Cinema Actor’s Studio

Dat de bioscoop gesloten is, is geen wonder. Het is eerder een mirakel dat het nog zo lang geduurd heeft. Ik sta in een overdekte galerij vlakbij de Rue des Bouchers in Brussel te staren naar een enorme berg afval, puin en zakken cement. Het is enkele dagen na de definitieve sluiting van cinema Actor’s Studio, wellicht de best verborgen bioscoop van het land.

In het centrum van Brussel moest je zijn, tussen de Grote Markt en het Muntplein, aan de uitgang van de Galerie du Centre waar elk uur van de dag zwervers liggen te slapen. Daartegenover: iets wat ooit een winkelgalerij moet geweest zijn; een glazen schuifdeur met de ingang van een hotel, kronkelende gangen en een neonlamp die zegt: Cinema Actors Studio. In die gangen: nooit een mens te bespeuren, alles stond te huur. Ergens achteraan, in een donker hoekje, enkele trapjes omhoog, was de ingang van de bioscoop. De man achter de kassa verkocht tijdens mijn laatste bezoek ook drankjes in de bar, liet de bezoekers binnen in de drie zalen en startte de films.

Ik zat toen in zaal 2: links was een vreemde afbeelding van Charlie Chaplin, rechts naast het filmdoek hing aan de muur een gouden vrouw. Ze lag als een zeemeermin, bovenaan bloot, onderaan bedekt door een stukje pellicule. Onder haar benen: de nooduitgang, die er angstaanjagend uitzag; je wilde niet denken wat er kon gebeuren als je deze uitgang nam, in welke krochten van de Brusselse onderwereld je zou belanden.

Rondom mij hingen drie verschillende soorten speakers die samen een soort dolby surround systeem vormden. Vooraan op het mini-podium een piano en een oude katheder met Actor’s Studio welcome erop geschilderd.

Ik was daar op 6 juli 2016, voor Love & Friendship, een kostuumdrama naar een vergeten verhaal van Jane Austen. Nooit geweten dat Jane Austen grappig was. Ik vond dat Kate Beckinsale een oscarnominatie verdiende voor haar geweldige hoofdrol, maar die heeft ze nooit gekregen. Ik ben niet van kostuumdrama’s (ik ben niet van kostuums), maar het was een heerlijke film.

Lang daarvòòr bracht ik ooit een bezoekje aan de buren van de bioscoop: voorbij een glazen deur, langs een trap naar beneden, moest je een gigantische, muffige zaal binnen waar een soort Braziliaans spektakel werd opgevoerd voor enkele bejaarden aan ronde tafeltjes. De glazen deur is al lang dicht. De naam is wel nog leesbaar: Mazazik Oriental Club Live. Er hangt al jaren een sticker op het glas: fermé.

En nu is dus ook cinema Actor’s Studio definitief dicht. Een bioscoop waar ze liefst niet de grote kaskrakers van het moment vertoonden. Kansloos in het hart van onze nationale toeristische industrie. Het hotel boven de bioscoop wil uitbreiden en de bezoekersaantallen bleven teruglopen: Actor’s Studio had op het einde nog gemiddeld 3,5 bezoekers per filmprojectie. Op de website staat: het cinefiele paradijs. Het paradijs sloot definitief de deuren op 31 juli 2018. De bioscoop heeft 30 jaar bestaan.

Er zijn nog wel een paar andere arthouse bioscopen in het centrum van Brussel; ga er vlug heen voor ze ook sluiten. Hun namen: Galeries Cinema in de prachtige Koninginnegalerij, Cinema Aventure in Galerie du Centre (met de zwervers) rechtover Actor’s Studio, én de net schitterend gerenoveerde Cinema Palace op de Anspachlaan.

Vaarwel Actor’s Studio. Bedankt voor de mooie films.

HipstamaticPhoto-558123980.322352.jpg

David Hasselhoff

Vandaag lijk ik op David Hasselhoff. Twee druppels water.

David Hasselhoff van Baywatch, in slo-mo huppelend over het strand. Ik draag een rode zwemshort, een geel t-shirt met mijn naam erop, een rood jasje en bruine schoenen. 

