Op vakantie bij Friedrich Nietzsche

We turen met z’n allen naar een tafelkleedje. Het is zwart met twee groene, gehaakte strepen, het heeft frutseltjes onderaan en is 25.000 euro waard.

Ik sta in de kamer waar filosoof Friedrich Nietzsche meer dan 100 jaar geleden enkele zomers doorbracht. Er staat een sofa en een tafeltje met daarop dat kleedje en een lamp. Er is een raam dat uitkijkt op de bergen, en voorts een kast, een bed en twee kinderen, die van mij.

We staan in het Nietzsche-Haus in Sils Maria, een minuscuul dorpje in het Engadin-dal in Zwitserland, tussen Maloja (van de CM) en St.-Moritz (van de vijfsterrenhotels en de wintergolf).

Sinds onze aankomst is het niet opgehouden met sneeuwen. We zijn eind oktober. Bij het opstaan de eerste ochtend bleek de sneeuw kniehoog te liggen. We zouden met de auto geen meter vooruit geraakt zijn, hadden we geprobeerd om boodschappen te doen, was er hier in de wijde omtrek ergens een winkel open geweest.

In Sils Maria is er één warenhuis dat maandenlang gesloten is voor verbouwingen; de enige bakker is dicht, alle restaurants en hotels, op één na, zijn gesloten tot midden december. Alles ademt tussenseizoen. Wij zijn deze week de enige toeristen. Zomerwandelaars noch skiërs. Mosselen noch vis.

Enkele uren per dag spelen we in de sneeuw. De rest van de tijd zitten we in ons gehuurd appartementje Rummikub te spelen en naar buiten te staren. Veel meer kan je niet doen. Een witte sneeuwvlakte honderden meters ver, en als de vlakte stopt: besneeuwde bergen zo ver en zo hoog je kan zien. We komen van 25 graden twee weken geleden in België.

Als relevante ontspanning lees ik De antichrist, Friedrich Nietzsches furieuze afrekening met het christendom, die hij in de zomer van 1888 hier in Sils Maria schreef. Nietzsche gaat als een razende tekeer tegen christenen, priesters en de katholieke kerk. Het is prachtig, het is als het ware hartverwarmend, hier tussen de metershoge pakken sneeuw.

Maar nu staan we in het centrum van Sils Maria, in het huis waar Nietzsche schreef en zijn mooiste zomers doorbracht. Het Nietzsche-Haus is een museum geworden, en is deze maanden – net zoals de rest van het dorp – gesloten. Tussenseizoen.

Gelukkig hebben we hier enkele dagen geleden in de bar van het enige hotel dat open is, de vervangcurator van het Nietzsche-Haus ontmoet, Rolf, die ons uitnodigde om op bezoek te komen. En hier staan we nu. Met een koets en twee kinderen tussen de meubels van de filosoof met de hamer.

Rolf is geweldig lief en attent. Hij geeft ons een uitgebreide rondleiding, ook al zijn voyeuristische toeristen hier nu officieel niet welkom. En ook al houdt onze Bo (2 jaar) zich de hele tijd bezig met alle deuren open te rukken en weer dicht te slaan, filosofisch erfgoed of niet. Roos zit een tekening te maken aan de keukentafel.

Eén van de topattracties in het huis is het tafelkleedje in de slaapkamer van Nietzsche. Dat werd volgens Rolf door de filosoof hoogstpersoonlijk ontworpen omdat hij niet van witte tafellakens hield. Niet dat Nietzsche een tafellakenexpert was, neen, zijn ogen konden moeilijk fel wit verdragen. Daarom liet hij een speciaal kleedje maken dat het Nietzsche-Haus dankzij een Gulle Gever kon aankopen voor 25.000 Zwitserse frank.

Voor de rest zijn in dit huis foto’s te zien, originele brieven, een handbeschreven visitekaartje: Prof. Dr. Nietzsche, zijn verzameld werk en zijn doodsmasker (weetje: Nietzsches Nazi-liefhebbende zus liet op eigen initiatief een nieuwe, mooiere versie van zijn dodenmasker produceren).

