Cinema Central

“Mag ik terug starten?” roept iemand luidkeels de zaal in.

Ik zit in Cinema Central in het Oost-Vlaamse Ninove. Zes minuten geleden is de pauze begonnen, halverwege een conversatie tussen Stan en Ollie, de Dikke en de Dunne. Stan en Ollie zaten aan tafel samen met hun vrouwen, er ontwikkelde zich een belangrijk gesprek over hun toekomstige carrière als komisch duo, Stan wilde iets zeggen en toen was het afgelopen. Midden in een zin.

Pauze. Hét moment waarop de helft van de filmzaal normaal naar buiten stormt om pipi te doen, de benen los te gooien, een nieuwe voorraad cola of popcorn in te slaan of de hond uit te laten. Hier niet. Iedereen blijft zitten. Iedereen, dat wil zeggen, de voltallige drie bezoekers.

Ik zit alleen in de zaal samen met een ouder koppel van wie ik enkel weet dat de vrouw een lichte fobie voor 3D-films heeft. Bij mijn aankomst was ze in een lange discussie verwikkeld met de uitbater van de filmzaal. Of ze liever wél of liever niét films in 3D bekijkt. Meer bepaald of ze de film Dumbo wil zien als die in 3D wordt vertoond maar dat ze eigenlijk liever geen 3D wil zien maar dat ze toch graag Dumbo wil zien ook al is het in 3D. De discussie gebeurde half in het Ninoofs en had niet echt een richting noch een ontknoping. Ze bestond vooral uit losse beweringen van de vrouw tegen de uitbater. Hij zat intussen in een piepklein hokje de ticketverkoop te verzorgen.

Zo gaat het in een kleine dorpscinema. Geen overbodig personeel dat in de weg loopt terwijl je alles gewoon alleen kan doen. Geen 7 soorten popcorn, geen 5 euro voor 100 gram snoep die overduidelijk maar 6 cent per kilo kost. Geen 2 euro om naar het toilet te gaan. Geen gsm’ende teenagers in de zaal die voedsel en schrijfgerief naar elkaar gooien. Geen cosy seats waarin je gemakkelijker kan foefelen met je lief voor de bescheiden meerprijs van 3,5 euro per ticket. Geen 26 zalen met 83 verschillende films in 13 verschillende digitale formaten. Gewoon Stan & Ollie beneden in zaal 1. Dumbo boven in zaal 2. Weliswaar in 3D.

Cinema Central in Ninove bestaat dit jaar 100 jaar. In de inkomhal is een groot bord geïnstalleerd vol krantenknipsels over de feestelijke verjaardag. Er hangt een affiche van de film F.C. De Kampioenen Forever, wellicht één van de grote kaskrakers van de afgelopen 100 jaar. En buiten staat op een gigantisch doek te lezen: 100 jaar Cinema Central. Cinema als nooit voorheen. Met daaronder in dreigende letters: 3D. Wellicht om oudere mevrouwen af te schrikken.

Zaal 1 ziet er oud en donker uit en ruikt wat muffig, maar dat kan de pret nauwelijks drukken. Eerst was er een trailer van Dumbo waarin ze de hele tijd Dombo zeiden en daarna begon Stan & Ollie, een film over de Britse afscheidstournee van Stan Laurel en Oliver Hardy waarvan ze toen zelf nog niet wisten dat het hun afscheidstournee zou zijn. Het leven is geen vrolijke draaimolen op de kermis. Toen was er pauze.

En nu roept iemand: “Mag ik terug starten?” Er is even verbijstering in de zaal bij de drie toeschouwers – wij dachten dat de film na de pauze automatisch opnieuw zou beginnen – maar dat is buiten de flexibiliteit van het personeel van Cinema Central gerekend. De man voor mij roept: “jot!” en de avonturen van Stan en Ollie gaan voort; we zitten weer aan tafel bij de Dikke en de Dunne en hun vrouwen. We zitten weer in een sjiek hotel in Engeland, niet in de Lavendelstraat 25 in Ninove.

Er zijn niet zoveel dorpscinema’s meer over. Ik heb de afgelopen tijd Cinema Rio in De Haan bezocht, Cinema De Keizer in Lichtervelde, Cinema Albert in Dendermonde, Cine Star in Waregem, Beverly Screens in Knokke-Heist, en de intussen al gesloten Cinema Actor’s Studio in Brussel (ok, Brussel is niet echt wat je een dorp noemt, maar de sfeer van de cinema was zeer gelijkend).

Na de aftiteling, bij het naar buiten stappen, hoor ik de oudere vrouw iets mompelen tegen haar man. Het gaat over 3D-films. Voor Dumbo kwam er vanavond in Ninove niemand opdagen. Morgen misschien. Gelukkige verjaardag Cinema Central.

HipstamaticPhoto-576799120.045628.jpg

de website van Cinema Central

De duivel in het doosje. Afscheid van Luc Janssen

Zijn haar was kort en grijs. Hij droeg bottinen, een legerbroek en een jas. De dresscode van Leopoldsburg en omstreken. In zijn armen torste hij kilo’s cd’s en vinyl. Radiolegende Luc Janssen stapte voorbij onderweg naar de studio. Ik was een groentje op Studio Brussel. Ik durfde hem niet aan te spreken. Ik zat stil en keek.

Ik wist toen één ding over Luc Janssen: dat hij honderd procent zijn zin deed. De kerel voor wie Van Dale het woord eigenzinnig had uitgevonden. De enige man die heel zijn radiocarrière lang, overal waar hij werkte, altijd de muziek draaide die nét niet op het station paste, altijd net te lastig, altijd net over het randje.