Die bruine schoenen zijn duidelijk een vergissing, een dress malfunction. Baywatchers dragen geen bruine schoenen. Ik ben mijn sneakers thuis vergeten. Laat ons zeggen dat ik niet zo vestimentair begaafd ben. Normaal is dat niet erg. Vandaag wel.

Ik sta namelijk op het podium van Flanders Expo in Gent. Niet uit vrije wil. Dit is mijn werk.

Eerder vandaag heb ik Belle Perez met Enamorada Boem Boem aangekondigd op een quasi leeg gemeenteplein in Geel (om kwart voor 8 ’s ochtends). Ik heb samen met Pat Krimson van 2 Fabiola handtekeningen uitgedeeld op een basisschool in Paal, ik heb Def Dames Dope zien optreden voor vijf curieus uitgedoste personeelsleden van de Hubo in Beveren en Captain Jack (van Hey yo Captain Jack!) ontmoet op een parkeerterrein in Lochristi. Captain Jack de tweede. De originele Captain is overleden. Niet op zee maar op een feestje in Mallorca. Soit. 

Nu sta ik dus in Flanders Expo. In het oorverdovende gejuich van 14.000 bezoekers. Ze zijn verkleed als de Daltons, FC De Kampioenen, Sinterklaas, als paters en nonnen, brandweermannen, verpleegsters, Tirolermeisjes en bikers. Dit is de Foute Party van Qmusic. Het jaarlijkse feest dat ons radioseizoen afsluit aan het begin van de grote vakantie.

Naast mij staan mijn collega-Q-dj’s met allemaal dezelfde blik in de ogen: een combinatie van 1) dit is het meest fantastische moment uit mijn leven, en 2) ik heb voor radiopresentator gestudeerd maar hierover had niemand iets gezegd.

De afgelopen jaren heb ik al op dit podium gestaan als één van de The Bee Gees, als de zanger van Europe, als Maria uit The Sound of Music, Jennifer Lopez, ZZ Top, Mick Jagger en Marco Borsato in jarretels.

Maar vandaag dus als David Hasselhoff. Of een willekeurige andere Baywatch-hunk uit de diepe jaren ’90. De rolverdeling is niet zo duidelijk omschreven.

Het verhaaltje vanavond wel: het begon vier minuten geleden met enkele onschuldige strandbezoeksters in bikini, dan vond er een aanval plaats van een gevaarlijke pluchen haai, waarop wij net op tijd met een soort strandmobiel het podium kwamen opgetuft. Want zo doen dappere redders op het strand in Los Angeles dat. Ze komen samen in een auto het strand opgereden. Stoer kijkend naar de zee.

Geen Dalton die het verhaaltje volgt maar dat hoeft ook niet. De essentie is dat we hier straks na de intro met z’n allen de polonaise kunnen inzetten op Heb je even voor mij, met zakdoeken zwaaien op Les Lacs du Connemara en meebrullen met een feilloze mix van Thunderstruck en We’re going to Ibiza.

Na de opkomst met de strandauto doen de stoere redders samen een dansje. Min of meer gelijk. Vuist zes keer in de lucht, trekbeweging met de armen, rond de as draaien en alles nog eens opnieuw. We geven ons helemaal. David Hasselhoff voelt zich op het podium van Flanders Expo als een vis in het water. Ondanks zijn bruine schoenen en zijn schrijnend gebrek aan borsthaar.

Jammer dat Pamela Anderson er niet bij is vandaag. Straks draaien we 10.000 luchtballonnen. De zomer kan beginnen.

IMG_2552.JPG

gelezen: Paulo Coelho: De alchemist

Schitterende klassieker herlezen: De alchemist van de Braziliaanse schrijver Paulo Coelho, één van de meest verkochte boeken aller tijden. Het verhaal van een jonge herder die naar de piramides van Egypte trekt om zijn schat te zoeken. Onderweg ontmoet hij gevaar en tegenstand, maar hij wordt aangespoord om door te zetten en de schat in zichzelf te vinden. Mooi mooi. Bedenk wat je wil in je leven (je ‘eigen legende’) en ga ernaar op zoek. Geef nooit op.

