drie boeken #1: Joke Devynck

“Het leukste is nog altijd: snuisteren in een boekenwinkel en een schat vinden en dan denken: ik heb die gevonden!” (lacht)

Welkom bij deze nieuwe podcast, waarin ik boekenliefhebbers vraag naar de drie boeken die iedereen absoluut moét gelezen hebben.

De geweldige Joke Devynck (1972) is actrice, bekend van ondermeer tv-series Het Goddelijke Monster, Vermist en Flikken, en de films Zot Van A en Het Vonnis.

Hoe heerlijk, hoe mooi kan je over boeken spreken? In ons gesprek praat Joke over de bibliotheek in Knokke waar haar moeder werkte, over de worstelingen met zichzelf en hoe zich dat weerspiegelt in haar lectuur, over het boek waaruit ze de naam van haar dochter Tita haalde, en uiteraard over de drie boeken die we moéten gelezen hebben.

Luister hier naar Drie boeken met Joke Devynck.

“Ik lees het liefst van al op de trein, dat is het mooiste van het mooiste.”

Joke Devynck + logo.jpeg

De drie boeken van Joke Devynck zijn:

1. Hermann Hesse: Narziss en Goldmund

vdi9789023482741.jpg

2. Jerzy Kosinski: De geverfde vogel

vdi9789023429371.jpg

3. Sandro Veronesi: Kalme chaos

1001004011262345.jpg

De andere boeken waarover we het in ons gesprek hadden:

-Dante Alighieri: De goddelijke komedie

-de Bijbel

-Ocean Vuong: Op aarde schitteren we even

Roald Dahl: De GVR

-Michail Boelgakov: De Meester en Margarita

-Thea Beckman: Triomf van de verschroeide aarde

-Philippe Claudel: Het verslag van Brodeck

-Ágota Kristóf: Het dikke schrift

-Gaétan Soucy: Het meisje dat te veel van lucifers hield

-Haruki Murakami

-Tsjingiz Ajtmatov: De liefde van een vrachtrijder

-Rachel Cusk: Transit

-Jenny Offill: Verbroken beloftes

Virginia Woolf: Orlando

-Hannah Arendt

-Charlotte Salomon

-Toni Morrison: Beminde

-Siri Hustvedt

-Arundhati Roy: De god van kleine dingen

-Arundhati Roy: Het ministerie van opperst geluk

-Helen Macdonald: De H is van Havik

-Laura Esquivel: Rode rozen en tortilla’s

-Lydia Davis

-Linn Ullman

-Kim Thúy: Ru

-Annelies Verbeke: Dertig dagen

-Saskia De Coster

-Gaea Schoeters: Zonder titel #1

 

de muziek onder deze podcast: Stoned by Alexander Nakarada | https://www.serpentsoundstudios.com Music promoted by https://www.free-stock-music.com Attribution 4.0 International (CC BY 4.0) https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/

In Monk’s House, het huis van Virginia Woolf in Rodmell, East Sussex

In de tuin van Monk’s House, het huis dat schrijfster Virginia Woolf en haar man Leonard kochten in 1919 en waar ze permanent gingen wonen in 1940. Virginia Woolf schreef heel wat van haar belangrijke werken in de writing lodge in de tuin. Op 28 maart 1941 pleegde ze zelfmoord in de rivier de Ouse in de buurt. Haar as werd begraven onder een boom in de tuin.

HipstamaticPhoto-593945915.739358.jpg

Monk’s House

gelezen: Herman Brusselmans: Prachtige ogen

Na lange tijd herlezen: Prachtige ogen, de debuutroman van Herman Brusselmans uit 1984.

Student Julius Cramp beslist op een dag dat hij ’s avonds niet terug naar huis gaat keren. Hij studeert Germaanse Filologie in de Blandijn in Gent maar brengt de hele dag in café De Poort door. Waar zo goed als niks gebeurt, op een passerende studentenbetoging na die uit de hand loopt.

De hoofdpersoon doet niks behalve pintjes drinken en observeren wat er rond hem gebeurt; hij is nauwelijks geïnteresseerd in iets. Vrouwen zijn trutten, mannen zijn klootzakken, er wordt de hele tijd gevloekt. Een bus is een stinkbus, een toilet is een zeiktoilet. Soms schemert er een spoor van melancholie door wat Julius vertelt, een besef van eenzaamheid, maar slechts zelden.