Zijn programma toen heette Krapuul De Lux. Het was ergens ’s avonds te horen. Dat was zijn uur, het uur waarop Luc Janssen ontwaakte. Hij werd altijd laat op de avond geprogrammeerd: de bevolking moest beschermd worden. Ik wilde later als ik groot was ook een radioprogramma presenteren met krapuul in de titel.

Geen enkele presentatie van Luc Janssen was gewoon. Hij declameerde bedachte, uitgeschreven teksten, vaak over muziek, soms over actualiteit, vuilbekkend, vol beledigingen aan het adres van BV’s of zelfs collega’s. In het half-Hollands. Ik denk dat veel mensen Luc Janssen niét sympathiek vonden.

Hij is ooit écht in Nederland terechtgekomen. In 1982 werd Luc Janssen ontslagen bij Omroep Brabant op de toenmalige BRT omwille van een scheet op de radio. Zijn rubriek heette De scheet van de week (luister hier) en toen de directie er lucht van kreeg, mocht hij opstappen. Na een ballingschap bij onze noorderburen kwam hij terug en blies vanaf toen systematisch elke afdeling van de openbare omroep aan flarden.

In Retro, zijn laatste programma op Radio 1, vertolkte hij een Guy De Pré op XTC, gebruikte hij gangsta rap in de intro en draaide hij twee weken geleden nog No Limit van 2 Unlimited met “Wat is dit voor shit?” van Hans Teeuwen er ononderbroken doorheen gemonteerd. Bijzonder, voor een ambtenaar op een zucht van zijn pensioen.

Luc Janssen huldigde zijn hele carrière één van de grote principes van live radio: dat er liefst iets moet gebeuren. Ja, het omgekeerde van veel radioprogramma’s die genadeloos zorgen voor de doodsteek van het medium en de massale vlucht naar Spotify: er gebeurt gegarandeerd niks. Als in: nooit iets. Bij Luc Janssen was en is élke presentatie een snoepje, of beter gezegd: een lekkernij die na drie seconden zuur in je mond ontploft.

Luc Janssen heeft de allerbeste radio-uitzending gemaakt die ik ooit gehoord heb. Het moet in een weekend geweest zijn, vrijdag- of zaterdagavond. Zijn programma heette Mish Mash, het was op Studio Brussel, hij was toen al ver in de 50 maar er viel geen zuchtje bezadigdheid te bespeuren in zijn hele lijf.

In Mish Mash waren alle nummers aan elkaar gemixt; de presentator riep erdoorheen als een MC. Elke aflevering was heftig, maar deze was compleet over the top. Het leek alsof Luc Janssen alles tot zich genomen had wat de heer verboden heeft. Of hij deed toch verdomd goed alsof.

Die avond presenteerde hij het meest vunzige, genadeloze programma ooit. En tegelijk het meest fantastisch gemaakte. Het was één verbluffende mix, hij sleurde je van de ene plaat naadloos naar de intro van de volgende, met beats en drops en een fenomenaal gevoel voor ritme, om stikjaloers op te zijn.

En het was vuil meneer, echt vuil. Luc Janssen-stijl. Fuck, dat programma was vuil. Siska Schoeters speelde er een rol in; ik zal niet herhalen wat Janssen toen over haar zei, maar het was – letterlijk – ongehoord. Ik zat stomverbaasd te luisteren in de auto.

Alles kwam samen. Het was live radio van dàt moment, met die man, Luc Janssen, die compleet gestoord was en wiens persoonlijkheid en meer dan 30 jaar radio-ervaring en muziekbeleving samenvloeide in een show om nooit te vergeten. Herbeluisteren werkt niet, het was radio zoals enkel radio kan zijn: live, de presentator en ik, wij samen, een rollercoaster, in een flits voorbij.

Mish Mash werd uitgezonden bijna twee decennia na mijn eerste ontmoeting met hem. In de tussentijd zou Luc Janssen mij aanspreken en bijzonder vriendelijk blijken te zijn, zachtaardig zelfs, een lieve man. Met een zoon die zijn zachtheid, zijn liefde voor het vak en zijn uitmuntende muzieksmaak heeft geërfd.

Maar dat wist ik toen nog niet. Toen zat ik stil op de redactie van Studio Brussel en ik keek. Ik keek naar de grijze radiogod met zijn jas en zijn bottinen en ik zag het blinken in zijn ogen toen hij passeerde: zometeen zou de duivel weer uit het doosje komen. 

Danku Luc Janssen.

luc_janssen.jpg

foto: Radio 1

Lees ook: Dag Hautekiet, bij het afscheid van Jan Hautekiet.

Winteruur

Ik moet op de zevende verdieping van een gebouw in Antwerpen zijn waar geen enkele lift normaal werkt. Ik kan mij ook niet aanmelden want de intercom is kapot, het telefoonnummer op de website klopt niet en ik heb het gele plakbriefje met het nummer van de redactrice niet zien hangen. Maar eenmaal binnen, is de ontvangst voortreffelijk.

Ik ben te gast in het productiehuis van Tom Lenaerts. Het heet Panenka en het tv-programma Winteruur wordt er opgenomen, gepresenteerd door Wim Helsen. Ik moet een stukje tekst uit een boek kiezen en er iets persoonlijks bij vertellen, aangevuurd door vragen van Helsen zelf.

Ik zit nog maar anderhalve minuut in de schminkstoel en Tom Lenaerts komt binnen. Hoogstpersoonlijk. Hij zegt: “Dag Wim, hoe gaat het?”