Mooi fragment:

Wat moet ik doen? Ik zal verbitterder worden en niet meer geloven in de mensen, omdat één mens mij verraden heeft. Ik zal al diegenen haten die verborgen schatten hebben gevonden, omdat ik de mijne niet heb gevonden. En ik zal het kleine beetje dat ik heb stevig vasthouden, want ik ben te klein om de wereld te omarmen.” (p. 45)

HipstamaticPhoto-557763579.824938.jpg

Paulo Coelho’s blog

Regenboog van zwaartekracht

Het is mijn persoonlijke Dodentocht, mijn Spartacus Run, mijn Dakar Rally, mijn marathon van New York, de beklimming van mijn Everest. Het is een wanhopige maar noodzakelijke strijd tegen de uitputting, tegen de menselijke zwakheid, tegen het vergeten.

Vandaag begin ik aan het boek Gravity’s Rainbow van de Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon. Een monument van de literatuur. Een bonk van een boek, 748 bladzijden waarbij alles verbleekt wat ooit geschreven is. Een oneindige bron van verrukking, ontroering en genot. Denk ik. Want ik moet er dus nog aan beginnen.

Ik heb de Nederlandse vertaling van het boek gekocht op 14 december 1996 in Flanders Expo in Gent voor 188 Belgische frank (ongeveer 4,5 euro). Dat heb ik achteraan in potlood genoteerd. Ik heb sindsdien al een vijftal pogingen gedaan om het boek te doorworstelen, maar het was te moeilijk, te veel, te ingewikkeld. Maar nu niet meer. Nu gaat het gebeuren. Vandaag is de dag.

Ok, er is ook Ulysses van James Joyce, Infinite Jest van David Foster Wallace en vele andere geflipte trips van briljante schrijvers, maar die zijn voor een ander decennium. Nu wil ik Gravity’s Rainbow lezen. Omdat ik weet dat ik het geweldig zal vinden. Net zoals bij de debuutroman van Erwin Mortier, bij Jennifer Jason Leigh in de film Mrs. Parker and the Vicious Circle, bij Nick Cave in het Sportpaleis: soms weet je het op voorhand.

Thomas Pynchon is een fenomeen. Hij is 81 jaar, woont in New York, gaat af en toe naar een concert in Carnegie Hall, zijn vrouw is zijn publishing agent. Dat is ongeveer alles wat we weten. Hij blijft volledig uit de media en de publiciteit. Hij doet nooit interviews. De laatste officiële foto van Pynchon dateert van het jaar 1954 (!). Eén keer heeft hij zijn stem geleend aan een aflevering van The Simpsons; zijn personage droeg een papieren zak over het hoofd.

Er zijn enkel: zijn boeken. Dikke kloefers meestal. Waarin de geschiedenis van de Verenigde Staten vermengd wordt met een opeenstapeling van elementen uit de populaire cultuur, in een onmetelijk ingewikkelde warreling van personages en gebeurtenissen. Mason & Dixon, V., Vineland, Inherent Vice, Bleeding Edge, zo heten ze. En Gravity’s Rainbow dus. Zijn meesterwerk.

Thomas Pynchon wordt bestudeerd aan universiteiten, hij staat in elke top 100 van beste romans aller tijden, hij wordt genoemd voor de Nobelprijs literatuur maar zal die nooit winnen, daarvoor is zijn werk te absurd, bevat het teveel spielerei en ironie, te weinig engagement, te weinig oprecht voortstuwen van de menselijke ziel.

Gravity’s Rainbow is verschenen in mijn geboortejaar 1973. Het gaat over V2-raketten tijdens de tweede wereldoorlog, en over mensen die zoeken naar het patroon waarin die raketten op Londen vallen. Naast het grote verhaal zijn er een dertigtal subplots. Er komen honderden personages in het boek voor, waarvan Pynchon afwisselend de familienaam, één van de bijnamen, een afkorting van de voornaam òf een willekeurige combinatie van de drie gebruikt. Om van de tientallen soms clandestiene oorlogsorganisaties en hun krankzinnige namen nog maar te zwijgen. De vorige keer was ik op pagina 8 al compleet de draad kwijt. (En het boek begint pas op pagina 7.)

Daarom heb ik deze keer een strategie. Ik heb beslist dat ik enkele pagina’s per dag lees. Traag maar zeker vooruit. En mijn geheime wapen is een papiertje dat in het boek zit en waarop ik de namen van personages en organisaties noteer, wie ze zijn en op welke pagina ze voor het eerst voorkomen.

