schorem hun collega-concertgangers aan frut mogen kriebelen. En er is de kusjesdans op La Bamba. Alvorens hun tong in andermans keel te planten, dienen de kinderen dit jaar eerst beleefd toestemming te vragen. Mevrouw de Poes kijkt goedkeurend toe.

Na zes liedjes, drie Ice Teas en het rematriëren van een verloren kind glip ik er even tussenuit, om een boek te kopen in de backstage gelegen boekhandel Het Paard van Troje. Daar is de legendarische Nederlandse radiopresentator Jan Douwe Kroeske zowaar een 2Meter Sessie aan het presenteren. Kroeske, 2 meter hoog. Ahoi kapitein.

Ik ben nog net op tijd terug voor het bisnummer, en voor het moment waarop Kapitein Winokio tot zijn stomme verbazing door zijn eigen bandleden bedankt wordt. En dan nog wel als de beste kapitein ter wereld. Pinokkio.

Intussen missen we allemaal de doortocht van die andere kapitein: kapitein-ter-zee bij de Belgische Zeemacht prins Laurent is aangemeerd in de stad en loopt samen met zijn vrouw een paar honderd meter verder ongestoord door het Gentse bacchanaal. Niet om zelf op te treden, hij komt voor de nationale feestdag luisteren naar het Te Deum in de Sint-Baafskathedraal. Voor God en vaderland. En Pierke Pierlala. Cha Cha Cha.

Kapitein Winokio.jpg

David Hasselhoff

Vandaag lijk ik op David Hasselhoff. Twee druppels water.

David Hasselhoff van Baywatch, in slo-mo huppelend over het strand. Ik draag een rode zwemshort, een geel t-shirt met mijn naam erop, een rood jasje en bruine schoenen. 

Die bruine schoenen zijn duidelijk een vergissing, een dress malfunction. Baywatchers dragen geen bruine schoenen. Ik ben mijn sneakers thuis vergeten. Laat ons zeggen dat ik niet zo vestimentair begaafd ben. Normaal is dat niet erg. Vandaag wel.

Ik sta namelijk op het podium van Flanders Expo in Gent. Niet uit vrije wil. Dit is mijn werk.

Eerder vandaag heb ik Belle Perez met Enamorada Boem Boem aangekondigd op een quasi leeg gemeenteplein in Geel (om kwart voor 8 ’s ochtends). Ik heb samen met Pat Krimson van 2 Fabiola handtekeningen uitgedeeld op een basisschool in Paal, ik heb Def Dames Dope zien optreden voor vijf curieus uitgedoste personeelsleden van de Hubo in Beveren en Captain Jack (van Hey yo Captain Jack!) ontmoet op een parkeerterrein in Lochristi. Captain Jack de tweede. De originele Captain is overleden. Niet op zee maar op een feestje in Mallorca. Soit. 

Nu sta ik dus in Flanders Expo. In het oorverdovende gejuich van 14.000 bezoekers. Ze zijn verkleed als de Daltons, FC De Kampioenen, Sinterklaas, als paters en nonnen, brandweermannen, verpleegsters, Tirolermeisjes en bikers. Dit is de Foute Party van Qmusic. Het jaarlijkse feest dat ons radioseizoen afsluit aan het begin van de grote vakantie.

Naast mij staan mijn collega-Q-dj’s met allemaal dezelfde blik in de ogen: een combinatie van 1) dit is het meest fantastische moment uit mijn leven, en 2) ik heb voor radiopresentator gestudeerd maar hierover had niemand iets gezegd.

De afgelopen jaren heb ik al op dit podium gestaan als één van de The Bee Gees, als de zanger van Europe, als Maria uit The Sound of Music, Jennifer Lopez, ZZ Top, Mick Jagger en Marco Borsato in jarretels.

Maar vandaag dus als David Hasselhoff. Of een willekeurige andere Baywatch-hunk uit de diepe jaren ’90. De rolverdeling is niet zo duidelijk omschreven.