Ik slik en zeg niets. Het zweet breekt mij uit. Paniek. Ik zit mij in de schminkstoel plots af te vragen of Tom Lenaerts wel Tom Lenaerts heet, of ik hem niet compleet starstruck met iemand anders verwar. Ik ben zelden van mijn melk in de aanwezigheid van tv-presentatoren maar bij Tom Lenaerts is het prijs. Ik had hem hier niet verwacht, ik weet geen woord meer uit te brengen en Lenaerts denkt ongetwijfeld: welke stagiair heeft deze zwijgende reserve-idioot in ons televisieprogramma uitgenodigd?

Wim Helsen komt ook binnen en plots besef ik: hier staat het grootste mediatalent van Vlaanderen! En Tom Lenaerts en Wim Helsen zijn er ook!

Grapje. Ik bedoel: hier sta ik bij het beste wat er de afgelopen 20 jaar in Vlaanderen op tv én op het podium te zien geweest is. Alles inbegrepen.

Maar ik doe alsof er niks aan de hand is. Ik vertel vrolijk in het rond alsof dit een normale situatie is. Alsof ik elke namiddag zit te babbelen met Tom Lenaerts en Wim Helsen terwijl een wolk van een schminkster over mijn gezicht wrijft.

Ik krijg uitleg over hoe de opname zal verlopen terwijl een redactrice (die van het plakbriefje) de hele tijd foto’s neemt, en dan gaan we naar de tv-studio. Daar: de zetel, en de obligate grote witte hond. De vorige witte hond is dood, daarom is er nu een nieuwe. Zo gaat dat op televisie. De hond is er voor de gezelligheid en voor de gimmick en wellicht om de kijker te vertegenwoordigen: volstrekt niet geïnteresseerd in wat er allemaal gezegd wordt, blijft hij lekker lui op zijn dekentje liggen zolang het voldoende warm en gezellig is.

Ik heb een paragraafje gekozen uit De Alchemist van Paolo Coelho. Mijn eerste taak: de tekst gewoon voorlezen. Hiervoor heb ik tien jaar voordracht gestudeerd. Dit is het moment waarop mijn studie eindelijk zijn nut zal bewijzen. Vlekkeloos, met de juiste intonatie en af en toe een diepzinnige blik in de camera zal ik dit hoogtepunt van de literatuur voor het Canvaspubliek ontsluiten.

Ik begin en vergeet meteen de eerste zin. Dit is niet goed. Dit zou een one-take moeten zijn: één opname, in één keer goed.

Welke prutser hebben ze nu weer in mijn zetel gedumpt, denkt Wim Helsen waarschijnlijk, maar hij laat zich niet uit zijn lood slaan; hij blijft vriendelijk, galant en goedgemutst. Het stukje tekst gaat over hoe je je als mens klein voelt en angstig, hoe je de neiging hebt om vast te houden aan wat je al kent en bezit, zonder open te staan voor nieuwe dingen. We praten over hoe we zelf als mens ook angstig en onzeker zijn, en hoe we dat proberen te verstoppen achter tattoos, snelle auto’s, microfoons of mopjes op een podium.

Eigenlijk vind ik het personage dat Wim Helsen zélf altijd speelt in zijn theatershows het prachtigste voorbeeld van zo’n figuur, van iemand die op alle mogelijke manieren zijn kleinheid probeert te verdoezelen. Maar dat durf ik niet goed te zeggen. Omdat het Wim Helsen zelf is die naast mij zit. En ik wil niet degene zijn voor wie ze de opname moeten stilleggen met de waarschuwing: Gelieve niet over de shows van Wim Helsen te beginnen, danku! Dus zeg ik dat maar niet.

Tien minuten later is de opname voorbij, en is er luid applaus van Tom Lenaerts. Hij zegt dat het fantastisch was. Ondanks het feit dat ik de eerste zin vergeten was, hoeven we de hele zwik toch niet opnieuw op te nemen.

De redactrice neemt nog een foto of dertig, Wim Helsen geeft een high-five, Tom Lenaerts schudt mij een stevige hand en ik neem de lift naar beneden. De aftocht verloopt verbazingwekkend vlot.

Ik hoop dat ik niet teveel euh gezegd heb.

Binnenkort op Canvas.

HipstamaticPhoto-560096621.889014.jpg

Winteruur

Op vakantie bij Friedrich Nietzsche

We turen met z’n allen naar een tafelkleedje. Het is zwart met twee groene, gehaakte strepen, het heeft frutseltjes onderaan en is 25.000 euro waard.

Ik sta in de kamer waar filosoof Friedrich Nietzsche meer dan 100 jaar geleden enkele zomers doorbracht. Er staat een sofa en een tafeltje met daarop dat kleedje en een lamp. Er is een raam dat uitkijkt op de bergen, en voorts een kast, een bed en twee kinderen, die van mij.

We staan in het Nietzsche-Haus in Sils Maria, een minuscuul dorpje in het Engadin-dal in Zwitserland, tussen Maloja (van de CM) en St.-Moritz (van de vijfsterrenhotels en de wintergolf).

Sinds onze aankomst is het niet opgehouden met sneeuwen. We zijn eind oktober. Bij het opstaan de eerste ochtend bleek de sneeuw kniehoog te liggen. We zouden met de auto geen meter vooruit geraakt zijn, hadden we geprobeerd om boodschappen te doen, was er hier in de wijde omtrek ergens een winkel open geweest.