Ook hangt hier veel kunst: de grote Duitse kunstenaar Gerhard Richter komt regelmatig eens wat werk exposeren. Het glasraam op de eerste verdieping is gerecycleerd van zijn monumentaal werk in de Dom van Keulen. 

En aan de muren: gekopieerde brieven van de reuzen die in Sils Maria tijd hebben doorgebracht, al dan niet in de voetsporen van Nietzsche. Hun namen klinken als een klok: Proust, Hesse, Pasternak, Benjamin, Cocteau, Musil, Frisch, Mann, Adorno, Tucholsky, Rilke, Anne Frank en koningin Mathilde.

Inderdaad, ook de innemende en vroom katholieke koningin Mathilde van België was hier een maand geleden op bezoek met een royale delegatie van allerlei adellijks uit de buurt. Op het einde van ons bezoek vernielt mijn dochter Roos met een efficiënte uithaal bijna de fotokader met de foto’s van haar bezoek. Qua antichrist is de opvolging hier verzekerd.

HipstamaticPhoto-562676197.775948.JPG

Het Nietzsche-Haus in Sils Maria

Het verslag van mijn lectuur van De antichrist lees je hier.

gelezen: Michael Lewis: The Fifth Risk

De helft van het boek gaat over de Nationale Atmosferische en Oceanische Administratie van de Amerikaanse overheid. Wat klinkt als het meest stomvervelende onderwerp ter wereld, ik besef het. 

Kijk, Michael Lewis moet de beste non-fictieschrijver van Amerika zijn. Hij slaagt erin elk moeilijk, oninteressant thema tot leven te brengen met als resultaat: pageturners over beursmanipulatie (Flash Boys), over de statistiek achter spelersprofielen in de baseballcompetitie (Moneyball), en over hoe we beslissingen nemen en voortdurend fouten maken (The Undoing Project). Zijn geheim: altijd vertrekken vanuit individuele verhalen van enkele hoofdrolspelers.

Eerlijk? Hij lijkt wat op Dan Brown, qua manier van schrijven én qua uiterlijk. Wat misschien geen compliment is. Soit, laat vallen.

Het nieuwe boek van Michael Lewis heet The Fifth Risk en gaat over enkele Amerikaanse overheidsinstellingen, hoe ongeveer niemand in Amerika echt goed weet waar die exact mee bezig zijn, omdat de structuur bijzonder ingewikkeld is, en omdat ze met véél, compleet uiteenlopende zaken bezig zijn. Wie helaas òòk geen idee heeft, is hun baas: de regering Trump. Het gevolg is een bedreiging van de nationale veiligheid. Dat legt Michael Lewis in dit boek uit in iets meer dan 200 bladzijden.

Deel 1 gaat helemaal over het Department of Energy, dat niet alleen verantwoordelijk is voor energie, maar ook voor de nucleaire veiligheid van het land. Verder schrijft Lewis over het Amerikaanse Ministerie van Landbouw, over het Department of Commerce, en over de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA). Die laatste houdt via de National Weather Service ondermeer het weer in de gaten en waarschuwt de Amerikaanse bevolking als er stormen en tornado’s aankomen.

De overgang van de regering Obama naar de regering Trump werd door al deze overheidsinstellingen nauwkeurig voorbereid, om een vlotte overgang te garanderen. Maar op de dag dat de nieuwe administratie de zaak moest overnemen, kwam er niemand opdagen. 

De regering Trump negeerde de voorbereidingen compleet. Volgens Lewis toonde ze nauwelijks interesse in de werking van de overheidsorganisaties, maar focuste ze uitsluitend op ondermeer ontkenning van de klimaatopwarming, schrapte ze budgetten waarvan ze geen idee hadden waarvoor ze dienen, met op lange termijn mogelijk catastrofale gevolgen voor de Amerikaanse bevolking.

Michael Lewis schrijft intelligent en ongelooflijk meeslepend, met steeds een grote fascinatie voor wat zich ver achter de dagelijkse nieuwsfeiten bevindt. Altijd geïnteresseerd in lange termijn, statistiek, waarheid achter schijn. Hij slaagt erin om mistoestanden bloot te leggen die verborgen blijven omdat de problematiek zo ingewikkeld is dat niemand er iets van snapt (Flash Boys), of omdat het probleem zich op lange termijn afspeelt (The Fifth Risk) en niet uit te drukken is in snelle antwoorden die volgende week alles oplossen.