Eén van de helden van de hoofdpersoon is Holden Caulfield, het personage uit The Catcher in the Rye van J.D. Salinger. Ook de stijl en het woordgebruik van Brusselmans in dit boek is helemaal The Catcher in the Rye.

“Ik werd depressief bij die gedachte. Dat meen ik, ik werd er treurig onder. Je zou gezegd hebben: Hè vandaag gebeurt er een en ander, ik neem een belangrijk besluit, ik heb een wapen op zak, ik zie een waar massagevecht, ik zit naast een professor dus hèhè eindelijk gebeurt er ’s wat! En hèhè, weer gebeurde er natuurlijk niks. Ofwel was het nog te vroeg voor gebeurtenissen. Ofwel ging de hele rotzooi aan gebeurtenissen aan mij voorbij.” (p. 178)

Een nihilistisch boek, waarmee Brusselmans zich duidelijk wilde afzetten tegen de ‘échte literatuur’ met ‘relevante inhoud’, iets wat hij vandaag nog steeds doet.

HipstamaticPhoto-593453835.390216.JPG

gelezen: Elvis Duran: Where Do I Begin?

Gelezen: het boek van de Amerikaanse radioster Elvis Duran: Where Do I Begin? Stories (I Sort of Remember) from a Life Lived Out Loud.

Elvis Duran (55) vertelt in dit boek over zijn radiocarrière, van de kleine stations waar hij begon, langs het legendarische Z100 in New York, tot vandaag: hij is CEO van zijn eigen bedrijf en zijn ochtendshow wordt in heel de Verenigde Staten uitgezonden.

Hij beschrijft radio achter de schermen, het leven als celebrity en zijn privéleven: zijn jeugd, zijn wilde party- en drugsverleden, het moment dat hij als gay uit de kast kwam, zijn maagverkleining die hem tientallen kilo’s deed afvallen.

Lekkerste brok in het boek: het stuk over zijn aankomst bij Z100, het legendarische radiostation in New York met als slogan: Serving the universe from the top of the Empire State Building:

(Zijn vorige station) “KRBE may have sounded big. But it had nothing on Z100. Z100 sounded gigantic. (…) It was so loud. A wall of sound. (…) How’d they do it? Well, they borrowed some tricks from the old AM radio stations that dominated the landscape back in the Stone Age of radio. They added a ton of reverb, so that the voices and music coming over the airwaves would boom and echo through your speakers.” (p. 48)

Eentje voor de radiofreaks.

HipstamaticPhoto-593025566.235672.JPG

Elvis Duran and the Morning Show

Opening Film Fest Gent 2019

Sam De Bruyn als Neo uit The Matrix, Inge De Vogelaere als The Bride uit Kill Bill, Wim Oosterlinck als The Joker uit The Dark Knight. De ochtendshow van Qmusic op de rode loper tijdens de opening van Film Fest Gent 2019.

HipstamaticPhoto-592321159.093639.JPG

HipstamaticPhoto-592260858.932418.jpg

HipstamaticPhoto-592321233.467640.jpg

 

Brandweerman Bo

“En dit is de brandweerwagen van Mega Toby.”

Onze gids is duidelijk een oud-brandweerman, hij draagt een kanariegeel t-shirt en blijft ons het hele bezoek op de voet volgen. Ik wist niet dat Mega Toby de eigenaar was van een brandweerwagen. Maar ons zoontje Bo zit al trots achter het stuur. 

We staan midden in een industriegebied in Erembodegem, deelgemeente van Aalst, in een enorme loods die het Brandweermuseum herbergt. Het museum is van april tot en met oktober twee zondagen per maand open. Ons bezoek is een cadeautje voor de derde verjaardag van Bo.

Naast tientallen brandweerwagens zijn hier brandweerladders te zien, brandweerpakken, brandweerhelmen, brandweersirenes, brandweerfietsen, brandpreventiebrochures en foto’s van de brand in de Innovation in 1967. Er is ook een soort FC De Kampioenen-cafetaria die naar sigaretten meurt.

Onze gids zegt dat we mogen plaatsnemen in elke brandweerwagen waarvan we de deur open krijgen. Dat laten we ons geen twee keer zeggen.