In Sils Maria is er één warenhuis dat maandenlang gesloten is voor verbouwingen; de enige bakker is dicht, alle restaurants en hotels, op één na, zijn gesloten tot midden december. Alles ademt tussenseizoen. Wij zijn deze week de enige toeristen. Zomerwandelaars noch skiërs. Mosselen noch vis.

Enkele uren per dag spelen we in de sneeuw. De rest van de tijd zitten we in ons gehuurd appartementje Rummikub te spelen en naar buiten te staren. Veel meer kan je niet doen. Een witte sneeuwvlakte honderden meters ver, en als de vlakte stopt: besneeuwde bergen zo ver en zo hoog je kan zien. We komen van 25 graden twee weken geleden in België.

Als relevante ontspanning lees ik De antichrist, Friedrich Nietzsches furieuze afrekening met het christendom, die hij in de zomer van 1888 hier in Sils Maria schreef. Nietzsche gaat als een razende tekeer tegen christenen, priesters en de katholieke kerk. Het is prachtig, het is als het ware hartverwarmend, hier tussen de metershoge pakken sneeuw.

Maar nu staan we in het centrum van Sils Maria, in het huis waar Nietzsche schreef en zijn mooiste zomers doorbracht. Het Nietzsche-Haus is een museum geworden, en is deze maanden – net zoals de rest van het dorp – gesloten. Tussenseizoen.

Gelukkig hebben we hier enkele dagen geleden in de bar van het enige hotel dat open is, de vervangcurator van het Nietzsche-Haus ontmoet, Rolf, die ons uitnodigde om op bezoek te komen. En hier staan we nu. Met een koets en twee kinderen tussen de meubels van de filosoof met de hamer.

Rolf is geweldig lief en attent. Hij geeft ons een uitgebreide rondleiding, ook al zijn voyeuristische toeristen hier nu officieel niet welkom. En ook al houdt onze Bo (2 jaar) zich de hele tijd bezig met alle deuren open te rukken en weer dicht te slaan, filosofisch erfgoed of niet. Roos zit een tekening te maken aan de keukentafel.

Eén van de topattracties in het huis is het tafelkleedje in de slaapkamer van Nietzsche. Dat werd volgens Rolf door de filosoof hoogstpersoonlijk ontworpen omdat hij niet van witte tafellakens hield. Niet dat Nietzsche een tafellakenexpert was, neen, zijn ogen konden moeilijk fel wit verdragen. Daarom liet hij een speciaal kleedje maken dat het Nietzsche-Haus dankzij een Gulle Gever kon aankopen voor 25.000 Zwitserse frank.

Voor de rest zijn in dit huis foto’s te zien, originele brieven, een handbeschreven visitekaartje: Prof. Dr. Nietzsche, zijn verzameld werk en zijn doodsmasker (weetje: Nietzsches Nazi-liefhebbende zus liet op eigen initiatief een nieuwe, mooiere versie van zijn dodenmasker produceren).

Ook hangt hier veel kunst: de grote Duitse kunstenaar Gerhard Richter komt regelmatig eens wat werk exposeren. Het glasraam op de eerste verdieping is gerecycleerd van zijn monumentaal werk in de Dom van Keulen. 

En aan de muren: gekopieerde brieven van de reuzen die in Sils Maria tijd hebben doorgebracht, al dan niet in de voetsporen van Nietzsche. Hun namen klinken als een klok: Proust, Hesse, Pasternak, Benjamin, Cocteau, Musil, Frisch, Mann, Adorno, Tucholsky, Rilke, Anne Frank en koningin Mathilde.

Inderdaad, ook de innemende en vroom katholieke koningin Mathilde van België was hier een maand geleden op bezoek met een royale delegatie van allerlei adellijks uit de buurt. Op het einde van ons bezoek vernielt mijn dochter Roos met een efficiënte uithaal bijna de fotokader met de foto’s van haar bezoek. Qua antichrist is de opvolging hier verzekerd.

HipstamaticPhoto-562676197.775948.JPG

Het Nietzsche-Haus in Sils Maria

Het verslag van mijn lectuur van De antichrist lees je hier.

Ontsnapte gorilla

Ik heb een ontsnapte gorilla gezien. Een echte, live in de dierentuin. Dat is waar gorilla’s wonen, volgens het spelletje dier in je hoofd dat ik minstens zeven keer per week met mijn dochter Roos speel. Woont het dier op de boerderij? Neen? Dan woont het in de dierentuin.

We waren afgelopen weekend voor Roos haar zesde verjaardag in Apenheul, een dierenpark bijna uitsluitend bevolkt door apen. We hadden onze dochter een doe-cadeautje geschonken met als achterliggende bedoeling de oneindig uitdeinende speelgoedlawine tijdelijk een halt toe te roepen.

Apenheul zit niet alleen vol apen, maar ook vol Nederlanders. Dat komt omdat het park in Nederland ligt, in Apeldoorn zelfs, je verzint het niet. De Nederlanders mogen er vrij tussen de apen rondlopen. De andere bezoekers trouwens ook. Je mag de apen alleen niet lokken, aaien, eten geven, ontmantelen met een schroevendraaier of behandelen met betoncoating, ik zeg maar wat.

Op onze tocht door het park zagen we tientallen apensoorten, in alle maten en gewichten, overzichtelijk geordend volgens merk. Brulapen, slingerapen, dwergaapjes, orang-oetans én bonobo’s, die volgens de gids bekend staan om hun uitbundige seksuele gedrag. Maar daar was helaas niks van te merken. Alles verliep beschaafd en kindvriendelijk.