The Fifth Risk is – alweer – fascinerende lectuur, en gaat centraal over het functioneren van de overheid. Over hoe de overheid systematisch onderschat en gekleineerd wordt, en het bestaan ervan enkel opvalt als er iets misloopt. Een ode aan de overheid dus, maar dan geschreven door wellicht de enige man op aarde die dergelijke materie boeiend kan maken.

Aanrader. Dit boek. En het hele oeuvre van Michael Lewis.

HipstamaticPhoto-563035366.507712.jpg

Michael Lewis

gelezen: Friedrich Nietzsche: De antichrist

De antichrist: geschreven in 1888, maar een nog steeds plezierige en relevante scheldpartij op de katholieke kerk.

De antichrist is een vlammende aanklacht tegen het christendom in een tijd dat er van de neergang van de katholieke kerk zoals wij die vandaag zien, na flagrant machtsmisbruik en de georganiseerde bescherming van pedofiele priesters, nog lang geen sprake was. Nietzsche scheldt het christendom, zijn belijders en vooral zijn priesters de huid vol omdat hij geloof onzin en gevaarlijk bedrog vindt. Hij noemt christenen ondermeer vampieren, een lafhartige, verwijfde en suikerzoete bende (p. 95), en stiekeme gewormte (p. 94).

Over de inconsequenties van het christendom:

Niets is onchristelijker dan de kerkelijke onbeschaamdheden van een God als persoon, een ‘rijk Gods’ dat komen zal, een ‘rijk der hemelen’ in het hiernamaals, een ‘zoon Gods’ als tweede persoon van de Drie-eenheid. Dit alles staat (…) als een vlag op een modderschuit (p. 50)

Hij vindt de katholieke kerk bovendien het tegendeel van alles waar het christendom voor staat:

de Kerk, deze vorm van dodelijke vijandschap jegens elke eerlijkheid, elke verhevenheid van de ziel, elke geestelijke tucht, elke vrijmoedige en zachtaardige menselijkheid. (p. 53)

Nietzsche schreef De antichrist in 1888, maar de tekst is nog steeds relevant om te begrijpen hoe we vandaag leven. Wij zitten nog steeds met een ingebakken cultuur van aanvaarding, waarvan de verschrikkelijke uitwassen pas naar boven komen in een fenomeen als de metoo-beweging. Wij blijven als volk vechten tegen die aanvaardingscultuur. En Nietzsche beschrijft heel goed hoe die zich door het christendom in onze samenleving heeft genesteld.

Zijn conclusie:

Ik veroordeel het christendom (…) Voor mij is zij de opperst denkbare vorm van corruptie (…) De christelijke Kerk liet niets door haar verderf onaangeroerd, zij heeft van elke waarde een onwaarde, van elke waarheid een leugen, van elke eerlijkheid een vuig zielenroersel gemaakt. (p. 101, 102)

Ik las De Antichrist in oktober – november 2018 in Sils Maria. Daar bracht ik ook een bezoek aan het Nietzsche-Haus, waar de filosoof enkele zomers doorbracht en waar hij in 1888 De antichrist schreef.

HipstamaticPhoto-562676045.187373.JPG

Het verslag van mijn bezoek aan het Nietzsche-Haus in Sils Maria lees je hier.

gelezen: Jeroen Brouwers: Laatste plicht. Terugdenken aan Hans Roest. Feuilletons 10.

Kijk, aflevering 10 van het éénmans-tijdschrift van de meester, Jeroen Brouwers, waarin hij kritieken, beschouwingen en kleine of grote stukken biografie verzamelt. Dit boekje is een ode aan zijn in 2006 overleden vriend en mentor Hans Roest, over wie hij vol liefde, bewondering en mededogen spreekt.