Dit museum moet voor Bo het absolute hoogtepunt worden van een lange, hete brandweerzomer. Hij is erin geslaagd om tijdens de maanden juni, juli, augustus en september elke dag Brandweerman Sam te spelen, van ‘s morgens tot ‘s avonds.

Brandweerman Sam is een sympathieke tekenfilmheld die branden blust en ook poesjes uit bomen redt, een activiteit waarvoor Bo voor zijn leeftijd al een verdacht enthousiasme vertoont. Wij bezitten een boek met verhaaltjes van brandweerman Sam en drie reeksen filmpjes op dvd, ons uitgeleend door bevriende brandweerliefhebbers.

Brandweerman Sam wordt omringd door enkele figuren die tijdens het spel om beurten door de andere leden van het gezin vertolkt moeten worden. Er is weinig manoeuvreerruimte: Bo beslist alles.

Mijn vriendin Marie is altijd Elvis, een collega-brandweerman die een duizelingwekkende gelijkenis vertoont met de gelijknamige zanger. Waarop Marie steevast in Love me tender uitbarst, door Bo onthaald op een afkeurende blik. Brandweermannen zingen niet. Brandweermannen blussen branden.

Ik speel commandant Staal, die zich ondanks zijn stoere naam in de living ophoudt, op een kartonnen doos achter de zetel (de kazerne), waar verwacht wordt dat hij om de drie en een halve minuut BRAND! roept, daarbij ook de plaats in huis noemend waar de brand in kwestie zich afspeelt. Liefst wordt deze boodschap luidkeels gebruld in een okie-dokie (een walkie-talkie).

Als er brand gemeld wordt in zeg maar de keuken, snelt Bo vlug naar de living om zijn brandweerwagen te halen, waarna hij in de keuken met zijn handjes een denkbeeldige brandweerspuit beetpakt en luid PSSSJJJT doet. Eén seconde later is de brand naar tevredenheid geblust en kan de terugtocht naar de kazerne aangevat worden, tenzij de brandweerman een beker melk wil drinken of kaka moet doen op zijn potje.

Er is ook Jenny. Het is niet helemaal duidelijk wat Jenny doet. Oorspronkelijk vreesde ik dat zij in de brandweerkazerne verantwoordelijk was voor de vaat, het strijken der brandweerkostuums en het afstoffen van de helmen. Gelukkig blijken de bedenkers van Brandweerman Sam toch al de 21ste eeuw te zijn binnengetreden en is Jenny gewoon brandweervrouw naast de rest.

Jenny wordt meestal gespeeld door Bo’s zus Roos. Soms is Jenny gewoon een lege plek naast Bo met wie hij desalniettemin uitgebreide conversaties voert.

Onze driejarige huisbrandweerman draagt elke dag een rood t-shirt en een harnas (Bo’s mini-rugzakje) en hij heeft het bijzonder druk: hij blust niet alleen branden bij ons thuis en pakweg op de autostrade, maar zelfs tijdens een rustige wandeling in het bos kan er elk moment een nietsvermoedende eeuwenoude eik in de fik vliegen.

En nu bevinden we ons tussen de grootste collectie brandweerwagens ten westen van Opwijk. Onze gids plakt nog steeds aan ons. En Bo zit achter het stuur van de brandweerwagen van Mega Toby.

Ik heb het opgezocht. Deze brandweerwagen blijkt een rol te spelen in een Valentijnsaflevering van Mega Mindy, waarin de schuur van een zekere zakenvrouw Katharina in brand staat, Toby met zijn brandweerwagen komt aanrijden, bij de aanblik van Katharina haar schuur in Mega Toby verandert en vervolgens naar diepe tevredenheid van Katharina zijn spuit hanteert. Wie verzint dit soort verhaaltjes.

Zie hem zitten, onze driejarige, blakend van onschuld, gelukkiger dan ooit. Zittend aan zijn stuur, dromend over vuur en water, over avontuur, en over later.

We hebben onze gids kunnen afschudden en zijn naar huis teruggekeerd, waar de brandhaarden in respectievelijk gang en keuken meteen succesvol gedoofd werden.

Gelukkige derde verjaardag, brandweerman Bo. Blus ze.