Tot we bij de witschouderkapucijnaapjes kwamen. Daar ging het mis. Niet op seksueel vlak, eerder organisatorisch. Tussen hen zat namelijk: een gorilla. Het gorilla-eiland is van de kapucijnaapjes gescheiden door elektrisch geladen prikkeldraad. Maar de gorilla was iets te enthousiast op verkenningstocht gegaan, had een houten tak in twee gebroken en was daarmee doorheen de prikkeldraad geraakt.

Het was hallucinant. De witschouderkapucijnaapjes, die elk ongeveer twintig keer in zo’n gorilla kunnen, schrokken zich…euh… een aap en stoven in paniek alle kanten op. De gorilla kroop heen en weer op de veel te dunne takken van hun boom. Af en toe probeerde hij terug door de prikkeldraad te geraken. Lukte niet. Daar zat hij, opgesloten in het verkeerde hok, stevig in de aap gelogeerd.

Mijn eerste reactie was dat dit spektakel wellicht elk weekend georganiseerd wordt om de bezoekers een authentieke, verrassende beleving aan te bieden, maar toen arriveerde er een dierenverzorger op een nabijgelegen dak, en nog één. Ze waren druk aan het telefoneren en liepen nerveus rond. Onder hen de verzorgster die twee uur daarvoor tijdens het voedermoment nog een grappig filmpje had laten zien van die ene gorilla die er ooit in geslaagd was om onder een draad door te kruipen.

Dit was minder grappig. De gorilla probeerde keer op keer met zijn tak een ladder te maken om aan de overkant te geraken, maar hij werd teruggeworpen door shocks van de elektrische prikkeldraad. Toen hij een plas water naar de andere kant wilde oversteken, nam de ongerustheid bij de verzorgers toe – ze waren nu al met vier aan het toekijken. Ze probeerden King Kong naar zijn eigen verblijf terug te lokken door stukken voedsel te gooien.

Intussen was de helft van aapminnend Nederland samengestroomd om het spektakel te bewonderen.

Pas na een halfuur slaagde de gorilla erin om na een gevecht met de prikkeldraad weer in zijn eigen verblijf te kruipen. Groot was de opluchting, bij verzorgers en publiek.

Intussen had Roos laten weten dat ze Apenheul maar een stom park vond, vervelend omdat er alleen maar apen te zien zijn. Ach, kinderen en apen, ondankbare schepsels, nooit tevreden. Dringend tijd om naar huis te gaan. Benieuwd waar de gorilla bij zijn volgende uitstap naartoe trekt.

HipstamaticPhoto-561833973.339036.JPG

Loslopende luipaarden in de Beekse Bergen? Lees hier.

Graceland

It was a slow day, and the sun was beating on the soldiers by the side of the road

There was a bright light, a shattering of shop windows

The bomb in the baby carriage was wired to the radio

(uit The Boy in the Bubble – Paul Simon)


Ik ben weer verslingerd aan Graceland van Paul Simon. Uitgekomen in 1986, en toen op basis van mijn alomvattende muziekkennis door mij ingeschat als het beste album aller tijden (ik was 13). Vandaag, op de verjaardag van Paul Simon, ben ik het weer roerend eens met mijzelf. Iets wat mij geregeld overkomt.

Ik ben het album Graceland in die tijd nog gaan voorstellen op Studio Brussel, bij mijn toenmalige radioheld Dirk Blancke voor zijn rubriek De Monument-elpee. Ja het was toen nog met elpees te doen. Intussen zijn die vervangen door cd’s, die op hun beurt afgelost zijn door iTunes, dan door Spotify en nu zijn de elpees weer terug. Ik was geen hipster avant-la-lettre. Nooit geweest.

Ik moest van Dirk vier nummers kiezen en uitleggen waarom ik ze wilde laten horen aan de luisteraars. Apetrots en strontnerveus kwam ik met mijn ouders aan in het VRT-gebouw en werd ik in de studio gedropt. Als eerste keuze stotterde ik The Boy in the Bubble in de vernieling, het openingsnummer. Het was onvergetelijk. Voor mij althans.

Ik ben niet zo nostalgisch aangelegd. Mijn natuurlijke nostalgische habitat zou de jaren 80 moeten zijn, maar daar beperkt mijn interesse zich tot de best of van Hall & Oates en Tears For Fears. Voor al de rest voel ik bedroevend weinig enthousiasme. Zelfs Rick Astley kan geen schijn van interesse doen opflakkeren.

Maar nu is Graceland van Paul Simon helemaal terug. De schuldige is Peter Verhulst die in zijn programma op Radio 2 onlangs een live-versie van You Can Call Me Al draaide. Tijdens een klasreünie van mijn derde middelbaar amper enkele dagen geleden hing een oud-medeleerling een matig spectaculair verhaal op over een wedstrijd die we ooit allebei wonnen en waarvan de helft van het prijzenpakket de elpee Graceland was. En vandaag – 13 oktober – wordt Paul Simon 77. Toeval bestaat niet. Alles komt samen. Alle wegen leiden naar Graceland.

Ik heb het album de afgelopen maand weer een twintigtal keer beluisterd (op iTunes en Spotify – niet op cd – zéker niet op vinyl), en opnieuw was ik verbluft. De nummers zijn geweldig, Paul Simon zingt met een ongelooflijke bravoure en de teksten gaan over liefde, politiek en een zekere mister Beerbelly. Kortom, alles wat een monument-elpee nodig heeft.