Hij was mijn beste, de allervertrouwdste, meest genereuze en royale vriend. Hij van zijn kant noemde mij ‘zijn erezoon’. (p. 17 en 18)

Hans Roest was chef van de lectuurredactie bij de Geïllustreerde Pers in Amsterdam toen Brouwers hem in 1962 leerde kennen. In belangrijke bijrollen: deels vergeten Nederlandse schrijvers en dichters: Hélène Swarth, Henriëtte Roland Holst, Gerrit Achterberg, een constante in het werk van Brouwers.

Samen met Laatste plicht verscheen ook een best of van de 10 afleveringen van Feuilletons.

HipstamaticPhoto-562523732.650680.jpg

Uitgeverij Demian

Ontsnapte gorilla

Ik heb een ontsnapte gorilla gezien. Een echte, live in de dierentuin. Dat is waar gorilla’s wonen, volgens het spelletje dier in je hoofd dat ik minstens zeven keer per week met mijn dochter Roos speel. Woont het dier op de boerderij? Neen? Dan woont het in de dierentuin.

We waren afgelopen weekend voor Roos haar zesde verjaardag in Apenheul, een dierenpark bijna uitsluitend bevolkt door apen. We hadden onze dochter een doe-cadeautje geschonken met als achterliggende bedoeling de oneindig uitdeinende speelgoedlawine tijdelijk een halt toe te roepen.

Apenheul zit niet alleen vol apen, maar ook vol Nederlanders. Dat komt omdat het park in Nederland ligt, in Apeldoorn zelfs, je verzint het niet. De Nederlanders mogen er vrij tussen de apen rondlopen. De andere bezoekers trouwens ook. Je mag de apen alleen niet lokken, aaien, eten geven, ontmantelen met een schroevendraaier of behandelen met betoncoating, ik zeg maar wat.

Op onze tocht door het park zagen we tientallen apensoorten, in alle maten en gewichten, overzichtelijk geordend volgens merk. Brulapen, slingerapen, dwergaapjes, orang-oetans én bonobo’s, die volgens de gids bekend staan om hun uitbundige seksuele gedrag. Maar daar was helaas niks van te merken. Alles verliep beschaafd en kindvriendelijk.

Tot we bij de witschouderkapucijnaapjes kwamen. Daar ging het mis. Niet op seksueel vlak, eerder organisatorisch. Tussen hen zat namelijk: een gorilla. Het gorilla-eiland is van de kapucijnaapjes gescheiden door elektrisch geladen prikkeldraad. Maar de gorilla was iets te enthousiast op verkenningstocht gegaan, had een houten tak in twee gebroken en was daarmee doorheen de prikkeldraad geraakt.

Het was hallucinant. De witschouderkapucijnaapjes, die elk ongeveer twintig keer in zo’n gorilla kunnen, schrokken zich…euh… een aap en stoven in paniek alle kanten op. De gorilla kroop heen en weer op de veel te dunne takken van hun boom. Af en toe probeerde hij terug door de prikkeldraad te geraken. Lukte niet. Daar zat hij, opgesloten in het verkeerde hok, stevig in de aap gelogeerd.

Mijn eerste reactie was dat dit spektakel wellicht elk weekend georganiseerd wordt om de bezoekers een authentieke, verrassende beleving aan te bieden, maar toen arriveerde er een dierenverzorger op een nabijgelegen dak, en nog één. Ze waren druk aan het telefoneren en liepen nerveus rond. Onder hen de verzorgster die twee uur daarvoor tijdens het voedermoment nog een grappig filmpje had laten zien van die ene gorilla die er ooit in geslaagd was om onder een draad door te kruipen.

Dit was minder grappig. De gorilla probeerde keer op keer met zijn tak een ladder te maken om aan de overkant te geraken, maar hij werd teruggeworpen door shocks van de elektrische prikkeldraad. Toen hij een plas water naar de andere kant wilde oversteken, nam de ongerustheid bij de verzorgers toe – ze waren nu al met vier aan het toekijken. Ze probeerden King Kong naar zijn eigen verblijf terug te lokken door stukken voedsel te gooien.

Intussen was de helft van aapminnend Nederland samengestroomd om het spektakel te bewonderen.