Vermoedelijk hoor je een jaar lang niks van mij. Ik begin vandaag aan de eerste bladzijde. Deze keer zal ik slagen. Duim voor mij.

“Een gil komt gierend door de hemel. Dat is al eerder gebeurd, maar deze laat zich met niets vergelijken.” …

HipstamaticPhoto-556905076.262015.jpg

gelezen: Matthew Quick: The Reason You’re Alive

Gelezen: The Reason You’re Alive van Matthew Quick, over een Amerikaanse Vietnamveteraan met een oorlogstrauma. Hij heeft een moeilijke relatie met zijn linkse zoon Hank en zijn kleindochter, zijn vrouw heeft zelfmoord gepleegd, en ergens wacht nog de confrontatie met zijn verleden: de Indiaan Clayton Fire Bear.

Een mooi en slim boek over omgaan met demonen van vroeger, maar ook over de liefde die politieke tegenstellingen overwint. Aanrader!

Matthew Quick is de schrijver van Silver Linings Playbook, verfilmd met Bradley Cooper en Jennifer Lawrence, die er een oscar voor kreeg. Ook dit boek smeekt om een verfilming.

Ik las het boek trouwens in het Nederlands. The Reason You’re Alive is ook in Nederlandse vertaling de titel.

HipstamaticPhoto-555607915.885694.JPG

The Sequelizer

Ik ga naar de film The Equalizer 2 kijken. Zo snel mogelijk. Want Denzel Washington is mijn held. Zo zeg ik bijvoorbeeld Denzél en niet Dénzel. Nadruk op de tweede lettergreep. Omdat ik dat eens gehoord heb op televisie. En ik wil zijn naam correct uitspreken, want hij is mijn held. Dat zei ik al.

Denzel heeft de afgelopen jaren een indrukwekkend gamma aan personages vertolkt, van politiek activist tot voetbalcoach, bokser, flik, drugsbaas en alles ertussen, hij heeft vliegtuigen en metro’s gered, treinen in penibele omstandigheden toch vlot in het station geparkeerd, twee oscars binnengerijfd én een lifetime achievement award; dat laatste is altijd een subtiele hint om aan je pensioen te beginnen denken.

Wellicht daarom speelt Denzel nu graag al eens een gepensioneerde. Die wel op zijn eentje alle aanwezige boeven zonder uitzondering in frut blijft hakken. In The Equalizer bijvoorbeeld, een film uit 2014. Denzel is een vriendelijke opa, petje op het hoofd, die vroeger iets bij de CIA moet gedaan hebben, duidelijk wordt dat nooit. Hij is rustig, beschaafd en behulpzaam, maar als hij kwaad wordt, verandert hij in een soort Jean-Claude Van Damme.

En nu is er een opvolger van The Equalizer, toepasselijk The Equalizer 2 gedoopt. Hij komt pas volgende week in de bioscoop maar ik heb de trailer al gezien, en dus de hele film min de laatste vijf minuten. Ik kan u verzekeren: er wordt door Denzel weer een pleiade aan slechteriken neergebokst.

Ik heb gisteren voor alle zekerheid The Equalizer 1 opnieuw bekeken, zodat mij tijdens de sequel zeker niks van de plot zou ontgaan. Denzel zit elke nacht in een café een boek te lezen en thee te drinken omdat hij niet kan slapen, overdag werkt hij in de Brico en tussendoor molt hij een hoop cliché-Russen van een maffiabende omdat ze een sympathiek hoertje hebben mishandeld met wie Denzel eerder op café had aangepapt.

Op niet-seksuele wijze aangepapt voor alle duidelijkheid. Want Denzel is niet zo. Hij is een man van een indrukwekkende moraliteit, dat voel je meteen.

De vraag wanneer Denzel eigenlijk slaapt, wordt in de film niet gesteld. Een film draaien is een kwestie van keuzes maken. Twee uur is in een wip voorbij. Waarom de film The Equalizer heet, blijft ook onbeantwoord. Volgens sommigen omdat Denzel alle slechteriken neermaait zodat de grond weer helemaal equal is, zonder misdadigers die het landschap ontsieren met hun lelijke boevenlichamen en hun vieze boevensnorren. Soit.