HipstamaticPhoto-591122335.471453.JPG

het brandweermuseum van Aalst

meer verhalen over Roos en Bo

gelezen: Roderik Six: Volt

Verbijsterd, overdonderd en verslagen na het lezen van het nieuwe boek van Roderik Six. Na zijn vorige romans, Vloed en Val, is er nu Volt. Een duister, huiveringwekkend verhaal over een man die leeft op een oververhitte plek in een soort vreselijke klassenmaatschappij in de toekomst. Er is iets gebeurd waardoor het land nauwelijks nog leefbaar is, de zon verschroeit de aarde, de hitte is ondraaglijk.

Er is sprake van een serum dat mensen langer in leven houdt, van inlanders die in een kamp wonen, van boodschappen op papier, van wetenschappelijke experimenten met dieren. Volt bevat enkele scènes waarbij de rillingen je over het lijf lopen: gruwelijk en onvergetelijk.

Meteen in het begin, bij de geweldige openingsscène, voel je het dreigende gevaar en de spanning die de schrijver het hele boek magistraal volhoudt. Als lezer krijg je nooit 100 procent vat op de gebeurtenissen en op het geheel; de vertelling is steeds gehuld in mysterie, net zoals in Val.

Roderik Six is een meesterstilist met een duistere voorkeur voor ongedierte, vuurwapens, rampspoed en voor de donkerste spelonken van de menselijke ziel. Ik houd van zijn taal, zijn durf en zijn duisternis.

Het heetste, meest verpletterende boek van het jaar. Ik heb het gelezen in juli (vòòr publicatie), op de warmste dag in België sinds het begin van de metingen. Een boek als een post-apocalyptisch 1984. Indrukwekkend.

De zee sleept me met elke ebbende wee verder mee.” (p. 127)

HipstamaticPhoto-591434625.784477.JPG

de website van Roderik Six

gelezen: Anne Frank: Het Achterhuis.

Eindelijk gelezen: het legendarische dagboek van Anne Frank: Het Achterhuis. Dagboekbrieven 12 juni 1942 – 1 augustus 1944.

Geschreven door het Joodse meisje Anne Frank, die samen met haar familie en kennissen moest onderduiken in een huis in Amsterdam tijdens de nazi-bezetting in de tweede wereldoorlog. Adres: Prinsengracht 263, Amsterdam:

Rechts van de overloop ligt “het Achterhuis”. Geen mens zou vermoeden dat achter de simpele, grijsgeschilderde deur zoveel kamers schuilgaan.” (p. 28)

Anne Frank schrijft een dagboek in de vorm van brieven aan een fictieve vriendin Kitty. Ze vertelt twee jaar lang over het dagelijkse leven in het Achterhuis, over de ruzies tussen de huisgenoten, over haar opflakkerende gevoelens voor huisgenoot Peter, over de moeilijke relatie met haar moeder, over de bombardementen buiten. We krijgen een diepe en intieme inkijk in het leven van een meisje van 13-15 jaar. We voelen de onrust en de praktische moeilijkheden van schuilen in een bezette stad: het steeds eenzijdiger en slechter wordende eten, de voortdurende angst om ontdekt te worden.

Op woensdag 29 maart 1944 schrijft Anne Frank: “Gisteravond sprak minister Bolkestein voor de Oranjezender erover dat er na de oorlog een inzameling van dagboeken en brieven van deze oorlog zou worden gehouden. (…) Het moet ongeveer tien jaar na de oorlog al grappig aandoen, als men vertelt hoe we als Joden hier geleefd, gegeten en gesproken hebben. Al vertel ik je veel over ons, toch weet je nog maar een heel klein beetje van ons leven af. Hoeveel angst de dames hebben als ze bombarderen, bijvoorbeeld zondag toen 350 Engelse machines een half miljoen kilo bommen op Ijmuiden gegooid hebben, hoe dan de huizen trillen als een grassprietje in de wind, hoeveel epidemieën hier heersen.” (p. 219)

Anne Frank komt uit haar dagboeken naar voren als een actieve, intelligente, nieuwsgierige, geïnteresseerde en feministisch ingestelde jonge vrouw. Ze wil graag journaliste of schrijfster worden:     

Na de oorlog wil ik in ieder geval een boek getiteld Het Achterhuis uitgeven, of dat lukt blijft ook nog de vraag, maar m’n dagboek zal daarvoor kunnen dienen.” (p. 262)