Pas na een halfuur slaagde de gorilla erin om na een gevecht met de prikkeldraad weer in zijn eigen verblijf te kruipen. Groot was de opluchting, bij verzorgers en publiek.

Intussen had Roos laten weten dat ze Apenheul maar een stom park vond, vervelend omdat er alleen maar apen te zien zijn. Ach, kinderen en apen, ondankbare schepsels, nooit tevreden. Dringend tijd om naar huis te gaan. Benieuwd waar de gorilla bij zijn volgende uitstap naartoe trekt.

HipstamaticPhoto-561833973.339036.JPG

Loslopende luipaarden in de Beekse Bergen? Lees hier.

Graceland

It was a slow day, and the sun was beating on the soldiers by the side of the road

There was a bright light, a shattering of shop windows

The bomb in the baby carriage was wired to the radio

(uit The Boy in the Bubble – Paul Simon)


Ik ben weer verslingerd aan Graceland van Paul Simon. Uitgekomen in 1986, en toen op basis van mijn alomvattende muziekkennis door mij ingeschat als het beste album aller tijden (ik was 13). Vandaag, op de verjaardag van Paul Simon, ben ik het weer roerend eens met mijzelf. Iets wat mij geregeld overkomt.

Ik ben het album Graceland in die tijd nog gaan voorstellen op Studio Brussel, bij mijn toenmalige radioheld Dirk Blancke voor zijn rubriek De Monument-elpee. Ja het was toen nog met elpees te doen. Intussen zijn die vervangen door cd’s, die op hun beurt afgelost zijn door iTunes, dan door Spotify en nu zijn de elpees weer terug. Ik was geen hipster avant-la-lettre. Nooit geweest.

Ik moest van Dirk vier nummers kiezen en uitleggen waarom ik ze wilde laten horen aan de luisteraars. Apetrots en strontnerveus kwam ik met mijn ouders aan in het VRT-gebouw en werd ik in de studio gedropt. Als eerste keuze stotterde ik The Boy in the Bubble in de vernieling, het openingsnummer. Het was onvergetelijk. Voor mij althans.

Ik ben niet zo nostalgisch aangelegd. Mijn natuurlijke nostalgische habitat zou de jaren 80 moeten zijn, maar daar beperkt mijn interesse zich tot de best of van Hall & Oates en Tears For Fears. Voor al de rest voel ik bedroevend weinig enthousiasme. Zelfs Rick Astley kan geen schijn van interesse doen opflakkeren.

Maar nu is Graceland van Paul Simon helemaal terug. De schuldige is Peter Verhulst die in zijn programma op Radio 2 onlangs een live-versie van You Can Call Me Al draaide. Tijdens een klasreünie van mijn derde middelbaar amper enkele dagen geleden hing een oud-medeleerling een matig spectaculair verhaal op over een wedstrijd die we ooit allebei wonnen en waarvan de helft van het prijzenpakket de elpee Graceland was. En vandaag – 13 oktober – wordt Paul Simon 77. Toeval bestaat niet. Alles komt samen. Alle wegen leiden naar Graceland.

Ik heb het album de afgelopen maand weer een twintigtal keer beluisterd (op iTunes en Spotify – niet op cd – zéker niet op vinyl), en opnieuw was ik verbluft. De nummers zijn geweldig, Paul Simon zingt met een ongelooflijke bravoure en de teksten gaan over liefde, politiek en een zekere mister Beerbelly. Kortom, alles wat een monument-elpee nodig heeft.

Paul Simon heeft Graceland bovendien deels in Zuid-Afrika opgenomen. Niet dat hem dat de Nelson Mandela van de jaren 80 maakt (er wàs al een Nelson Mandela in de jaren 80, en per slot van rekening heeft hij wellicht enkel maar een paar verlopen Zuid-Afrikaanse muzikanten uitgebuit), maar de Afrikaanse stemmen en instrumenten maakten het album exotisch, vernieuwend en gedurfd.

Trakteer jezelf eens op een luisterbeurt. Het is een belevenis, een avontuur, het is magistraal. Ik had 32 jaar geleden al overschot van gelijk: Graceland is het beste album aller tijden.

Gelukkige verjaardag, Paul Simon.

Graceland.jpg