En dan nu The Equalizer 2 dus. De sequel is volgens alle beschikbare bronnen een waardeloze miskleun. Uit de recensie van de krant The Guardian: dat het jammer is dat ze de film niet gewoon The Sequelizer genoemd hebben. Ook op de website rottentomatoes, waar ze beter zijn in het schrijven van filmrecensies dan in het bedenken van websitenamen, is het huilen met het petje op.

Maar wie ben ik om daarmee rekening te houden? Wat doet een echte fan van Denzel? Denzél, sorry. Kijk, vijftien jaar geleden ben ik definitief gestopt met het lezen van filmbesprekingen en daar vervolgens rekening mee te houden, en daar heb ik nog geen seconde spijt van gehad. Danku Humo.

Daarom ga ik The Equalizer 2 dus toch lekker in de bioscoop bekijken, ook al heb ik in de trailer alle hoogtepunten al gezien. En ook al vindt rottentomatoes hem maar niks. Want ik ben een doorzetter. Net als Denzel.

Leve Denzel Washington. Petje af.

2d017f8b29f020b803862e2dbd1bc59d.jpg

The Equalizer II

gelezen: Herman Hesse: De Steppewolf

Klassieker uit 1927 van de Duits-Zwitserse schrijver Herman Hesse.

Visionaire zin:

“Er zou worden ontdekt, misschien al heel gauw, dat we niet alleen voortdurend omgeven worden door beelden en gebeurtenissen van nu, van het moment, (…) maar dat alles wat ooit gebeurd is net zo goed vastgelegd en beschikbaar is en dat we op een dag, al dan niet draadloos, al dan niet met storend achtergrondgeruis, koning Salomo en Walther von der Vogelweide zullen horen spreken. En dat dit de mensen er allemaal, net als nu het begin van de radio, alleen maar toe zou brengen om voor zichzelf en hun streven op de loop te gaan en zich te omgeven met een steeds strakker web van vermaak en nutteloze bezigheden.” (p. 110)

HipstamaticPhoto-555175742.292466.JPG

gelezen: Michel Houellebecq: De wereld als markt en strijd

Ik ben gek op Michel Houellebecq. (Dat rijmt.) Na Platform heb ik nu ook zijn debuutroman gelezen. De wereld als markt en strijd is een boek uit 1994 waarmee hij literair Frankrijk overhoop haalde, en waarmee hij de toon zette voor alles wat hij nog zou schrijven. Het gaat over een depressieve it-specialist die cursus moet geven in enkele steden buiten Parijs. Alles is gedrenkt in een bodemloze verveling, leegte en moreel verval.

Hier is een fragment waarin Houellebecq de kern van zijn eigen schrijven samenvat. Hij zegt waarom je zijn roman eigenlijk geen roman mag noemen:

Hoe zou je nog kunnen vertellen over van die vurige, jarenlang voortdurende passies, waarvan de gevolgen soms generaties lang merkbaar bleven? We zijn op zijn zachtst gezegd mijlenver verwijderd van Wuthering Heights. De romanvorm is niet bedoeld om onverschilligheid of absolute leegte te beschrijven; daarvoor zou een vlakkere, beknoptere en fletsere uitdrukkingsvorm moeten worden uitgevonden.” (p. 46)

HipstamaticPhoto-554496252.017735.JPG

Het boek is uit het Frans vertaald door Martin de Haan.

gelezen: Arnon Grunberg: Thuis ben je

Ik heb een boek van Arnon Grunberg gelezen: Thuis ben je. Berichten van een hotelmens. Grunberg heeft voor de website De Correspondent een reeks columns geschreven over zijn leven dat zich voor een deel in hotels afspeelt. In werkelijkheid gaat het boek niet over hotels, maar meer over de vraag waar je als mens thuis bent, en nòg meer is het een bundel verhalen – op z’n Grunbergs – over zijn leven onderweg.

Het laatste stukje van het boek is een verrassend persoonlijke kijk op zichzelf als schrijver. (“De verlangens worden gevreesd.“)

Mooie zin (p. 124):

Ik vroeg of ik haar navel mocht zien, omdat ze had verteld dat ze daar een litteken had. Littekens interesseren me. Het meeste interesseert me, maar littekens bovenmatig.