Voor de lezer van vandaag staat het hele dagboek uiteraard in het teken van het dramatische einde. De hoop van Anne Frank dat de oorlog snel voorbij zal zijn, slaat snoeihard in ons gezicht terug. De laatste woorden in haar dagboek, dinsdag 1 augustus 1944, zijn:

… ten slotte draai ik m’n hart weer om, draai het slechte naar buiten, het goede naar binnen en zoek aldoor naar een middel om te worden, zoals ik zo erg graag zou willen zijn en zoals ik zou kunnen zijn, als… er geen andere mensen in de wereld zouden wonen. Je Anne M. Frank” (p. 298)

Op 4 augustus in de voormiddag worden Anne en haar familie ontdekt in het Achterhuis nadat iemand hun schuilplaats had verraden. Ze worden gedeporteerd. Anne sterft in onmenselijke omstandigheden aan een epidemie van vlektyfus in het concentratiekamp Bergen-Belsen anderhalve maand voor dat kamp bevrijd werd.

Het hartverscheurende verhaal van het meisje Anne Frank is in deze tijden van extreme verrechtsing noodzakelijke lectuur, net zoals 1984 van George Orwell dat is om redenen van politiek inzicht. Het Achterhuis is een medicijn (ik had eerst uppercut geschreven maar heb dit vervangen door het zachtere woord medicijn) tegen de ontmenselijking die we vandaag bijna dagelijks op ons bord krijgen. Anne Frank geeft de ‘andere’, in dit geval: de Joodse mens, een gezicht: dichtbij, warm en onvergetelijk.

Hier eindigt Annes dagboek.” (p. 298)

HipstamaticPhoto-591029804.567607.jpg

Ik praatte over mijn lectuur van Het Achterhuis in De Wereld van Sofie op Radio 1.

Het Anne Frank huis in Amsterdam

gelezen: Mason Currey: Dagelijkse rituelen

“Een wiskundige is een machine die koffie omzet in theorieën.” (p.228)

Uitspraak van de excentrieke Hongaarse wiskundige Paul Erdös. Gevonden in dit inspirerende boekje over de dagelijkse rituelen van Ernest Hemingway, Albert Einstein, Gerhard Richter, George Orwell, Francis Bacon en tientallen andere creatieve werkers of beroemde luilakken. Gebaseerd op de Daily Routines-blog van de auteur Mason Currey.

HipstamaticPhoto-590226014.448186.jpg
Een bijschrift invoeren

de Daily Routines-blog van Mason Currey

gelezen: P.F. Thomése: Schaduwkind

Gelezen: een boek over de dood van een kind. Dit prachtige, ontroerend boekje uit 2003 van de Nederlandse schrijver P.F. Thomése gaat over de dood van zijn dochtertje Isa, die zes weken oud was toen ze stierf. Thomése probeert in voorzichtige, ultrafijne woorden te vatten wat hem overkomt; de taal is zijn houvast:

Als ze er nog is, dan is het in de woorden waar ik ’s nachts op wacht. Soms ook voel ik haar nog, maar minder, steeds minder zijn mijn armen, mijn handen, is mijn huid nog aan haar gewend.” (p. 76)

Schaduwkind bestaat uit kleine scènes en bedenkingen over verdriet, onbegrip en vooral verwarring: Thomése zegt enkele keren dat hij na de dood van zijn kind opnieuw moet leren lopen, praten, leven. In het adembenemende stukje Pietà beschrijft hij hoe zijn vrouw omgaat met het gestorven lichaam van hun baby:

Je waste haar, gaf haar een schone luier, borstelde zachtjes haar krulletjes. (Zo mooi, zag ik je denken, haast niet voor te stellen dat dit kind door mensen was gemaakt.) Je maakte haar gereed, want ze ging nu zonder ons, ze moest voor het eerst alleen op reis, ja zo meteen werd ze opgehaald. Je waste haar, je oliede haar huid, je trok haar schone kleertjes aan, tot het klaar was en er niets meer te doen viel voor je.

En plotseling waren je armen zo leeg, je tilde het lijkje op en klemde het tegen je aan, zo wiegde je jezelf tot rust.” (p. 52, 53)

Onvergetelijk boekje vol stilte, afwezigheid en onmenselijke pijn. Danku Ann De Jaegher voor de tip.