Paul Simon heeft Graceland bovendien deels in Zuid-Afrika opgenomen. Niet dat hem dat de Nelson Mandela van de jaren 80 maakt (er wàs al een Nelson Mandela in de jaren 80, en per slot van rekening heeft hij wellicht enkel maar een paar verlopen Zuid-Afrikaanse muzikanten uitgebuit), maar de Afrikaanse stemmen en instrumenten maakten het album exotisch, vernieuwend en gedurfd.

Trakteer jezelf eens op een luisterbeurt. Het is een belevenis, een avontuur, het is magistraal. Ik had 32 jaar geleden al overschot van gelijk: Graceland is het beste album aller tijden.

Gelukkige verjaardag, Paul Simon.

Graceland.jpg

Cinema Actor’s Studio

Dat de bioscoop gesloten is, is geen wonder. Het is eerder een mirakel dat het nog zo lang geduurd heeft. Ik sta in een overdekte galerij vlakbij de Rue des Bouchers in Brussel te staren naar een enorme berg afval, puin en zakken cement. Het is enkele dagen na de definitieve sluiting van cinema Actor’s Studio, wellicht de best verborgen bioscoop van het land.

In het centrum van Brussel moest je zijn, tussen de Grote Markt en het Muntplein, aan de uitgang van de Galerie du Centre waar elk uur van de dag zwervers liggen te slapen. Daartegenover: iets wat ooit een winkelgalerij moet geweest zijn; een glazen schuifdeur met de ingang van een hotel, kronkelende gangen en een neonlamp die zegt: Cinema Actors Studio. In die gangen: nooit een mens te bespeuren, alles stond te huur. Ergens achteraan, in een donker hoekje, enkele trapjes omhoog, was de ingang van de bioscoop. De man achter de kassa verkocht tijdens mijn laatste bezoek ook drankjes in de bar, liet de bezoekers binnen in de drie zalen en startte de films.

Ik zat toen in zaal 2: links was een vreemde afbeelding van Charlie Chaplin, rechts naast het filmdoek hing aan de muur een gouden vrouw. Ze lag als een zeemeermin, bovenaan bloot, onderaan bedekt door een stukje pellicule. Onder haar benen: de nooduitgang, die er angstaanjagend uitzag; je wilde niet denken wat er kon gebeuren als je deze uitgang nam, in welke krochten van de Brusselse onderwereld je zou belanden.

Rondom mij hingen drie verschillende soorten speakers die samen een soort dolby surround systeem vormden. Vooraan op het mini-podium een piano en een oude katheder met Actor’s Studio welcome erop geschilderd.

Ik was daar op 6 juli 2016, voor Love & Friendship, een kostuumdrama naar een vergeten verhaal van Jane Austen. Nooit geweten dat Jane Austen grappig was. Ik vond dat Kate Beckinsale een oscarnominatie verdiende voor haar geweldige hoofdrol, maar die heeft ze nooit gekregen. Ik ben niet van kostuumdrama’s (ik ben niet van kostuums), maar het was een heerlijke film.

Lang daarvòòr bracht ik ooit een bezoekje aan de buren van de bioscoop: voorbij een glazen deur, langs een trap naar beneden, moest je een gigantische, muffige zaal binnen waar een soort Braziliaans spektakel werd opgevoerd voor enkele bejaarden aan ronde tafeltjes. De glazen deur is al lang dicht. De naam is wel nog leesbaar: Mazazik Oriental Club Live. Er hangt al jaren een sticker op het glas: fermé.

En nu is dus ook cinema Actor’s Studio definitief dicht. Een bioscoop waar ze liefst niet de grote kaskrakers van het moment vertoonden. Kansloos in het hart van onze nationale toeristische industrie. Het hotel boven de bioscoop wil uitbreiden en de bezoekersaantallen bleven teruglopen: Actor’s Studio had op het einde nog gemiddeld 3,5 bezoekers per filmprojectie. Op de website staat: het cinefiele paradijs. Het paradijs sloot definitief de deuren op 31 juli 2018. De bioscoop heeft 30 jaar bestaan.

Er zijn nog wel een paar andere arthouse bioscopen in het centrum van Brussel; ga er vlug heen voor ze ook sluiten. Hun namen: Galeries Cinema in de prachtige Koninginnegalerij, Cinema Aventure in Galerie du Centre (met de zwervers) rechtover Actor’s Studio, én de net schitterend gerenoveerde Cinema Palace op de Anspachlaan.

Vaarwel Actor’s Studio. Bedankt voor de mooie films.

HipstamaticPhoto-558123980.322352.jpg

Regenboog van zwaartekracht

Het is mijn persoonlijke Dodentocht, mijn Spartacus Run, mijn Dakar Rally, mijn marathon van New York, de beklimming van mijn Everest. Het is een wanhopige maar noodzakelijke strijd tegen de uitputting, tegen de menselijke zwakheid, tegen het vergeten.

Vandaag begin ik aan het boek Gravity’s Rainbow van de Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon. Een monument van de literatuur. Een bonk van een boek, 748 bladzijden waarbij alles verbleekt wat ooit geschreven is. Een oneindige bron van verrukking, ontroering en genot. Denk ik. Want ik moet er dus nog aan beginnen.

Ik heb de Nederlandse vertaling van het boek gekocht op 14 december 1996 in Flanders Expo in Gent voor 188 Belgische frank (ongeveer 4,5 euro). Dat heb ik achteraan in potlood genoteerd. Ik heb sindsdien al een vijftal pogingen gedaan om het boek te doorworstelen, maar het was te moeilijk, te veel, te ingewikkeld. Maar nu niet meer. Nu gaat het gebeuren. Vandaag is de dag.