Het verhaaltje vanavond wel: het begon vier minuten geleden met enkele onschuldige strandbezoeksters in bikini, dan vond er een aanval plaats van een gevaarlijke pluchen haai, waarop wij net op tijd met een soort strandmobiel het podium kwamen opgetuft. Want zo doen dappere redders op het strand in Los Angeles dat. Ze komen samen in een auto het strand opgereden. Stoer kijkend naar de zee.

Geen Dalton die het verhaaltje volgt maar dat hoeft ook niet. De essentie is dat we hier straks na de intro met z’n allen de polonaise kunnen inzetten op Heb je even voor mij, met zakdoeken zwaaien op Les Lacs du Connemara en meebrullen met een feilloze mix van Thunderstruck en We’re going to Ibiza.

Na de opkomst met de strandauto doen de stoere redders samen een dansje. Min of meer gelijk. Vuist zes keer in de lucht, trekbeweging met de armen, rond de as draaien en alles nog eens opnieuw. We geven ons helemaal. David Hasselhoff voelt zich op het podium van Flanders Expo als een vis in het water. Ondanks zijn bruine schoenen en zijn schrijnend gebrek aan borsthaar.

Jammer dat Pamela Anderson er niet bij is vandaag. Straks draaien we 10.000 luchtballonnen. De zomer kan beginnen.

IMG_2552.JPG

Francis Bacon

Ik sta in een glazen inham, te glunderen als een kind in een snoepwinkel. Door de inham lijk ik in het schildersatelier van Francis Bacon te staan. Francis Bacon, de wereldberoemde schilder! Het genie der schildersgenieën! Die leefde van 1909 tot 1992! Die de paus afbeeldde als een schreeuwend skelet op een troon.

Het is prachtig en ontroerend.

En een ongelooflijke puinhoop. Het lijkt onze living wel. Zonder de Duploblokken en de Bumbaknuffels dan.

Overal op de grond liggen boeken, halfvolle potten verf, verpakkingen, stukken verfdoek, knipsels uit tijdschriften.

Je vraagt je af hoe je in deze ravage ooit een verfkwast of een penseel terugvindt, zelfs als je Francis Bacon heet en algemeen bekend staat als een genie in de verfborstel-business.

Potjes, kommen, verftubes, een lege doos waarin ooit een mixer verpakt zat, uitgescheurde foto’s én vernietigde schilderijen, in het online archief onder slashed canvases. Want alsof er nog niet genoeg rommel lag, begon Bacon ook nog eens zijn eigen schilderijen kapot te snijden. En vervolgens door iemand anders in ministukjes te laten knippen, anders werden ze op straat uit zijn vuilnisbak gejat. Hoe zou je zelf zijn, als buurman. 

Waarom hij zijn eigen schilderijen kapotsneed? Omdat hij ze slecht vond. Of belachelijk. Of met de verkeerde kwast geschilderd. Weet ik veel. Dat is iets om aan een echte kunstenaar te vragen. Koen Fillet, om nu maar een willekeurige andere schilder te noemen met vlees in zijn familienaam.

Eerlijk? Dit atelier is niet honderd procent echt. Want Francis Bacon is dus al dood, en zijn schildersatelier is na zijn overlijden overgebracht van Londen naar zijn geboortestad Dublin, waar ik nu sta. Het is wonderlijk, een exacte kopie van het origineel. Ze hebben elk object van zijn studio gefotografeerd, beschreven, online gearchiveerd, alles naar Dublin verhuisd en daar weer op exact dezelfde hoop gesmeten die Francis bij zijn dood achterliet.

En hier ligt het allemaal, in City Gallery The Hugh Lane in Dublin. Gratis toegang. Ook te zien: het werk waaraan hij nog bezig was toen hij stierf.

Francis Bacon hield voor de rest van orde: hij heeft proper elk decennium van zijn leven één boyfriend versleten, woonde boven een garage in Londen: een slaapkamer, mini-keukentje met badkamer en dit atelier, en ging elke avond trouw op de boemel. In een documentaire over zijn leven zie je hem al eens in verregaand beschonken toestand allerlei fascinerends oreren tegen de reporter. Tegenwoordig gaat een schilderijtje van hem voor niet minder dan 30 miljoen euro over de toonbank, en dan verdwijnt al snel elke kritiek op het glas teveel. En op de stofvod te weinig.