HipstamaticPhoto-589210299.205775.jpg

Filmploert

Londen. De man op de brug had grijs haar, een baardje, hij droeg een korte broek, een wit hemd en had in elke hand een plastic zakje. Op het eerste gezicht: een dakloze, een bedelaar, zoals deze stad er duizenden telt. Maar ik herkende hem; hij was geen dakloze, hij was de Amerikaanse topacteur John Malkovich. Hoe ik zeker wist dat hij het was? Omdat we een kwartier daarvoor allebei in hetzelfde theater hadden gezeten: hij op het podium, ik in de zaal.

John Malkovich is legendarisch geworden als Vicomte de Valmont in de film Dangerous Liaisons; hij speelde een absurde versie van zichzelf in de film Being John Malkovich; ik vond hem onvergetelijk als bloedirritante politie-inspecteur in Jennifer Eight, waarin Uma Thurman een blinde vrouw speelt en Malkovich met een snotvalling zit. Echt, bloedirritant. Hij is op zijn best als hij met lijzige zinnen en een half-verveelde killersblik zijn vijanden aan flarden kijkt.

Maar nu was het van theater, in de Londense West End, in een zaal naast Trafalgar Square. De voorstelling heette Bitter Wheat en ging over een verlopen Harvey Weinstein-achtige filmproducer die aan de lopende band jonge actrices in zijn bed probeert te draaien. En als “I’m gonna make you a star” niet lukt, schakelt hij vlotjes op bedreigingen over. Zijn naam in de voorstelling: Barney Fein.

De zaal zat niet vol. Ik had met mijn ticket van 30 pond een upgrade gekregen: ik mocht op een plaats van 90 pond gaan zitten.

Deel 1 was geweldig, met Malkovich in de hoofdrol als de absolute stinkin’ asshole, de ellendeling die met een vuurwerk aan oneliners zijn hele omgeving afmaakt. En als er vandaag één geschikte slechterik is, dan is het Harvey Weinstein wel. Schitterend. Iedereen zat verlekkerd te wachten hoe dit zou aflopen. Ik zat naast een oudere Amerikaanse vrouw die mij tijdens de pauze meldde dat ze John Malkovich heel sexy vond, enfin vroeger, nu iets minder, zei ze; nu vond ze hem vooral een rotzak geloof ik. Het verschil tussen fictie en realiteit leek niet 100 procent helder.

En toen kwam deel twee. Vermoedelijk door schrijver David Mamet in drie dagen bijeengekladderd nadat hij een vol jaar aan deel één had gewerkt. Zo leek het toch. (Spoiler alert: in het onwaarschijnlijke geval dat je één van de komende weken naar Londen trekt om Bitter Wheat te zien, sla dit paragraafje dan even over.) Deel twee was een opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden: een aangerande actrice besluit om haar aanrander Barney Fein twee dagen na de feiten een boek te komen brengen dat ze hem eerder als cadeautje beloofd had, Barney blijkt de nacht in de gevangenis te hebben doorgebracht en zat per toeval samen in de cel met een jonge scriptschrijver (we weten allemaal dat het in gevangenissen stikt van de jonge scriptschrijvers), die schrijver komt gewapend met een pistool op bezoek bij Barney om te vragen wat hij van zijn script vindt, én Barneys moeder blijkt net doodgeschoten te zijn door een moslimfundamentalist, die hem òòk persoonlijk een bezoekje komt brengen op kantoor.

Bovendien heeft niemand tegen de 71-jarige Mamet durven zeggen dat hij vergeten was om een einde te schrijven. De voorstelling eindigde met een twijfelachtige halve mop midden in een dialoog, waarna alle lichten in de zaal uit- en weer aanfloepten: het enige wat erop wees dat de voorstelling afgelopen was. Waarop driekwart van de zaal zich afvroeg of ze dààrvoor nu twee uur in het theater hadden gezeten. En 90 pond hadden betaald. En waarop het vierde kwart besloot om een staande ovatie te geven.

Toen mochten we allemaal naar huis. En een kwartiertje later zag ik hem lopen, de slechterik, de vuile aanrander, het stuk onbenul, de absolute topacteur: John Malkovich wandelde over de Golden Jubilee bridge met zijn plastic zakjes, zijn sportschoenen, zijn toneelscript met het mysterieus verdwenen einde. Alsof er niks aan de hand was. Alsof hij een gewone sterveling was. En niet de meest geniale filmploert uit de geschiedenis.

bitter-wheat-garick-theatre.jpg