Haar bed was schoon en keurig opgemaakt, haar voeten waren koud.

HipstamaticPhoto-554163211.352117.JPG

arnongrunberg.com

Kapitein Winokio

Onze nationale feestdag hebben wij doorgebracht met Kapitein Winokio in Gent.

De Gentse Feesten zijn in volle gang. Teruggebracht tot zijn essentie gaat het om een tien dagen durend drinkgelag, verhuld door muziekoptredens, toneelvoorstellingen en travestietenrevues. En kindershows. Vanmiddag speelt de drankorgie zich af op Fristi, Ice Tea en Fanta.

Want op de Kouter is het kindernamiddag met Kapitein Winokio. De K3 van het zich iets alternatiever voelende Vlaamse gezin. Gratis. Daar moeten we bij zijn.

Het kruim van de Gentse ouderlijke verantwoordelijkheid heeft zich naar de Kouter begeven. De buurt is vergeven van de bakfietsen. Stewards wijzen iedereen vrolijk de goede kant op. Hier gebeurt het. Dit is de stad. De rest is koetsenparking.

Vooraan staan een paar honderd kinderen al samengedromd, hun ouders in een brede halve cirkel erachter. De moshpit, zeg maar.

“We gaan naar Kabouter Pinokkio!” Roep ik enthousiast. Mijn dochter Roos kijkt mij bars en beschaamd aan, ook al is ze nog maar vijf. “Het is Kapitein. Winokio. Met een W,” zegt ze nadrukkelijk en streng. We nemen de tram. Kleine Bo (1,5 jaar) gaat ook mee. Hij zal de kapitein een uur lang nadrukkelijk negeren en enkel oog hebben voor passerende trams en voor het hamburgerkraam in de rode bestelwagen (“Auto is gestopt papa!”).

Winokio komt stipt drie minuten na het beginuur in zijn kapiteinskostuum het podium op. Omringd door muzikanten die zullen meehelpen het publiek op te hitsen en het Fantaverbruik tot ongekende hoogten te jagen. Er is ook een Mevrouw de Poes.

Kapitein Winokio staat bekend voor zijn vlotte meezingliedjes, zijn sympathieke tussenteksten (“Wie heeft er hier een hoofd?”) en voor zijn mopjes. Drankgelach. Ik word vandaag vooral getroffen door zijn kindvriendelijke covers van Vlaamse klassiekers: Cha Cha Cha van Raymond van het Groenewoud, Chérie van Eddy Wally.

Het hele concert wordt door de kleine rakkers ongenadig meegeschreeuwd, de dansjes op het podium worden zo nauwkeurig mogelijk nagebootst.

Er is een kriebellied waarop het aanwezig schorem hun collega-concertgangers aan frut mogen kriebelen. En er is de kusjesdans op La Bamba. Alvorens hun tong in andermans keel te planten, dienen de kinderen dit jaar eerst beleefd toestemming te vragen. Mevrouw de Poes kijkt goedkeurend toe.

Na zes liedjes, drie Ice Teas en het rematriëren van een verloren kind glip ik er even tussenuit, om een boek te kopen in de backstage gelegen boekhandel Het Paard van Troje. Daar is de legendarische Nederlandse radiopresentator Jan Douwe Kroeske zowaar een 2Meter Sessie aan het presenteren. Kroeske, 2 meter hoog. Ahoi kapitein.

Ik ben nog net op tijd terug voor het bisnummer, en voor het moment waarop Kapitein Winokio tot zijn stomme verbazing door zijn eigen bandleden bedankt wordt. En dan nog wel als de beste kapitein ter wereld. Pinokkio.

Intussen missen we allemaal de doortocht van die andere kapitein: kapitein-ter-zee bij de Belgische Zeemacht prins Laurent is aangemeerd in de stad en loopt samen met zijn vrouw een paar honderd meter verder ongestoord door het Gentse bacchanaal. Niet om zelf op te treden, hij komt voor de nationale feestdag luisteren naar het Te Deum in de Sint-Baafskathedraal. Voor God en vaderland. En Pierke Pierlala. Cha Cha Cha.

Kapitein Winokio.jpg