Hier sta ik nu, dankzij de goedkope mensen van Ryanair helemaal vanuit Brussel naar hier gevlogen om naar Bacon zijn rommel te kijken. Zot van bewondering voor de grootste schilder van de vorige eeuw.

Onvermijdelijke eerste gedachte: had Francis Bacon geweten dat ze na zijn dood alles met een heel archeologisch team zouden komen plat-analyseren, hij had misschien een beetje opgeruimd.

HipstamaticPhoto-550238950.083687.JPG

Dublin City Gallery The Hugh Lane

Terecht: Rechtvaardige Rechters

Dames, heren, lezers. Stop met zoeken. Het is afgelopen. De zaak is gesloten. Het mysterie is opgelost. De boeken mogen dicht. Het schilderij De Rechtvaardige Rechters is terecht.

Het ontbrekende paneel van het Lam Gods ligt onder de Pain Quotidien in Gent. Minder goed bekend als de Kalandeberg. Waar rioleringswerken bezig waren toen het paneel in 1934 gestolen werd.

Dat staat in het nieuwe boek van Marc de Bel, die behalve jeugdschrijver ook amateur-privédetective gespecialiseerd in kunsthistorisch erfgoed blijkt te zijn.

De Aanbidding van het Lam Gods hangt in de Sint-Baafskathedraal in Gent en is één van de belangrijkste schilderijen in de geschiedenis van de mensheid en ver daarbuiten. Weet ik omdat George Clooney dat in de film The Monuments Men aan de president van Amerika vertelt, waarop hij toestemming krijgt om met zijn bataljon soldaten een vracht kunstwerken te gaan redden uit de handen van de Nazi’s.

Ik heb de film The Monuments Men trouwens gezien op groot scherm in de Sint-Baafskathedraal zelf, met het Lam Gods achter onze rug. En met een dekentje, want het was koud. Belgische première. De film was een rommeltje, leek nergens op. Maar wat George zei over het Lam Gods was de nagel op de kop.

De diefstal van de Rechtvaardige Rechters is bovendien één van de meest fascinerende verhalen uit onze kunstgeschiedenis. Als Dan Brown (van De Da Vinci Code) ervan zou horen én overtuigd zou kunnen worden dat België een echt bestaand land is, zou hij er ogenblikkelijk een thriller over schrijven. Waarin de Rechtvaardige Rechters, ontvreemd door een complot van de vrijmetselarij en het bisdom, uiteindelijk via een 450 bladzijden durende speurtocht langs Washington, Rome en het Louvre in Parijs teruggevonden wordt tijdens een verzengend spannend einde één seconde voor het vergaan van de wereld. Onder de Pain Quotidien in Gent. Met codes en onderaardse gangen en kale psychopathische massamoordenaars. En met Tom Hanks in de rol van Marc de Bel.

Want Marc de Bel heeft het gestolen paneel dus gevonden. Samen met zijn maat Gino Marchal. Hebben ze verteld in het Gentse stadhuis.

Okee, ze hebben het schilderij nog niet opgegraven en de stad heeft zelf ook nog niet beslist om dat te doen, maar dat zijn details. Burgemeester Termont vraagt om nog niet direct met schop en pikhouweel naar de Kalandeberg te trekken. 

Ik heb Marc de Bel gebeld op de radio en hem in naam van de wereldbevolking alvast onze dankbaarheid betoond voor het oplossen van het mysterie. “Graag gedaan”, zei hij eenvoudig.

De Rechtvaardige Rechters is terecht. Laat de Gentse feestelijkheden beginnen. Ik heb alvast een vuurwerk besteld voor 21 juli.

Als je de volgende keer op een croissant zit te kauwen op het terras van de Pain Quotidien, geniet er dan van om uw voeten nog eventjes te laten rusten boven het belangrijkste verdwenen schilderwerk van onze geschiedenis. George Clooney heeft het gezegd.

Lam Gods.jpg