Ok, er is ook Ulysses van James Joyce, Infinite Jest van David Foster Wallace en vele andere geflipte trips van briljante schrijvers, maar die zijn voor een ander decennium. Nu wil ik Gravity’s Rainbow lezen. Omdat ik weet dat ik het geweldig zal vinden. Net zoals bij de debuutroman van Erwin Mortier, bij Jennifer Jason Leigh in de film Mrs. Parker and the Vicious Circle, bij Nick Cave in het Sportpaleis: soms weet je het op voorhand.

Thomas Pynchon is een fenomeen. Hij is 81 jaar, woont in New York, gaat af en toe naar een concert in Carnegie Hall, zijn vrouw is zijn publishing agent. Dat is ongeveer alles wat we weten. Hij blijft volledig uit de media en de publiciteit. Hij doet nooit interviews. De laatste officiële foto van Pynchon dateert van het jaar 1954 (!). Eén keer heeft hij zijn stem geleend aan een aflevering van The Simpsons; zijn personage droeg een papieren zak over het hoofd.

Er zijn enkel: zijn boeken. Dikke kloefers meestal. Waarin de geschiedenis van de Verenigde Staten vermengd wordt met een opeenstapeling van elementen uit de populaire cultuur, in een onmetelijk ingewikkelde warreling van personages en gebeurtenissen. Mason & Dixon, V., Vineland, Inherent Vice, Bleeding Edge, zo heten ze. En Gravity’s Rainbow dus. Zijn meesterwerk.

Thomas Pynchon wordt bestudeerd aan universiteiten, hij staat in elke top 100 van beste romans aller tijden, hij wordt genoemd voor de Nobelprijs literatuur maar zal die nooit winnen, daarvoor is zijn werk te absurd, bevat het teveel spielerei en ironie, te weinig engagement, te weinig oprecht voortstuwen van de menselijke ziel.

Gravity’s Rainbow is verschenen in mijn geboortejaar 1973. Het gaat over V2-raketten tijdens de tweede wereldoorlog, en over mensen die zoeken naar het patroon waarin die raketten op Londen vallen. Naast het grote verhaal zijn er een dertigtal subplots. Er komen honderden personages in het boek voor, waarvan Pynchon afwisselend de familienaam, één van de bijnamen, een afkorting van de voornaam òf een willekeurige combinatie van de drie gebruikt. Om van de tientallen soms clandestiene oorlogsorganisaties en hun krankzinnige namen nog maar te zwijgen. De vorige keer was ik op pagina 8 al compleet de draad kwijt. (En het boek begint pas op pagina 7.)

Daarom heb ik deze keer een strategie. Ik heb beslist dat ik enkele pagina’s per dag lees. Traag maar zeker vooruit. En mijn geheime wapen is een papiertje dat in het boek zit en waarop ik de namen van personages en organisaties noteer, wie ze zijn en op welke pagina ze voor het eerst voorkomen.

Vermoedelijk hoor je een jaar lang niks van mij. Ik begin vandaag aan de eerste bladzijde. Deze keer zal ik slagen. Duim voor mij.

“Een gil komt gierend door de hemel. Dat is al eerder gebeurd, maar deze laat zich met niets vergelijken.” …

HipstamaticPhoto-556905076.262015.jpg

The Sequelizer

Ik ga naar de film The Equalizer 2 kijken. Zo snel mogelijk. Want Denzel Washington is mijn held. Zo zeg ik bijvoorbeeld Denzél en niet Dénzel. Nadruk op de tweede lettergreep. Omdat ik dat eens gehoord heb op televisie. En ik wil zijn naam correct uitspreken, want hij is mijn held. Dat zei ik al.

Denzel heeft de afgelopen jaren een indrukwekkend gamma aan personages vertolkt, van politiek activist tot voetbalcoach, bokser, flik, drugsbaas en alles ertussen, hij heeft vliegtuigen en metro’s gered, treinen in penibele omstandigheden toch vlot in het station geparkeerd, twee oscars binnengerijfd én een lifetime achievement award; dat laatste is altijd een subtiele hint om aan je pensioen te beginnen denken.

Wellicht daarom speelt Denzel nu graag al eens een gepensioneerde. Die wel op zijn eentje alle aanwezige boeven zonder uitzondering in frut blijft hakken. In The Equalizer bijvoorbeeld, een film uit 2014. Denzel is een vriendelijke opa, petje op het hoofd, die vroeger iets bij de CIA moet gedaan hebben, duidelijk wordt dat nooit. Hij is rustig, beschaafd en behulpzaam, maar als hij kwaad wordt, verandert hij in een soort Jean-Claude Van Damme.

En nu is er een opvolger van The Equalizer, toepasselijk The Equalizer 2 gedoopt. Hij komt pas volgende week in de bioscoop maar ik heb de trailer al gezien, en dus de hele film min de laatste vijf minuten. Ik kan u verzekeren: er wordt door Denzel weer een pleiade aan slechteriken neergebokst.

Ik heb gisteren voor alle zekerheid The Equalizer 1 opnieuw bekeken, zodat mij tijdens de sequel zeker niks van de plot zou ontgaan. Denzel zit elke nacht in een café een boek te lezen en thee te drinken omdat hij niet kan slapen, overdag werkt hij in de Brico en tussendoor molt hij een hoop cliché-Russen van een maffiabende omdat ze een sympathiek hoertje hebben mishandeld met wie Denzel eerder op café had aangepapt.

Op niet-seksuele wijze aangepapt voor alle duidelijkheid. Want Denzel is niet zo. Hij is een man van een indrukwekkende moraliteit, dat voel je meteen.

De vraag wanneer Denzel eigenlijk slaapt, wordt in de film niet gesteld. Een film draaien is een kwestie van keuzes maken. Twee uur is in een wip voorbij. Waarom de film The Equalizer heet, blijft ook onbeantwoord. Volgens sommigen omdat Denzel alle slechteriken neermaait zodat de grond weer helemaal equal is, zonder misdadigers die het landschap ontsieren met hun lelijke boevenlichamen en hun vieze boevensnorren. Soit.

En dan nu The Equalizer 2 dus. De sequel is volgens alle beschikbare bronnen een waardeloze miskleun. Uit de recensie van de krant The Guardian: dat het jammer is dat ze de film niet gewoon The Sequelizer genoemd hebben. Ook op de website rottentomatoes, waar ze beter zijn in het schrijven van filmrecensies dan in het bedenken van websitenamen, is het huilen met het petje op.

Maar wie ben ik om daarmee rekening te houden? Wat doet een echte fan van Denzel? Denzél, sorry. Kijk, vijftien jaar geleden ben ik definitief gestopt met het lezen van filmbesprekingen en daar vervolgens rekening mee te houden, en daar heb ik nog geen seconde spijt van gehad. Danku Humo.

Daarom ga ik The Equalizer 2 dus toch lekker in de bioscoop bekijken, ook al heb ik in de trailer alle hoogtepunten al gezien. En ook al vindt rottentomatoes hem maar niks. Want ik ben een doorzetter. Net als Denzel.

Leve Denzel Washington. Petje af.

2d017f8b29f020b803862e2dbd1bc59d.jpg

The Equalizer II

Kapitein Winokio

Onze nationale feestdag hebben wij doorgebracht met Kapitein Winokio in Gent.

De Gentse Feesten zijn in volle gang. Teruggebracht tot zijn essentie gaat het om een tien dagen durend drinkgelag, verhuld door muziekoptredens, toneelvoorstellingen en travestietenrevues. En kindershows. Vanmiddag speelt de drankorgie zich af op Fristi, Ice Tea en Fanta.

Want op de Kouter is het kindernamiddag met Kapitein Winokio. De K3 van het zich iets alternatiever voelende Vlaamse gezin. Gratis. Daar moeten we bij zijn.

Het kruim van de Gentse ouderlijke verantwoordelijkheid heeft zich naar de Kouter begeven. De buurt is vergeven van de bakfietsen. Stewards wijzen iedereen vrolijk de goede kant op. Hier gebeurt het. Dit is de stad. De rest is koetsenparking.

Vooraan staan een paar honderd kinderen al samengedromd, hun ouders in een brede halve cirkel erachter. De moshpit, zeg maar.

“We gaan naar Kabouter Pinokkio!” Roep ik enthousiast. Mijn dochter Roos kijkt mij bars en beschaamd aan, ook al is ze nog maar vijf. “Het is Kapitein. Winokio. Met een W,” zegt ze nadrukkelijk en streng. We nemen de tram. Kleine Bo (1,5 jaar) gaat ook mee. Hij zal de kapitein een uur lang nadrukkelijk negeren en enkel oog hebben voor passerende trams en voor het hamburgerkraam in de rode bestelwagen (“Auto is gestopt papa!”).

Winokio komt stipt drie minuten na het beginuur in zijn kapiteinskostuum het podium op. Omringd door muzikanten die zullen meehelpen het publiek op te hitsen en het Fantaverbruik tot ongekende hoogten te jagen. Er is ook een Mevrouw de Poes.

Kapitein Winokio staat bekend voor zijn vlotte meezingliedjes, zijn sympathieke tussenteksten (“Wie heeft er hier een hoofd?”) en voor zijn mopjes. Drankgelach. Ik word vandaag vooral getroffen door zijn kindvriendelijke covers van Vlaamse klassiekers: Cha Cha Cha van Raymond van het Groenewoud, Chérie van Eddy Wally.

Het hele concert wordt door de kleine rakkers ongenadig meegeschreeuwd, de dansjes op het podium worden zo nauwkeurig mogelijk nagebootst.

Er is een kriebellied waarop het aanwezig schorem hun collega-concertgangers aan frut mogen kriebelen. En er is de kusjesdans op La Bamba. Alvorens hun tong in andermans keel te planten, dienen de kinderen dit jaar eerst beleefd toestemming te vragen. Mevrouw de Poes kijkt goedkeurend toe.

Na zes liedjes, drie Ice Teas en het rematriëren van een verloren kind glip ik er even tussenuit, om een boek te kopen in de backstage gelegen boekhandel Het Paard van Troje. Daar is de legendarische Nederlandse radiopresentator Jan Douwe Kroeske zowaar een 2Meter Sessie aan het presenteren. Kroeske, 2 meter hoog. Ahoi kapitein.

Ik ben nog net op tijd terug voor het bisnummer, en voor het moment waarop Kapitein Winokio tot zijn stomme verbazing door zijn eigen bandleden bedankt wordt. En dan nog wel als de beste kapitein ter wereld. Pinokkio.

Intussen missen we allemaal de doortocht van die andere kapitein: kapitein-ter-zee bij de Belgische Zeemacht prins Laurent is aangemeerd in de stad en loopt samen met zijn vrouw een paar honderd meter verder ongestoord door het Gentse bacchanaal. Niet om zelf op te treden, hij komt voor de nationale feestdag luisteren naar het Te Deum in de Sint-Baafskathedraal. Voor God en vaderland. En Pierke Pierlala. Cha Cha Cha.

Kapitein Winokio.jpg